Rozen voor Valentijn

Rozen voor Valentijn

Rozen voor Valentijn

Rozen voor Valentijn.

 

            Een ijsbeer, met zonnecrème op. Zo voel ik me, wachtend op een Nieuwjaarsduik hoewel het nog lang geen Nieuwjaar is. Rorate Coeli, de hemel dauwt zich een weg naar Kerstmis. Ik streel voorzichtig je wang, dwaal over je lichaam, zoek zonder te willen vinden. Je lijf aarzelt, is van jezelf vervreemd, hoe zou het mij kunnen uitnodigen? De GPS van verlangen houdt geen rekening met opgebroken wegen. Je trekt je terug in beverige golven die naar de zee terugebben. Het koude, bijna verlaten herfststrand maakt zich leeg, de zee trekt zich niets van klimaatdiscussies aan. De chemo spant prikkeldraad, vol is vol, het ontvangstcomité blijft op afstand, de liefde zoekt een weg maar is haar identiteit kwijt. Je leven vraagt asiel aan in het Universitair Medisch Centrum. Tederheid blijft. Intimiteit blijft.

‘Houden van’ is verliefdheid die in liefde oud wordt, vanzelfsprekendheid waarbij alles hetzelfde blijft, toch weer anders is, nieuw en fris. Houden van is thuiskomen. Thuis is waar men zich aan- en uitkleedt, waar het stof zich iedere dag te rusten legt vooraleer afgenomen te worden, waar spinnen vanuit hun web meegenieten, waar de trap naar het bed leidt, lichamen naar elkaar, lepeltjesgewijs. Waar je niet meer weet welke hand van jou en van mij is, waar je zoekt, niet direct wil vinden, waar je bent, j’aime donc je suis. Waar je in de schaduw staat om niet in geilheid, factor teveel, te verbranden, waar je bent wie je bent, onvoorwaardelijk. Waar voorzichtigheid en schroom aan de kapstok hangen, waar het poseren, het je beter voordoen dan je bent, nadruppelend in de paraplubak rusten. Je suis aimé, donc je suis.

            Je huid trekt kraters over je vel, een vulkaanlandschap op een onontdekte planeet. We leven het leven van elke dag, van gisteren, van nu. Van morgen? Alles is hetzelfde gebleven, lente loopt uit op een melodie van aprilse grillen, herfstbladeren vallen nog altijd naar beneden, de wet van de zwaartekracht geldt nog steeds, de wet van de aantrekkingskracht aarzelt, niet omdat je niet wil maar omdat je niet kan zonder pijn. Toch is niets meer hetzelfde. We zitten naast elkaar, nemen elkaars hand, mijn vingers bewandelen je rug over je kleren heen want naaktheid doet pijn, herinnert aan de gladheid van eertijds. Het journaal blijft vertellen over oorlog, nationalisme, fascisme die zich nestelen in het Witte Huis. Waar kapitein Haddock het roer scheldend en twitterend in handen neemt. President Electus. De wil van het volk. Homo homini lupus. De pitbull van het populisme kwispelt als een schoothondje dat zijn mand niet kan vinden. Ergernis stompt af, de wereld is gekrompen tot de onze. Een kus versiert je mond, ontvangt me, omarmt me, voorzichtig, met onzichtbare stekels, de egelstelling van de pijn. We kijken naar het scherm, de zitbank incasseert welwillend onze lichamen. Het journaal van de dagelijksheid lost op in de waan van de dag. De thrillers trekken de spanning voor een volgende controle naar zich toe. De nieuwe daders hebben het gedaan. De hedendaagse detectives hebben veel afleveringen nodig om te scheiden, hun geaardheid uit de kast te halen, hun eenzaamheid weg te drinken en nuchter genoeg te zijn om de minst verdachte als dader aan te wijzen. Alleen de bewijslast nog. Jouw favoriete Wallander is gedementeerd, de geheugensteuntjes beven op het prikbord, met duimspijkers, made in Parkinson. Vice-detective Lewis wordt Morse. Volgend seizoen een nieuwe reeks, dezelfde Sherlocks, een vrouw, een borderliner, een autist... Emancipatie staat voor niets. Het slachtoffer, de beminde, een silent witness. Wie gaat over Larsons Millennium heen? We troosten elkaar door ons over iemand anders te ergeren. Het glas is eenzaam halfleeg, halfvol.

