Plantaardig

Plantaardig

Plantaardig

Vaalgroene blaadjes groeiden tevergeefs uit een flapperende zak. Sam hield halt. Net als hijzelf voerde de plant een ongelijke strijd. Het plastic verduisterde de zon, ontnam de wortels alle regen en hinderde de stengels in elke natuurlijke groeirichting.

Hij raapte de achtergelaten plant op, ging thuis met een zak humus aan de slag. ‘Vandaag heb ik een lotgenoot gevonden,’ zei hij tegen zijn moeder. ‘Een plant die niet meer vraagt dan wat water, een beetje zon en veel geduld.’ De gevulde pot plaatste hij op hun balkon.

De volgende dagen bracht hij door op het terrasje. Hij rookte pakken sigaretten, ademde evenzeer de lente in. Hij overwoog de plant een naam te geven, maar geen van de mogelijkheden paste. Wel zocht hij haar soortnaam op. Volgens het internet was het een wingerd.

Op de bladeren van de plant verscheen een gezonde blos en ook zijn wangen kleurden onder de prille voorjaarszon. ‘Leuk dat je je groene vingers gebruikt,’ zei zijn moeder. ‘Het doet je duidelijk goed. Spijtig dat je er hier zo weinig plaats voor hebt.’

Sinds de dood van zijn vader woonden ze in een flat. Zonder symmetrie rees het gebouw op tussen de verkeersaders. De rechte lijnen vloekten met elkaar en de hoeken waren ofwel te scherp, ofwel te stomp. Het was haast een wonder dat de vloeren horizontaal liepen. Maar terwijl de plant omhoog klom, begon in Sams hoofd een idee te groeien. In zijn dagdromen vormde hij de kale daken en de nog niet scheve muren om tot een hangende tuin.

‘Misschien kan ik op het dak wat planten kweken?’ vroeg hij.

‘Ja,’ knikte zijn moeder. ‘Dat lijkt een leuk plan. Maar vraag het even aan de conciërge. Ik denk dat je zijn toestemming nodig hebt.’

Drie weken later vond hij de moed om aan te bellen. Onmiddellijk galmde het geluid van de hond door de gang. Vervolgens hoorde hij gekijf, het slot werd ontgrendeld en het gezicht van Hesbont verscheen. ‘Ja?’ vroeg hij.

‘Ik vroeg me af,’ begon Sam onzeker, ‘of ik het dak mag gebruiken? Ik zou er graag wat planten kweken.’

‘Planten kweken?’ herhaalde de man.

‘Om ons gebouw op te fleuren. Ik ben graag met planten in de weer en dacht dat ik daarvoor het dak kon gebruiken?’

‘Vraag dat maar aan de algemene vergadering,’ zei de conciërge. ‘De hulpdiensten hebben vrije toegang nodig en de verzekering doet altijd moeilijk. Trouwens, het gebouw wordt binnenkort geschilderd. Dat zal het zeker genoeg opfleuren.’

‘Maar,’ vroeg hij schuchter, ‘wat groen kan toch geen kwaad?’

‘Daar heb je een balkon voor,’ zei Hesbont.

Sam had niet anders verwacht, voelde zich toch teleurgesteld. Vele middagen bracht hij door in bed. Slechts af en toe wierp hij een blik naar buiten. Zijn plant deed het goed en op een dag merkte hij dat de scheuten ondersteuning nodig hadden.

Hij hing een houten rooster op. Aan het begin van de zomer reikten de ranken bijna tot hun bovenbuur. Steeds wanneer Sam naast zijn plant zat, stak deze vriendelijk zijn hand op. Andere bewoners, zoals de Indiërs, bleven dan weer in hun eigen wereldje. Ze ratelden hun onverstaanbare taaltje of waren te gehaast om hem op te merken. Dan was er nog het buurmeisje voor wie hij zich verlegen in zijn lectuur terugtrok. En natuurlijk keek Hesbont hem altijd even afkeurend aan, voordat hij zijn hond uitliet.

Soms ontmoette Sam de vriendelijk buurman op straat. ‘Je plant doet het goed,’ zei de man. ‘Het zal niet lang meer duren, of ze palmt ook mijn balkon in.’

