Vliegende Hollanders

Vliegende Hollanders

Vliegende Hollanders

Vanaf de achtersteven van het galjoen had hij een perfect uitzicht op de blauwe zee, ver beneden die als een mijlenlange waterval de eeuwige leegte inviel. Een zucht van opluchting kon hij niet onderdrukken, maar tegelijk voelde hij een diepe pijn in zijn binnenkort veel lichtere beurs. De meester van het schip vergat nooit een weddenschap, eens aangegaan.

Gelukkig wachtten de gouden torens van Hy Brasil hen op voorbij de maanwagen die ver voor hen uit langsgleed. En zoals Van der Decken had verteld, waren de straten geplaveid met goud en waren de gebruiksvoorwerpen van het zuiverste orichalcum.

Daar hield hij zich maar aan vast terwijl hij de schijf van de Aarde langzaam kleiner zag worden achter hen, een uitnodigende wereld drijvend op een wolk van waternevel in een bijna tastbare duisternis, de aether. Hij huiverde even in de ijle lucht die snel killer werd -zijn adem kwam in kleine wolkjes- en stampte een paar keer met zijn voeten.

 

***

 

Het plan van kapitein Van der Decken was net zo gek als het geniaal was.

Ze zaten in zijn stamkroeg terwijl hij probeerde zijn gedachten te verwoorden. Buiten in de haven lag zijn schip, het galjoen Hollandia, dat onder handen werd genomen door enkele honderden Afrikanen.

‘Het probleem zit hem in het drijfvermogen, mijn waarde Rufus,’ legde hij nogmaals uit terwijl hij met zijn rechter wijsvinger op de middenmast van zijn schip wees. ‘De aether is vluchtig op grote hoogte en voorbij de buitenste rand van de Aarde.’

De priester, Rufus, schudde zijn hoofd. ‘Maar dan werkt je plan toch niet als je over de rand heen zeilt, de aether is daar toch veel dunner dan hier?’

De kapitein knikte, zijn verweerde gezicht serieus. ‘Daarom moet de aetherverplaatsing toenemen, zoals een schip meer waterverplaatsing doet naarmate het zwaarder beladen is. Wat ook de reden is dat onze schepen zulke zware lasten over de oceanen kunnen vervoeren.’

Rufus schudde zijn hoofd. ‘Ik weet het niet, kapitein. Als de Heer ons had willen laten vliegen...’

Van der Decken snoof. ‘Kom nu, dat zeg je ook niet over roeispanen om mee te roeien. Of kelplongen om onder water te ademen.’

Rufus moest toegeven dat hij daar een punt had. ‘Maar hoe kwam je erop, kapitein?’ vroeg hij.

‘Goede Hollandse koopmansgeest,’ antwoordde Van der Decken. Hij stak zijn pijp aan en ging er eens goed voor zitten. ‘Zoals je weet voer ik enkele jaren geleden met regelmaat op de Noord waar ik veel handelde met de Inuit. Daar zag ik stukken gletscher over de rand vallen, maar ook zag ik de Inuit kinderen spelen met ballonnen met warme lucht, verwarmd door een lamp met walvisolie. Eén van die ballonnen dreef voorbij de rand en terwijl hij wegdreef zag ik hem stijgen maar ook steeds groter worden. Toen wist ik het: aetherverplaatsing!’

‘Dus het geheim is een ballon? Is dat alles?’ vroeg Rufus.

Van der Decken grijnsde mysterieus. ‘Nee, dat is niet alles. Welk materiaal ken jij dat tot vijftig keer zijn originele grootte kan oprekken en toch flexibel kan blijven?’

Rufus schudde zijn hoofd. Hij kende de Groothandelsbijbel ongeveer uit het hoofd, maar materiaalkennis was hem vreemd.

De kapitein leunde naar hem toe en fluisterde: ‘Mastodontvoorhuiden.’ Hij gaf de priester een grote knipoog.

‘Maar...’ stamelde die.

Van der Decken knikte. ‘Ja, dat was mijn reactie ook toen ik hoorde wat het was. Voor de Inuit is het een afvalproduct, leuk speelgoed voor de kinderen. Ik heb voor een habbekrats de complete jaarvoorraad opgekocht.’

‘Nu begrijp ik ook die tussenstop in Ceylon,’ zei Rufus glimlachend.

Van der Decken grijnsde terug. ‘Beste naaisters van de vier windstreken.’

‘En de Kaapshaven vanwege de werven en dokken, correct?’ vroeg Rufus.

Van der Decken schudde zijn hoofd. ‘Niet echt, hier zijn ze gewoon het goedkoopst.’ Hij wierp een blik naar buiten op de houten constructie die in het verlengde van de masten werd bevestigd. ‘Eind deze week zeilen we, Rufus. En ik wil de Here aan mijn zijde. Zeil je mee?’

De priester haalde even diep adem. Zijn nieuwsgierigheid was groot, maar de angst voor het onbekende misschien nog wel groter. ‘Ik weet het niet...’