            De morgen behoort me toe. De volgorde is gewijzigd; de broodnodige koffie wacht op je komst. Het duurt en duurt. Ik ben ons bed uit geslopen als iemand die ontsnapt, dek je nog even toe met een deken liefdevolle voorzichtigheid, streel je in een stralenkrans boven je hoofd zonder je te raken; mijn heilige man, mijn leven, mijn liefde. Ik verlicht de krans met waxinelichtjes zoenen die je niet ziet maar je weet het; liefde met afstandsbediening, de klank is uitgezet. Dit is het moeilijkste uur van de dag. Wachten op jou en toch blij zijn dat je even kunt doorslapen. Ik aarzel met de ochtendkoffie, die zou nu naar oorlogskoffie smaken: bitter en verslagen. Ontbijt zonder jou is eenzaamheid. Ik ruim de avond op, wacht ongeduldig …Ik lees nieuws dat er niet is, loop drie keer naar de containers, vergis me in wat waarin moet. Je bent niet te recycleren, je bent uniek. Dan kom je. Ik hou van je. Ik schud het kussen van de liefde op. Een dag begint. Eindelijk. Ik ben op.

            Je blijft mijn leeuw met de gratie van een gazelle. Je springt over alle hobbels heen die het samenleven meebrengt, haalt de steentjes irritatie uit mijn schoenen. Je voorziet het nieuws van commentaar dat de nieuwslezer tot stilte dwingt, je leest zijn of haar gezicht. Je bent mijn kunst, ik jouw kitsch. We hielden en houden elkaar in een houdgreep van liefde, in niet eens beloofde goede en kwade dagen, ze kwamen vanzelf wel. Nu is de aarzeling ingetreden; ik wil niet meer naar een feest waar ik, sorry wij, verwacht worden, een familiegebeuren. Leeg, betekenisloos zonder jou. Schuldgevoel wordt opgeklopt telkens als ik iets zonder je doe. Als we niet op elkaar mogen wachten komen we niet meer thuis. Gaan we niet meer weg. Ik mis je nu al terwijl je er nog bent. Je bent mijn weekendbijlage, mijn essay over het leven, mijn verdieping, mijn voor- en achtergrond, mijn vers over de liefde. Ik ben het metrum en jambe kwijt. Een hink-stap-sprong van gevoelens. Ons leven gaat over de schreef. De sprong naar de toekomst is afgevlagd, ongeldige afsprong.

            De winter, amper merkbaar, komt en gaat. Je wordt immuun voor de seizoenen. Nieuwjaarswensen met de kribbe en de kerstengel worden opgeborgen voor volgend jaar, de herders liggen een heel jaar bij nachte en bij dag op zolder. Drie koningen hebben de kerstboom meegenomen, zich bijna verbrand aan het lichtend vuur. Je ruimt op, sierlijk, voorzichtig. Je voelt je beter. Je wordt overmoedig. Onze begeerte wordt uitgelaten, ingevuld, je bent er nog. Ik laat je zaad even in de bedding van mijn navel. Je kunt het nog. De kerstballen zijn even broos als jij; ik zou in duizend accenten willen zingen dat ik je ook in een doosje zou willen doen, je liefde bewaren, altijd bewaren. Hoeveel Valentijns komen er nog? De eerste chemo heeft zijn bombardementen uitgevoerd maar is geraakt. Nieuwe onderzoeken, nieuwe wanhoop en hoop, nieuwe chemo, geavanceerd. Zoekend naar de achilleshiel van de kanker, die tijd nodig heeft om een gepast antwoord te verzinnen. Zal het uiteindelijk wel vinden. Hoeveel verjaardagen later? Ik betrap er mezelf op dat ik je van een nieuwe jas af wil houden, te duur voor –wie weet- misschien één seizoen. Zwijg gelukkig op tijd. Je kijkt alsof je het vervolg zelf invult of zelf het scenario bedenkt. Ik zou je willen omarmen als een octopus, met duizend armen liefde aan mijn lichaam dat naar jou verlangt. Een nieuwe lente een nieuwe chemo.