Sam keek omhoog. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij. ‘Als u wilt snoei ik haar in!’

‘Nee, alsjeblieft niet,’ zei de buurman. ‘Dat hoeft niet! In mijn geboorteland groeide ook zo een plant tegen onze gevel, begrijp je. Met behulp van haar takken klom ik tot de eerste verdieping. Dat was handig als ik ongezien thuis wou komen.’

Sam knikte, reikte naar zijn pakje, bood de man een sigaret aan.

‘Neen, dank je,’ lachte zijn buurman. ‘Ik rook alleen waterpijp.’

‘Waterpijp?’ vroeg hij.

‘Dat moet je proberen!’ zei de man. ‘Kom gerust eens langs! Maar neem wel de trap, begrijp je, in plaats van langs je plant omhoog te klimmen.’

Een maand later bezocht hij Gökhan. De waterpijp werd met appeltabak gevuld, de kopjes met muntthee. Sam vertelde over de avontuurlijke rondreis die hij in Turkije had gemaakt. Gelukkig kwam zijn vader niet ter sprake. In plaats daarvan maakten ze zich vrolijk over toeristen die nooit een voet buiten hun hotel zetten. ‘Ze zijn zeker bang om in een hondendrol te trappen,’ lachte Sam.

Gökhan knikte. ‘Dat kan ik begrijpen,’ zei hij. ‘Zelf heb ik daar ook altijd problemen mee!’

Die zomer bleef Sam zijn sympathieke bovenbuur bezoeken. Ze hingen zelfs een tweede klimhulp op. Dat bood ruimte aan de plant voor het volgende jaar, want de herfst was nu in aantocht.

Sam koos als studierichting tuinarchitectuur, woonde de lessen met frisse moed bij. Vooral het vak over daktuinen en groene muren interesseerde hem. Terwijl hij door het handboek bladerde, ging zijn fantasie met hem op de loop. Hij maakte schetsen, zag niet alleen zijn plant, maar het volledige gebouw in gouden herfstkleuren baden.

In de winter vergezelde hij zijn moeder naar de algemene vergadering. Hij had een pleidooi geschreven. De conciërge en de syndicus wachtten de eigenaars op. Gökhan nam naast Sam plaats. ‘Verdomde honden,’ zei zijn buurman. Door de sneeuw had hij zich weer eens misstapt.

Het zaaltje vulde zich. De verfraaiing van hun gebouw was een van de onderwerpen. ‘We kregen enkele offertes voor het verven,’ zei de syndicus. ‘Volgende zomer kunnen we het werk aanvatten.’ De man schraapte zijn keel. ‘Gaat iedereen hier nog altijd mee akkoord?’

Sam stak zijn hand op, maar de conciërge was hem voor. ‘Als we de schilderwerken goedkeuren,’ zei Hesbont, ‘dan moeten de balkons vrij zijn. Droogrekken, versieringen en planten moeten dus tijdelijk weg.’

De aanval op zijn plant bracht hem van zijn stuk. ‘Kunnen we niet beter,’ stamelde hij, ‘het gebouw opfleuren met planten, zoals klimop?’

De conciërge lachte alsof dat een goeie grap was. ‘Een leuk idee,’ zei hij. ‘Maar in de praktijk zal het een rommeltje opleveren. Bovendien kan het onze muren beschadigen. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan de oplossing die nu op tafel ligt.’

De moed ontbrak hem om daar iets tegen in te brengen. Zijn pleidooi voorlezen was al even onmogelijk. ‘Mijn zoon,’ zei zijn moeder uiteindelijk, ‘is erg gesteld op de plant die op ons balkon groeit. Het is een voorbeeld van natuurlijke verfraaiing. Er gaat tenslotte niets boven wat groen in de stad.’

Sam knikte. ‘En ons gebouw is daar echt geschikt voor,’ zei hij. ‘We kunnen het door planten laten overgroeien. Dan moet het niet meer worden geschilderd.’

‘Praktisch levert dat een hoop problemen op,’ zei Hesbont. ‘Wie gaat dat allemaal snoeien en water geven? Als een kortstondige huurder het laat afweten, zal het er niet uitzien. En dan zwijg ik nog over de insecten, de slijtage en de mogelijke schade.’

