De avond van de vissen

Het CARPA Complot

De avond van de vissen

>><3>

De avond van vijftien december ging de geschiedenis in als de Avond van de Vissen. Zo’n avond waarvan je je achteraf herinnert wat je deed en waar je was, die zaterdag, toen de vissen verschenen. Er zijn mensen genoeg die nu beweren dat ze het als een slecht voorteken zagen. Maar dat is nu. Op het moment zelf leek het onschuldig, een gimmick, een reclamestunt. Niet een voorbode van het onheil dat volgen zou.

Ik reed over de snelweg en het regende niet. Dat was opmerkelijk. Het had bijna alle dagen van november geregend, en december was inmiddels hard op weg om de natste december sinds het begin van de metingen te worden. De regen viel, doordrenkte de aarde, stroomde door beken en sloten, en vulde de rivieren. Elke dag opnieuw. Eerlijk gezegd werd ik er zo langzamerhand behoorlijk sikkeneurig van. Daarom herinner ik me dat de hemel die avond helder was, en het asfalt droog.

Ik reed over de snelweg en ik dacht na. Niet over het uitgeefcontract dat ik net getekend had, maar over Geus. Hij zat voorin mijn hoofd sinds eerder die dag, toen ik mijn telefoon wilde pakken en het fotomapje op de grond viel.

Linda raapte het mapje op. ‘Wat een schattig jochie!’ riep ze uit. De uitgeefster had me net over haar gezinnetje verteld, haar twee kleine meisjes.

‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is Geus. Mijn, eh…’ Ha, daar was mijn telefoon. ‘…jongere broer.’ Ik zocht naar het icoon voor de agenda. ‘Hij is inmiddels tweedejaarsstudent informatica.’

We maakten een nieuwe afspraak en dronken een glas op het contract.

Linda had voorgesteld om voor mijn roman een ander pseudoniem te gebruiken dan Anja van Sassen. Die naam hoorde bij mijn kinderboeken, niet bij een boek vol rampen en tegenslag.

Daaraan kon ik beter denken dan aan Geus. Zoevend over het asfalt speelde ik met namen. Een naam als Geertje, zoals mijn moeder heette, of Madelief, wat ik gewoon mooi vond, zou niet erg passen. Ik ben meer een zonnebloem, groot, blond en niet superslank. Meer een Gloria of een Sieglinde, maar zo wilde ik me zeker niet noemen.

Een nieuwe naam, een nieuw begin. Misschien ging ik wel weer daten. Zelfs voor een single van boven de dertig moest er iemand zijn. Een man die intelligent en redelijk aantrekkelijk was. En lang. En geen stijve hark.

Ik wist meteen een nieuwe schrijversnaam. Diana, godin van de jacht, dat leek me wel wat. Diana Waterman. Dan kwam mijn sterrenbeeld ook nog van pas.

Door de autoruit kon ik boven het lint van natriumlampen en de gloed van Utrecht de sterren in de schoongespoelde hemel zien staan. In het zuiden brandden uiterst scherp de feestelijke lichten in de zendmast van IJsselstein, de grootste kerstboom van Europa. Nog tien dagen, dan was het kerst. Kerstmis met zijn drieën, mijn vader, Geus en ik.

Ik had al ruim een week niets van Geus gehoord, maar alsof zijn foto hem had opgeroepen, klonk zijn ringtone op het moment dat Linda en ik afscheid namen. Met een verontschuldiging nam ik op.

‘Hé An,’ zei hij luid. ‘Kun je me zo ophalen? Ik ga mee naar pa, dan tuigen we samen de kerstboom op.’

‘Dat is goed,’ zei ik. ‘Met champagne, want ik heb wat te vieren.’

‘O, ja. Je contract. Was dat vandaag? Gaaf. Maken we er een feestje van.’

Wekenlang had ik opgekeken tegen de avond dat ik met mijn vader het huis zou gaan versieren. Decoraties voor een feest waarin we geen van allen zin hadden, nu mijn moeder er niet meer was. Maar deze avond had ik iets te vieren. Mijn contract, en het feit dat Geus spontaan aanbood om te helpen.

Opeens viel me een kantoorflat op, aan de rechterzijde van de snelweg. Er scheen licht uit de ramen, in het patroon van een grote vis. Dat moest bewust gedaan zijn.

Waarom geen kerstboom, dacht ik, of een ster?

Ik volgde de afslag naar de A12, de parallelbaan richting Nieuwegein. En daar, achter de glazen gevel van het gebouw van Rijkswaterstaat, brandde nog een vis. Schuin boven het gebouw hing de halve cirkel van de maan. Eerste kwartier, dacht ik, dood tij. Het was een poëtisch moment.

Geus stond al bij de bushalte van Westraven op me te wachten. Hij was ontspannen, en hij lachte terwijl hij instapte.

‘Heb je de vis gezien? Op Rijkswaterstaat?’

