Proloog & eerste hoofdstuk: In de put

Orvieto Underground

Proloog & eerste hoofdstuk: In de put

Proloog

 

De tuin is bijna zo net groot als ons schoolplein. Misschien nog wel groter, want ik weet niet of het einde tussen de bomen ligt of daar voorbij. Er zou alleen familie zijn, had nonna gezegd, mijn Italiaanse oma. Het zou niet zo druk zijn als in de kerk.

Ze heeft gelogen. Overal tussen de bomen staan mensen, en terwijl ik kijk, komen er nog meer bij. In de boomtoppen krassen kraaien. De mensen zeggen niets. Niemand praat tegen ze. Er zijn geen kussen en omhelzingen. Ze staan daar maar, en kijken. Naar de begrafenis, want papa komt niet meer thuis. Dat was ook niet waar, dat hij snel terug zou komen.

Bisnonna, de mama van nonna, huilt, net als nonna, en mama wil het niet, dat heeft ze zelf gezegd, maar ze huilt ook.

Het is verdrietig, heeft nonna gezegd. Je hoort je kind niet te overleven.

Papa’s mogen ook niet doodgaan.

Achterin de tuin staat een kleine kerk, niet groter dan een schuur. Het is geen kerk maar een familiegraf, zegt nonna. In het gras eromheen liggen stenen platen. Ik kan de namen erop, en op de grafstenen die rechtop staan, niet lezen. Als nonno straks een steen maakt, moet hij zorgen dat papa’s naam goed te lezen is. Papa heeft een moeilijke naam, net als ik. Als je die kunt spellen kun je alles lezen. Dat zei papa, toen hij er nog was.

Hij is er niet meer. Hij ligt in de kist, zegt mama. Ik kan niet geloven dat hij daar in het donker ligt.

Mijn ooms zijn allemaal in het zwart gekleed. Ze laten de kist zakken in het rechthoekige gat in de grond. We geven hem terug aan de aarde, zegt bisnonna.

De zwijgende mensen komen tussen de bomen vandaan wanneer ze met gewone schoppen bruinzwart zand op de kist scheppen. De deur van het familiegraf is open. Daar wachten ook mensen.

Opeens zie ik hem staan. Het is papa, maar toch ook weer niet. Hij kijkt naar mama. Ze ziet hem niet. Hij steekt zijn hand op naar mij en ik zwaai naar hem. Dan loopt hij met een paar vrouwen mee het grafhuis in. Hij gaat de deur door en verdwijnt in de schaduw.

Zie je wel dat hij niet in de kist ligt.

De kraaien in de bomen vliegen op.

Het is bijna voorbij, zegt mama.

Maar dat is ook een leugen

In de put

 

Blue tast met haar hand naar de muur. Behoedzaam laat ze zich op de stenen bank zakken. Zo. Ze zit. Ze zal niet struikelen over de kisten die ze op de grond heeft zien staan. Even wachten tot haar hart wat bedaard is. 

Als haar neven straks terugkomen, de moederskindjes met hun pasta-vetrollen, zullen ze geen in paniek geraakt grietje vinden. Ze zal cool en uit de hoogte vragen of dit hun idee van Italiaanse gastvrijheid is. Ondertussen houdt ze zichzelf wel bezig. Waar heb je anders telefoon voor?

De steen van de grot licht wit op als ze een selfie maakt. Gestrand in onderaardse grot, typt ze. Stunt van mijn lieve neefjes.

Het whatsappje sturen is onmogelijk. Er is geen bereik.

Natuurlijk is er geen bereik. Hoeveel meter zit ze wel niet onder de grond? De Pozzo de San Patrizio is een put van 53 meter diep, en de opening waardoor ze haar neven naar de grot was gevolgd, bevond zich behoorlijk in de diepte.

Met de zaklamp van haar mobiel onderzoekt ze de grot. Ruwe wanden van steen. Een stevige deur, waar geen beweging in te krijgen is. De houten bank, waarop ze zit. Zes lege kisten. Nergens een lichtknopje of een lamp.

Hoort ze stemmen? Ze hoort duidelijk stemmen, boven haar, en voetstappen op de trap.

Ze opent haar mond, maar sluit hem weer. Ze weigert om de rotzakken te roepen.

Natuurlijk komen ze terug, wanneer de grap lang genoeg geduurd heeft, wanneer het Hollandse nichtje lang genoeg gestraft is. Hopelijk voordat…

Geschrokken kijkt ze op haar mobiel, 45% batterij.

Ze zet hem meteen uit.

Geen paniek. Ze weet waar ze is, in de grotten onder Orvieto. Orvieto Underground noemen ze dit. Deze grot maakt deel uit van het stelsel van gangen en grotten dat je onder leiding van een gids kunt bezoeken.

 

Hoeveel woorden zijn er om duisternis te beschrijven?