‘Ik denk dat we hierover moeten stemmen,’ zei de syndicus. ‘Dan weten we meteen of het een haalbaar idee is.’

Slechts twee gemachtigden, zijn moeder en Gökhan, kozen voor zijn hangende tuin. ‘Dat is dan duidelijk,’ zei de syndicus. ‘Volgende zomer laten we ons gebouw verven.’

Sam voelde zich verslagen. Nog steeds woonde hij de lessen bij, maar van studentikoze activiteiten hield hij zich verre. Wel zag hij het buurmeisje steeds vaker naar hem terugkijken. Ze studeerden aan dezelfde school en soms zat hij met haar op de bus. Enkele keren lachte ze hem zelfs vriendelijk toe.

Het botten van zijn plant leek hem tevergeefs, toch sprak hij haar op een mooie lentedag aan. ‘Volgens mij heet je Lien,’ zei hij. Ze zaten naast elkaar op het bankje van de bushalte.

Lien lachte. ‘Dat weet je zeker van het naamplaatje aan onze bellen?’

‘Klopt,’ zei hij. ‘En jij weet blijkbaar dat we in hetzelfde gebouw wonen.’

‘Natuurlijk,’ zei ze, ‘ik ben een fan van je plant. Wist je trouwens dat het een bijzonder gebouw is?’

‘Je bedoelt grauw en mistroostig?’

‘Niet echt. Het mag er zo uitzien, maar dat was zeker niet de bedoeling van Jacques Walders. Ik heb een taak over hem geschreven. Ik studeer architectuur.’

‘Daarom dus dezelfde school,’ zei hij. ‘Ik wil tuinarchitect worden. Maar vertel alsjeblieft verder.’

‘Wel,’ zei ze, ‘Jacques Walders verzette zich hevig tegen het functionalisme. Als architect vond hij al die rationaliteit maar niets. Hij haalde zijn inspiratie liever uit de natuur. Romantisch brutalisme noemde hij dat. Ons gebouw bijvoorbeeld, of je het er in ziet of niet, is gebaseerd op een rotspartij.’

‘Ja,’ zei hij, op het moment dat hun bus kwam aanrijden, ‘een rotspartij herken ik er wel in.’

Hij vond een plaatsje achterin. ‘Daarom vind ik je plant ook zo leuk,’ zei Lien. Ze ging naast hem zitten. ‘Het is alsof die tegen een rotsgevel opklimt.’

Sam knikte, vertelde haar over zijn plan om het gebouw om te vormen tot een hangende tuin. Een ziggoerat van Babylon. Helaas moest hij erbij vertellen dat de eigenaars dit niet zagen zitten.

‘Niet opgeven,’ zei Lien. ‘Ik zal je helpen!’

‘Hoe dan?’ vroeg hij.

‘We zullen ze overhalen,’ zei ze. ‘We werken je plan uit tot in de kleinste details. Ik zorg voor het architectonische gedeelte en jij voor de plantkundige invulling. We hebben nog tijd om ze te overtuigen!’

Terwijl zijn plant steeds hoger klom, werkte hij met Lien aan het project. Ze informeerden zich bij hun leerkrachten, lazen boeken over daktuinen, overwogen de mogelijkheid van levende muren. Sam bestudeerde een automatisch irrigatiesysteem en Lien berekende de druk die het dak aankon. Zij maakte een simulatie van het gebouw en hij vulde die met virtuele planten. Hun bevindingen goten ze in een mooi met schetsen aangevuld plan.

Een officiële brief van de syndicus spoorde hen aan om voort te maken. Uiterlijk over een maand, aan het begin van de zomer, moest hij zijn plant verwijderen. Voor het eerst voelde Sam zich kwaad. Toch moedigde het resultaat van hun inspanning hem aan om door te zetten.

Hun eerste bezoek brachten ze aan Gökhan. ‘Wist je dat je plant vruchten draagt?’ vroeg hij.

Ze namen een kijkje op zijn balkon. Naast een camera bungelde een trosje druiven. ‘Wauw,’ zei Sam. ‘Het is geen wingerd, maar een druivelaar!’