‘Ja,’ zei ik. ‘Imposant. Je kunt hem al vanaf een afstand zien. Er was er nog een, op een kantoorgebouw in het oosten van Utrecht.’

‘Echt?’

Hij keek door de ruit tot het gebouw van Rijkswaterstaat uit het zicht verdwenen was.

‘Zag je dat hij van kleur verandert? Van blauwwit naar geeloranje?’

Toen ik bij de verkeerslichten naar hem keek, veegde hij tevreden glimlachend over het scherm van zijn mobiel.

‘Hij staat al op Facebook.’

Ik vond de vissen een mooi voorteken. Samen met Geus’ voldane gezicht waren ze de voorbode voor een betere kerst.

‘Het is gelukt,’ zei hij. ‘Ik heb de puzzels opgelost, de eerste proef gehaald, en nu ben ik binnen.’

Pas twee stoplichten later drong de betekenis van zijn woorden tot me door.

‘Heb jij dat gedaan, die lampen in dat gebouw? Is dat niet illegaal?’

‘Ga nou niet de grote zus uithangen. Het is een waarschuwing. Zo tonen we de zwakke plekken aan.’ Hij klonk trots.

‘We?’

‘Dat is nog geheim. We gaan grootse dingen doen.’

Ik had het hart niet om hem de les te lezen nu hij zo opgewekt was. Uiteindelijk leek het vrij onschuldig, een patroon van ramen, in het seizoen van feestverlichting.

Op elf hoge gebouwen waren ze te zien geweest: in Utrecht, Amsterdam, Rotterdam, Delft, Groningen en Den Haag. De foto’s ervan verschenen in de sociale media, in kranten en op het journaal. Mensen vroegen zich af wat het betekende.

Een kamerlid van de ChristenUnie glimlachte om de vis. ‘Er is nog geloof onder jongeren,’ zei hij, alsof hij het wonder zelf veroorzaakt had.

De beheerders van de gebouwen zwegen. De volgende avond waren hun ramen gewoon zwart.

Totdat de lampen doofden en de vissen verdwenen, hadden veel mensen hun vrije zaterdagavond al opgeofferd aan het raadsel. Eén ervan was Quint Ruys.

><+++>

Quint werd vlak voordat hij de deur uit wilde gaan gebeld. De beveiligingsman van Rijkswaterstaat, Jafar Massoud, verontschuldigde zich uitgebreid.

‘Ik weet dat het zaterdag is, maar we hebben zoiets geks. Kun je naar ons kantoor op de Griffioenlaan komen?’

Een moment twijfelde hij. Op zaterdagavond ging hij altijd naar de bordspelavond in The Joker, en hij week niet graag af van zijn plannen. Bovendien werkte hij liever thuis. Maar Jafar was een goede opdrachtgever, die een paar woorden gebruikt had, die hij niet weerstaan kon: ‘iets geks’.

Hij liep dus niet naar de Oudegracht, maar naar het station, en nam de tram. Twintig minuten later stapte hij uit op halte Westraven. Het was droog en het kunstlicht gaf alles een gele gloed. De tram belde vals dat de deuren sloten, en reed weg. Quint liep nog op het perron, toen er een aftandse Toyota langsreed en bij de bushalte stopte. Het leek Geus wel, die daar had staan wachten, en die nu instapte. Anja had net zo’n autootje. Onwillekeurig zette Quint een paar stappen naar de rand van het perron, maar de hoek was verkeerd om het kenteken te kunnen zien. Anja was de enige waarvoor hij wel al zijn plannen had willen loslaten.

Dat was een droom. Quint had niets te maken met wat Anja in haar vrije weekend deed. Hij had andere dingen te doen, hem lokte ‘iets geks’.

Hij draaide zich om, checkte uit en volgde het voetpad naar zijn bestemming. Nadat hij langs de P&R-garage gelopen was, zag hij het probleem, waarover Jafar had gesproken, levensgroot voor zich. Het was een vis, samengesteld uit de verlichte ramen van meerdere etages. Naarmate hij dichterbij kwam bemerkte hij een verschil in de tinten wit, nuances in rood en blauw die de vis de parelmoerglans van schubben gaven. 

‘Aan beide zijden,’ had Jafar gezegd. ‘Iemand heeft de verlichting gemanipuleerd, en wíj waren het niet. De fabrikant van de lampen zit met zijn handen in het haar.’

Jafar begroette hem opgelucht. Hij loodste hem snel door de beveiliging.

‘Leuk strikje,’ zei hij, wijzend naar de met dobbelstenen bezaaide vlinderdas om Quints hals.

‘Het is bordspelavond,’ zei Quint. ‘Ik heb er ook een met pionnen.’

Jafar troonde hem mee naar een computerruimte waar hij hem voorstelde aan de facilitair manager van het gebouw.

