Hoofdstuk I

Exthreaven SQUAD 1: Hemelse Missie

Hoofdstuk I

Mijn iPhone ligt in de wc-pot.

Even staarde ik naar de bubbels die aan de randen van mijn hoesje ontsnapten. Het voelde alsof ik een man zag verdrinken, happend naar adem, en ik helemaal niets deed behalve … kijken. En toen stopten de bubbels.

Fack!

Met een reeks vloeken die ik hier niet ga herhalen, schoot ik in actie. Ik balanceerde het dienblad zo goed ik kon op mijn knie en liet me zakken, zakken, zakken totdat ik mijn arm in de pot kon steken. Ik aarzelde een seconde, huiverend van wat ik op het punt stond te doen.

Als ik nu thuis was - waar mijn moeder de toiletpot twee keer per week rigoureus onder handen neemt - dan zou ik niet twijfelen.

Vieze handen kan je immers gratis en voor niets wassen, maar een nieuwe iPhone? Die kost stukken van mensen.

Alleen was ik natuurlijk niet thuis. Dit was de Hogeschool Vrijsdene en sinds ze de toiletten genderneutraal gemaakt hadden, was het er nog net iets onfrisser dan normaal. Toch stond ik in dat veel te nauwe hokje met een dienblad vol cafetaria-eten naar een drenkeling van 599 euro te staren.

Goed dan. Nu of nooit.

Ik rolde mijn mouw op en viste het toestel snel uit het water. Meteen knalde ik het potdeksel toe zodat ik mijn dienblad erop kon zetten en de schade aan mijn iPhone kon opmeten. Een potje met rijst, zeggen ze wel eens, maar volgens Ewout komen er dan minieme stofdeeltjes in het binnenwerk die je er nooit meer uit krijgt.

Zuchtend deed ik wat ik kon met wat wc-papier, me voornemend om Ewout later om advies te vragen, en toen ging ik er voorlopig maar even mee onder de handenblazer staan. Ik ving een glimp van mezelf op in de spiegel en kon wel huilen.

Geweldig.

Guh-wél-dig.

Dag elf en daar stond ik dan tijdens mijn lunchpauze, toiletwater van mijn mobieltje te blazen als ’s werelds grootste loser. Na een tweetal minuten was het ergste nat er wel van af en ging ik terug naar het wc-hokje om mijn dienblad op te halen. Het broodje martino en de beker cola stonden onaangeroerd te balanceren op de pot.

Was ik echt van plan geweest hier te eten, in mijn eentje, op de toilet? Als ik zo’n scène op televisie zag, vond ik het altijd nogal overdreven dat mensen dit deden. Melodramatisch, zelfs. Maar ik heb niemand om bij aan tafel te schuiven en ik …

Die cafetaria was gewoon zo overweldigend.

Luid. Druk. Vechten voor een plaatsje. Plakkerige vlekken op de vloer. En dan natuurlijk het verpletterende gevoel van eenzaamheid, ook hallo.

Ik propte het broodje martino in mijn schoudertas en liet het dienblad achter, slurpend aan mijn cola, terwijl ik de toiletruimte verliet en plechtig aan mezelf beloofde dat ik hier voortaan echt alleen nog maar naartoe kwam als ik effectief een wc nodig had, in plaats van een eetplek.

Zo. Dag elf van mijn hogeschoolcarrière was alleszins alweer half voorbij.

Nog maar een duizendtal te gaan ...

Hoofdstuk II