Het echte duister is niet het moment dat het licht dooft. Op dat moment is de herinnering aan licht nog op het netvlies geëtst. Het geschuifel van voeten, het vermoeden van het dichtslaan van een deur, verderop in de gang, ze onderstrepen wat zichtbaar was — en nu niet meer. Pas wanneer alle geluid weggestorven is, en ogen en hersenen samen de conclusie trekken dat er niets te zien is, dan pas komt het besef.

Alles is zwart.

En ik ben alleen.

Als klein kind was ze bang van het donker. Haar hart en buik zijn dat niet vergeten. Uit alle macht probeert ze zich te herinneren hoe ze die angst toen overwonnen heeft.

Ademen. Ademen en tellen, zoveel tellen in, zoveel tellen uit. Hoeveel tellen weet ze niet meer, maar het helpt. Siny heeft het haar geleerd, in Limburg, in de mijnen.

‘Het donker is niet gevaarlijk. Het doet niets, het is niets, het is alleen maar donker.’

De kramp in haar maag verdwijnt. Donker is alleen maar donker. Er is niets anders. Niets beweegt, niets roert zich.

Stenen en rotsen, ook al hangen er tonnen van boven je hoofd, hebben de kracht om torens te bouwen en daken te dragen. Hier kan haar niets gebeuren, ze hoeft enkel maar te wachten tot de ettertjes terugkomen.

Wachten is niet meer dan tijd voorbij laten gaan.

‘t Is wat laat voor een siësta, toch sluit Blue haar ogen.


Haar vader was naar de patroonheilige van de put genoemd. De Pozzo de San Patrizio is een van de vele toeristische attracties van Orvieto. Ze had met Siny plannen gemaakt om hem te bezoeken. Toch kwam het er nooit van. Haar jonge tante werd te veel in beslag genomen door haar vriend, en door Blue’s Italiaanse familie.

Blue’s vader had een fascinatie voor putten gehad. Zijn laatste fotoserie was van deze put geweest. De Pozzo bij ochtend, in de middag, in het avondlicht. Daarom was het gek dat Blue hem in alle jaren na zijn dood nooit bezocht had.

De neefjes wilden Blue wel meenemen.

‘De put is het mooist bij avond,’ had Renzo gezegd, rammelend met de sleutel van de deur. ‘Of durf je niet?’

Natuurlijk durfde ze wel. En de put, een architectonisch kunstwerk, was meer dan indrukwekkend. Ze volgde Renzo en zijn sidekick broer door de lange trap die in een spiraal rond de schacht van de put liep. Er waren twee gangen, één om omlaag te lopen, en één voor omhooggaand verkeer. Het was alsof je afdaalde in een toren, die in de rotsen uitgehouwen was. Door de vele ramen kon Blue de schacht inkijken. Wanneer ze naar boven keek zag ze de hemel, gekleurd door de ondergaande zon. Ver beneden spiegelde het water, een kleine roze cirkel Er waren meer dan tweehonderdveertig traptreden, had Renzo gezegd. Blue had ze niet geteld.

De Ierse Sint Patrick had een ondergrondse grot gehad, waarin hij mensen een louterende blik op het vagevuur kon geven.

Misschien werkte dat wel. Na zestig langzame minuten kan Blue zich elke nare opmerking herinneren die ze over en tegen haar neven gemaakt heeft, hoe terecht ook. Ze denkt aan de foto van Renzo’s puistenkop die ze naar haar vriendinnen gestuurd heeft. Hij had het ernaar gemaakt, met zijn loerende blik naar haar borsten. Zijn broertje Romeo (wie noemt zijn zoon nou Romeo?) was niet veel beter. Renzo was met veertien jaar drie jaar jonger dan zij — en een gehate tien centimeter langer. Hij gedroeg zich net als alle andere Italianen: of ze nog nooit een meisje gezien hebben, en geen idee hebben wat persoonlijke ruimte betekent.

De jongens komen niet terug.

Is het de bedoeling dat ze haar eigen weg terugvindt? Is de deur echt wel op slot?

De deur is nog steeds op slot.

Er zijn twee uren voorbij en de batterij staat op 43%.

Weer wordt de duisternis dieper, wanneer ze de mobiel uitzet.

Maar dit keer heeft ze beter rondgekeken. De zijwanden van de kamer zijn ruw, alsof ze uit de rots uitgehouwen zijn. Het plafond is een afgeplatte koepel. De enige rechte lijnen zijn die van de lage deur, waardoor ze gekomen is, en de achtermuur, waartegen de stenen bank staat. Deze muur is uit blokken van tufsteen gebouwd. In de muur, vlak onder het plafond, is een in schaduw gehulde nis, alsof de metselaar het te lastig vond om de halfronde ruimte tussen plafond en muur te dichten. Blue kan er net bij met haar handen.

Zich optrekken aan de rand is moeilijk. Als ze niet in een uitstekende conditie was geweest, was het niet gelukt. Weer een korte flits met de zaklamp.