            Je wordt geknuffeld met goede raad, iedereen kent wel iemand die hetzelfde heeft meegemaakt, genezen is. De alternatieven vliegen ons om de oren, we zijn aan een honderdste second opinion toe, een jubileum aan adviezen, gratis, voor niets. We hullen ons in een maliënkolder die rinkelt bij elk geforceerd ja. Zonder al die raad gaat het, “naar omstandigheden goed”. We zijn een stille tandem, ik trap, straks is het tweede zadel leeg. Ik word een tandem voor één persoon. Hoeft niet elektrisch, ik ben gewend geraakt aan het fietsen tegen de wind in. Als je er niet meer zult zijn –waarom denk ik wel eens daaraan- wat moet ik dan? Jouw leven heeft een verkeerde vervaldatum, is geantedateerd. Ik ben toch de oudste, hoor over je te waken, je te beschermen? Ik voel me als een ouder die een kind verliest. Kanker is een spookrijder tegen de tijd.

            De dag wordt verdeeld in periodes dat je rust, kijkt, werkt. Ik wil niet dat je iets doet maar je verzet je. Het is of ik je dwing, met alle liefde die in mij is, of ik je kleef aan de bank waar je moet wachten op…De dood heeft zijn eigen agenda. Hij stuurt zijn wachters, kanker, hartfalen, ouderdom, op strooptocht om in te breken in levens van mensen. Dronken bestuurders zijn aardige hulpkrachten. De huisarts is nog even langs geweest, gevraagd hoe het gaat. Nou goed. “Naar omstandigheden.” Een retorische vraag. Antwoorden overbodig. We mogen bellen, over wachttijden heen springen. Wie in de wachtkamer van de dood zit krijgt voorrang zoals een rouwstoet op een bruiloft. Zwaailichten van een verdwaalde ambulance schijnen ver, naderen, doven weer uit. We zijn nog in de wittebroodsweken van de ziekte.

Het leven gaat door, bidt zijn rozenkrans van clichés. Er moet gegeten, gekookt en geslapen worden, lakens ververst, de was en afwas gedaan. De vogels fluiten. Vóór en na regen komt zonneschijn en nieuwe regen, rozen bloeien in de rozentuin die elkaar is beloofd, voetballers transfereren zich rijk, krijgen hun onbesproken bonussen; China dan maar? Renners fietsen in Frankrijk de bergen op in een mist van verdachtmakingen. De weg naar boven is dezelfde als naar beneden; daar gaapt het ravijn.    

            Het ziekenhuis wordt een vreemde habitat. Iedereen knikt, is gereserveerd beleefd op de afdeling oncologie. Habitués in de chemo verwelkomen de nieuweling hartelijk alsof hij een nieuw lid van een bloeiende vereniging is. Ze hebben allemaal het lot van uitstel afgedwongen. Een straatprijs van een zomer. Of twee als de chemo zijn verdubbelaar ingezet heeft. Men kijkt uitnodigend, nog net geen stoel aangeschoven rond het infuus van tijdswinst. De broodjes herkennen de patiënten van de vorige dag; ze wachten mee. Onzekerheid en pijn bewolken jouw gezicht, Hollandse luchten van licht en hoop, van verduisterende wanhoop. Het kan allemaal thuis, je ligt nog niet op een spijkerbed van naalden. Thuis belt je zus op met de vraag hoe het gaat. Genoeg algemeenheden om van stal te halen: het gaat wel, de ene dag beter dan de andere…en met goed nieuws uit het ziekenhuis (beter: minder slecht nieuws) dat het er allemaal wat beter uitziet. De bijwerkingen trekken zich terug; eb voor de vloed terugkomt. Je merkt er nu amper iets van. Reculer pour mieux sauter. Kanker heeft zijn grillen, krabt op zijn manier aan de korst van de toekomst. De liefde groeit in tegengestelde richting met de kracht van machteloosheid. Ik hou van je. Vier woorden, ontelbare vanzelfsprekendheden die de betekenis van liefde krijgen. De cursusgestuurde verpleegster vraagt gemaakt geïnteresseerd hoe lang we al bij elkaar zijn. Twintig jaar. Je ziet ze denken: dat het nog bestaat. Liefde is onze rozentuin waarbij doornen tot oneffenheden gekloond zijn.