‘Klopt,’ zei Gökhan. ‘Het zou echt zonde zijn moest je zo een mooie en nuttige plant verwijderen!’

Lien gebaarde naar de camera. ‘Maak je een natuurdocumentaire,’ vroeg ze, ‘over het rijpen van druiven?’

‘Neen, neen,’ lachte Gökhan. ‘Ik probeer de hond te betrappen, begrijp je?’

In de week die volgde, bezochten ze de andere eigenaars. Ze lieten de plannen zien, schetsten de historische relevantie van het project, toonden aan dat de prijs onder die van het verven bleef. Samen met Lien bezorgde hij de petitie aan de syndicus.

Enkele weken later belegde deze een uitzonderlijke vergadering. Twee genodigden gaven geen gehoor aan de oproep. De conciërge staarde hen onvriendelijk aan. Lien kneep in Sams hand, nam als eerste het woord.

Op haar hoogst enthousiaste manier vertelde ze over het leven en werk van Jacques Walders. Met veel inzicht besprak ze de architectuur van hun gebouw, met zijn breuklijnen en richels, zijn draagkracht en zijn trapsgewijze opbouw. Als laatste toonde ze een foto van een rotspartij. Deze was bijna volledig overgroeid met vegetatie.

‘In overeenstemming met de visie van de architect,’ nam Sam nu het woord, ‘stellen we voor ons gebouw te verfraaien met natuurlijke middelen.’ Hij praatte rustig en ontspannen, zoals zijn vader altijd had gedaan. ‘Zoals de rots op de foto onder de vegetatie schuilt, willen we ook de rots waarin we wonen met planten overgroeien.’ Lien projecteerde de simulatie waaraan ze zolang hadden gewerkt.

Sams blik gleed over het publiek. ‘Dit is het ontwerp.’ De toehoorders waren duidelijk onder de indruk. ‘We laten klimplanten langs de muren opklimmen. Ik denk aan wilde bosrank, klimop, Japanse kamperfoelie en wingerd. Slechts enkelen van hen hebben ondersteuning nodig. Van de daken laten we dwergmispel, braam en kardinaalsmuts naar beneden groeien. Daarvoor voorzien we grote, verankerde bakken met de juiste aarde. Van veel van deze planten zijn trouwens wintergroene cultivars beschikbaar.’

Lien overliep de kosten. De prijs bleef onder die van het schilderen. Bovendien zou het project voor een aanzienlijke meerwaarde van het flatgebouw zorgen. Hun gehoor reageerde met een instemmend gemompel.

‘Ons laatste puntje is het onderhoud,’ zei Sam. ‘Omdat we een automatisch bevloeiingssysteem voorzien, blijft dit beperkt tot jaarlijks snoeien. We stellen voor om een firma in te huren, of om een werkgroep op te richten en het zelf te doen. Ikzelf en Lien zijn in elk geval kandidaat om deze taak op ons te nemen.’

Tijdens de vragenronde bleef de conciërge opvallend stil. Gökhan stelde zich kandidaat om mee te helpen. Twee andere personen volgden hem. Complimentjes en aanvullende ideeën werden geuit. In deze goedkeurende sfeer leek de stemming een formaliteit. Alle aanwezigen gingen akkoord met hun plan, op Hesbont na, die zich onthield.

Thuis vulde zijn moeder de glazen met schuimwijn. Gökhan had een tros druiven bij. ‘Van de winkel,’ verklaarde hij. ‘Zodat de jouwe nog wat kunnen rijpen.’

Iedereen praatte over de overwinning. ‘Ik vraag me af,’ zei Sam, ‘waarom Hesbont zo weinig weerstand bood.’

Gökhan lachte. ‘Ik heb hem met zijn hondendrollen betrapt!’ Hij knipoogde. ‘Dat was voldoende om hem de mond te snoeren, begrijp je?’

Ze lachten allemaal mee. Even ging Sam voor een sigaret naar buiten. Naast hem ritselde de druivelaar in de avondbries. Als voorbode van hun hangende tuin rankte zijn plant hemelwaarts.



Jan  Van Dyck

janvandyck.be