De opening leidt naar een andere grot. Blue stelt zich voor hoe Renzo en Romeo de deur openen en ontdekken dat de vogel gevlogen is. Haar beslissing is meteen genomen.

Het moeilijkst is het om te zorgen dat ze met haar voeten naar beneden door het gat kan kruipen. De opening is krap, maar de muur is breed genoeg om op te kunnen liggen, en ruim genoeg om stukje voor stukje, schuivend met knieën, voeten en heup, haar benen naar de andere kant te brengen. Voorzichtig laten zakken... Ze hangt aan haar armen, haar bovenlijf nog op de muur. Verder schuiven, tot haar handen alle gewicht dragen. Het is dieper dan ze dacht.

Net wanneer haar handen weg dreigen te glijden, voelt ze steen onder haar voeten. Klaar.

~~~~~~~~~

En nu? Oriënteren. Daar heeft ze licht voor nodig, een kompas en een plattegrond.

Ze doet het met een kostbaar procent batterij. Richt de zaklamp op de wanden, de opening aan het eind van de ruimte, en de gang daar voorbij.

Dan sluit ze haar ogen en probeert wat ze gezien heeft opnieuw te projecteren op haar netvlies. Ruwe, lichtgetinte rots. Tufsteen, het Tufa, dat ze hier met een hoofdletter schrijven. Een redelijk zachte rotssoort, gemakkelijk te bewerken. Ze raakt de steen aan, zoals haar opa zou hebben gedaan.

Blue herinnert zich fragmenten uit de toeristenbrochure over Orvieto. De stad is op een hoog plateau van tufsteen gebouwd. Onder de huizen zijn in vroeger eeuwen kelders uitgegraven. Handige grotten voor de wijnvoorraad van restaurants. Oom Silvio heeft ook zo’n Middeleeuwse kelder. En daaronder liggen nog meer grotten, sommige nog veel ouder, verbonden door lange tunnels en trappen. Veel grotten.

Kan dat getal kloppen? Zijn er echt twaalfduizend grotten?

Hoe vind ze daar ooit haar weg? Ze zit al zo diep onder de grond.

Het beeld in haar geheugen verdwijnt. In plaats ervan ziet ze flitsen van gelezen fragmenten, foto’s en fantasie. Twaalfduizend plekken om te verdwalen.

Blue opent haar ogen. Voor het eerst verwelkomt ze de koele donkerte.

Dit is één grot, en daarbuiten ligt één gang. Al die grotten zijn nog niet allemaal uitgegraven. De vloer van de gang is min of meer vlak. In de muur van de gang zitten openingen, nissen en misschien afslagen. Maar die hoeft ze niet te volgen. Het is slimmer om zo lang mogelijk dezelfde kant uit te gaan.

Het is ook slim om de mobiel alleen in noodgevallen te gebruiken. Misschien is het beter om hier te blijven, te wachten tot de deur aan de andere kant van de muur geopend wordt.

Het idee afhankelijk te zijn van haar neven staat haar niet aan. Niets weerhoudt haar ervan om de grotten in te gaan. Ze heeft meer zintuigen dan haar ogen alleen.

Zeker een half uur staart ze, bewegingsloos, met blinde ogen in de ruimte. Dan weet ze zeker hoeveel stappen ze moet zetten om bij de opening in de muur te komen. Ze weet hoe ver de muur van haar handen is, hoe hoog het plafond. Wanneer ze de tunnel inloopt, stoot ze niet met haar schouders tegen de rotswand. Met de wand op een armbreedte afstand, loopt ze recht vooruit. De vloer helt een beetje omhoog, de goede kant op. Orvieto ligt boven haar.

Zeker honderd meter kan ze in één richting lopen. Dan stopt ze, wetend dat er voor haar een obstakel is. Het einde van de tunnel. In het duister probeert ze de situatie te overzien.

Ze kan naar links gaan, maar de ruimte daar lijkt in massieve steen te eindigen. Een grot, geen gang. Schuin naar rechts loopt een tunnel, omhoog. Achter de wanden van de tunnel zijn open ruimtes. Hoe het kan, weet ze niet, maar ze is er zeker van.

Wanneer Blue verder loopt, kan ze soms vaag de wanden zien, alsof een verborgen lichtschijnsel de randen van vloer, plafond en muren met een rode glans beroert. Misschien is het warmte die de steen uitwasemt. Maar dat kan niet, de steen is koud.

Het is donker. Ze ziet niets echt iets. Toch loopt ze zeker de tunnel door, en de volgende, zonder struikelen. De duisternis werkt niet langer beangstigend. Wanneer ze bij een trap komt, neemt ze zonder aarzelen de treden omhoog. Bovenaan gekomen voelt ze links en rechts een gang. Gangen en grotten.

En ze beseft twee dingen.

Ik voel me hier thuis.

Maar ik heb geen idee welke kant ik uit moet gaan.

Schoten