De chemocapsules verleggen de lijnen, voeren een zichtbare strijd tegen de ziekte. De huid van je vingers wordt dun, je bent ongrijpbaar, onaanraakbaar; je voetzolen schilferen, laten relikwieën achter op de vloer van de badkamer; je wordt een heilige nu je dagen bijna geteld zijn. De scheurkalender blijft steken op de fatale diagnosedag. Ik neem je hand, streel je gezicht, druk voorzichtig een kus op je lichaam dat zich terugtrekt in rimpels tijd. Je bent me liever dan ooit, mompel ik. Zou je het gehoord hebben? Niet belangrijk. Je weet het. Het is het kussen waarop je rust, liefde is de schouder die je draagt. Alleen, je kijkt niet meer vooruit, slaat je ogen neer, sluit ze in een voorzichtige oefening.

Mijn mond zoekt je, mijn handen grijpen, mijn lichaam verlangt, mijn hart gaat als een metronoom tussen hoop en liefde, tussen hoop en vrees. De maanden zijn als de pluisjes van een paardenbloem, ik blaas ze weg, fluister hemel en hel, zoals we als kinderen al deden. De hemel, dat ben jij, de hel, dat is de tijd. De lege kop van de paardenbloem is het uitgelepelde leven. Ik stop met blazen, dan blijven er pluisjes hoop over, ik rek de tijd, een elastiek van liefde. De eerste ramptoeristen zijn vertrokken, je ziet er te goed uit voor hen, hier is geen winst uit medelijden te halen, hier kaatst de goede raad af tegen de tijd, hier komen ze niet tussen ons met opgepompte raadgevingen, van internet geplukt. De eerste succesverhalen zijn in rouwbrieven afgevoerd. Je bent er nog. Je blijft. Ik klamp me aan je vast, onzichtbare draden liefde kluisteren de Gulliver, die kanker toch is, maak hem machteloos, kus je wezenloos tot je vraagt of het wel gaat, of er misschien iets is wat je niet mag weten. Verzwijg ik soms slechte boodschappen? Liefde die overloopt, bevuilt. Voor elkaar hebben we geen alternatieven, we zijn elkaar geworden in alle verscheidenheid. Geen lippendienst aan de vrijheid.    

Een vaag familielid dringt telefonisch binnen, goede vrienden liggen draadloos op de kast. Of we wel weten dat er alternatieven zijn, zuchten beschuldigingen in goede raad ingepakt. Er zijn toch mensen genezen. Of we – daarmee word ik bedoeld- wel gehoord hebben dat pillen met cola innemen de opname bevordert. Cola, de sjoemelsoftware onder de frisdranken. Dat er nog mensen ziek zijn of doodgaan is blijkbaar alleen een kwestie van het verkeerde ziekenhuis, de verkeerde behandeling, het verkeerde advies, de verkeerde voeding, de verkeerde leefwijze. De galopperende inflatie van de goede raad. Jomanda, de helderziende, ontmoet de zieke actrice, kijkt naar boven. De kist wordt gesloten. Ik voel me schuldig.

Het wordt weer Valentijn. Nu haal ik een orchidee in huis, een boeket rozen, reserveer een plaats in het restaurant. Het kan niet op omdat zijn leven op is en het mijne. We hebben nooit aan Valentijn gedaan, onze liefde heeft geen commerciële expressie nodig. Ze is er altijd in grijpgrage vingers die alle onderdelen van je lichaam voelen. Waarom nu wel? Een laatste Valentijn? Ik hou van je meer dan ik ooit zal kunnen zeggen. Mijn lichaam zal droog staan, mijn hart in een winterslaap, half februari, alle maanden zullen, na deze Valentijn, een levenlang duren. Maar je bent er nog. De chemo heeft je haren gesnoeid in februari. Een kale rozentuin op 14 februari.