‘Quint was onze adviseur toen we het Security Operations Center opzetten,’ zei Jafar. ‘Toen dachten we wel aan andere bedreigingen dan vissen in ramen.’

‘Qua publiciteit is dit een ramp. Iedereen kan de vis zien, maar we hebben geen idee hoe hij er komt.’ De facilitair manager ging hen voor naar een werkstation, waar een jonge programmeur zat. ‘Het gebouw heeft toch al een lastige reputatie. De meeste mensen zijn nog niet vergeten dat we ooit wekenlang gesloten waren vanwege onverklaarbare trillingen.’

Het duurde tot diep in de nacht voordat ze alle lampen weer in het gareel hadden. Quint en de programmeur hadden de oorzaak snel gevonden, maar de oplossing kostte enige hoofdbrekens.

Langzamerhand raakte de ruimte vol met mensen die er niets te doen hadden, maar wel alles wilden weten. Ze brachten meningen, geuren en beweging mee en verstoorden Quints concentratie. Pas toen de oplossing in zicht kwam, reageerde hij op vragen.

‘Het gebouwbeheerssysteem is gehackt,’ verklaarde hij aan een opgetrommelde public-relations-manager, ‘iemand heeft een valse firmware-update naar de verlichting gestuurd. Zo kon hij de apparatuur gericht manipuleren.’

De PR-man trok zijn wenkbrauwen op. ‘Zeg dat nog eens een keer?’

Er stonden te veel mensen om hem heen. Alle ogen waren op hem gericht. Nieuwsgierige ogen. Toch hing er ook een zekere spanning, een ongerijmde opwinding, alsof niet alle mensen hier met dezelfde belangen stonden. Het irriteerde hem dat hij de emoties niet kon thuisbrengen.

Hij maakte het knellende elastiekje los dat zijn paardenstaart bijeenhield, en schudde zijn haar naar achteren. Vooruit, hij kon het best simpel uitleggen. Gewoon doen of het een groep eerstejaarsstudenten was. ‘Misschien heb je thuis ook wel zoiets. Lampen, die je kunt programmeren om op bepaalde tijden aan of uit te gaan, of om een andere kleur licht te geven.’

De PR-man knikte. ‘Mijn zoon heeft dat. Hij bedient ze met zijn iPhone.’

‘Precies.’ Quint masseerde zijn hoofdhuid. ‘Twee dingen zijn van belang om te weten: al die lampen kun je aansturen vanuit een bepaald punt, je telefoon bijvoorbeeld, en ze communiceren met elkaar.’

Hij draaide zijn haar weer tot een staart en bond het elastiek er omheen. ‘Dat is eigenlijk wat hier gebeurd is. Iemand heeft het netwerk gehackt en contact gemaakt met de controller van de lampen. Het wachtwoord is met enig geduld wel te achterhalen. Daarna heeft hij of zij er nieuwe software heen gestuurd. Daarmee kon de hacker de lampen vanaf een andere plek programmeren.’

Achter hem raceten de vingers van de programmeur over het toetsenbord. ‘We hebben nu bijna overal de nieuwe firmware staan, met spoed geleverd door de leverancier.’

Inmiddels was het hun duidelijk geworden dat de kantoorflat van Rijkswaterstaat niet het enige gebouw in Nederland was met hetzelfde probleem. Meerdere leveranciers van verlichtingssystemen hadden een slechte nacht. Misschien was dat de oorzaak van de spanning in de groep mensen, de sensatie dat ze aanwezig waren bij een nationaal fenomeen.

Quint richtte zich tot de PR-mensen. ‘Wat ik niet zou vertellen, als ik jullie was, is dat het veel erger had kunnen zijn. Het beheerssysteem bestuurt ook de beveiligingscamera’s, de toegang, de verwarming.’

‘Wie zit hierachter?’ vroeg een jonge vrouw die ‘persvoorlichter’ op haar badge had staan.  ‘Zoiets doe je niet in je eentje.’

‘Een Christelijke actiegroep?’ opperde Jafar.

‘Rotjongens,’ zei de PR-manager.

Quint wilde dat hij wat afstand nam, met zijn scherpe deodorant.

‘Gamers. Die types van negentien, die banken platleggen,’ zei de vrouw die hen net van koffie had voorzien. Quint wist niet wat haar functie was. Een vrouw die koffie bracht kon net zo goed een manager zijn als een receptioniste.

Eerst zei hij niets. Hij wist niet of het kwam doordat hij Geus die avond gezien had, of omdat het beeld van een vis nog op zijn netvlies stond. Het enige waaraan hij kon denken was de internetpuzzel die jonge hackers in Nederland al wekenlang bezig hield. Een puzzel waarvan hij zich een tijdlang had afgevraagd of de mensen van Rijkswaterstaat hem gemaakt hadden.

Hij keek naar de programmeur en naar Jafar. ‘Hebben jullie van CARPA 3521 gehoord? Het is een spel. Het begon een week of zes geleden, begin november.’