‘Wedden om de inhoud van je beurs dat het wel werkt?’ vroeg de kapitein met een grijns.

Van der Decken en Rufus kenden elkaar nog van hun eerste reizen op de Oost, beiden dekzwabbers derde klasse. Na enkele jaren scheidden hun wegen zich. Van der Decken klom op tot kapitein van de Hollandia, Rufus werd priester in het Seminarie van de Groothandelskerk van Amsterdam. Ze troffen elkaar weer toen Van der Decken ivoor en Mastodontharen isolatiedekens ontscheepte aan de Johanneskade waar niet alleen veel pakhuizen stonden, maar waar ook de Kathedraal van Sint Nicolaas, patroonheilige van zeelieden en handelaren -en dieven- zich bevond. Het was in die tijd dat Rufus leerde dat Van der Decken nooit een weddenschap afsloot waarvan hij niet volledig overtuigd was dat hij zou winnen.

‘Vooruit maar,’ zei de priester en hij stak zijn hand naar de kapitein uit die hem vol genoegen schudde.

 

Aan het eind van de week zeilde de Hollandia op eigen kracht de haven uit. De wind was gunstig en ondanks de vreemde constructie boven de bovenste zeilen maakten we een goede snelheid in zuidwestelijke richting, de dichtsbijzijnde wereldrand.

Het zachte ruisen van de waterval vele mijlen verderop nam langzaam in volume toe. Van der Decken gaf een dozijn matrozen opdracht de balgen te bedienen om lucht in de ballon te krijgen. Twee andere matrozen kregen opdracht naar het kraaiennest te klimmen om de bediening van de branders op zich te nemen.

Terwijl het ruisen aanzwol tot een massief donderen torende de ballon steeds hoger en verder boven hen uit. Een halve mijl voor de rand merkten ze dat het schip hoger in het water kwam te liggen tot alleen het onderste puntje van de kiel en roer nog door het water sneden.

‘Het werkt, Rufus,’ schreeuwde Van der Decken boven het geraas.

Die knikte alleen maar.

De overgang naar de aether was een anticlimax, een kort angstig moment waarin het leek dat de Hollandia voorover dook, maar de ballon deed zijn werk en het schip voer gewoon verder op de kalme aetherbaren.

Er ging gejuich op onder de bemanning van het schip en de kapitein liet een vaatje rum aanrukken om te vieren dat dit deel van de reis gunstig verlopen was.

‘Mannen,’ zei de kapitein met luide stem. ‘Vandaag zijn we over de rand gezeild. Morgen of overmorgen bereiken we Hy Brasil en zwemmen we in gouden badkuipen gevuld met edelstenen!’

Het humeur aan boord was opperbest.

 

***

De enige warme plek aan boord was de grote brander die de ballon opgeblazen hield zodat ze niet in het duister van de aether weg zouden zinken. De laatste overgebleven matrozen, Van der Decken en priester Rufus probeerden zich angstvallig vast te houden aan ijzige touwladders. Ze droegen allemaal meerdere lagen kleding, maar nog steeds wist de kou hen tot op het bot te verkillen.

Rufus probeerde Van der Decken op andere gedachten te brengen, maar de kapitein was koppig. Hij weigerde te luisteren, zelfs toen de priester hem op de tientallen matrozen wees die vanuit de toppen van de masten naar beneden op het dek waren gevallen, nadat ze in hun slaap doodgevroren waren.

De maan was inmiddels achter hen, maar nog waren de gouden torens van Hy Brasil niet in zicht. De ballon was gezwollen tot monsterachtige proporties in de ijle aether. De kou was snijdend en erger dan de ergste verhalen die de priester ooit van schippers op de Noord had gehoord.

‘Hoe komen we ooit terug, Van der Decken?!’ schreeuwde Rufus naar de kapitein in het andere kraaiennest.

Klappertandend antwoordde die: ‘Waar denk je dat de regens van vissen vandaan komen? De aether brengt het water terug naar de Aarde, zoals ook het schip terug zal keren. Maar dan beladen met goud uit Hy Brasil!’

‘Je bent gek, Van der Decken!’ schreeuwde Rufus naar hem. ‘Dit schip wordt ons graf!’ De kapitein zweeg terwijl Rufus alle vervloekingen naar zijn hoofd slingerde die hij in zijn lange studie als priester had bestudeerd.

‘Vervloekt, Van der Decken,’ fluisterde Rufus, ‘ik hoop dat je voor eeuwig rondzwerft op zoek naar de weg terug.’ Daarna zweeg hij en spaarde zijn adem. Hij keek naar de andere matrozen, een stel vliegende Hollanders bij elkaar. De kou deed zijn vlees en botten pijn en elke beweging was teveel. Hij viel in slaap.

Even werd hij nog wakker. De pijn was verdwenen en zijn adem kwam nog in wolkjes, die overigens steeds kleiner werden. Vermoeid staarde hij langs de boeg van de Hollandia, hopend op de gloed van gouden torens, voor hij aan de laatste slaap begon.