De boodschap

De boodschap

De boodschap

De boodschap

Hij weet dat ze nu in het landhuis is zoals elke zondag. Sabina, 31, nimf van geboorte. Ze zal zitten voor het raam dat wijd gapend het laatzomerse zonlicht door de tuin naar binnen trekt. Hij kent dat beeld. Het spel van licht dat haar bleke gelaat bespat met latte macchiato tinten. Rosse krullen die vuur schieten ook zonder zonnebad. Smalle lippen die met de minuut voller lijken naarmate zij zich ontspant. Loslaat, zegt ze zelf.

Loslaten. Een taaie oefening ook op zijn eigen parcours. Van kleins af getriggerd door jongens, tegelijk betoverd door meisjes. Van populaire durver – ‘Ik kus ze allemaal’ – had hij zich langzaam naar een eenzamere status gepuberd. Toen hij op zijn twintigste afscheid nam als Chiro-leider had iemand achter op zijn groepsfoto schamper ‘Ballen of borsten, that’s the question’ geschreven. Hij heeft uit die tijd nog maar één echte vriend.  Serge, zielsgenoot, tot op vandaag.

Gisteren was hij nog niets van plan, tenminste niets concreets. Hij heeft, zoals altijd, tegen Sabina gesproken, in zichzelf. Steeds weer dezelfde vraag van hem, steeds een ander antwoord van haar, bedacht door hem. Spinsels, al weken lang. Hij heeft zijn Book of Toil herlezen. Zijn eerlijke zij het mistige monoloog over noch man, noch vrouw of juist allebei. Hij heeft andermaal de ontgoochelende discussie gevoerd met Serge, die de toekomst zo ontmoedigend open laat. Allemaal woorden.

Tot vanmorgen. Plots lijken er geen gedachten meer nodig. Iets stuwt hem door zijn ochtendroutine. Doen, niet denken. Voor de spiegel keurt hij zichzelf waardig. Smalle broek, openvallende blouse, smetteloos wit linnen, van top tot teen. Alleen de streepjes in zijn trendy espadrilles assorteren met de donkere band op zijn platte strohoed. Die zal hij straks pas opzetten.

Hij ontbijt niet, stapt in zijn auto en rijdt met open dak recht naar het landhuis. Langs de hoe vaak gereden landwegen, de vertrouwde route van de leugen. Geen innerlijk tweegesprek deze keer, hij kent zijn tekst.

Hij beeldt zich in dat zij haar zomerjurk-met-kersen zal dragen die haar zo beeldig staat. Hij die niet van kersen houdt. Hij die zich ontelbare keren heeft voorgesteld hoe Serge, intussen haar man, de kersen plukt. Hartstochtelijk. Telkens opnieuw heeft hij zich badend in het zweet uit die kwellende beelden losgerukt, licht aan, bed uit. Douchen tot je doorschijnend wordt. Het helpt niets. Vervloekt spel der goden. Vervloekte kronkels der natuur.

Voor de oprit zet hij de motor af en sluit de ogen. Nog even. In zijn handen de hoed, die hij ooit van haar kreeg. Na het bewuste weekend. Ze had van haar shopping in Londen voor Serge en hem dezelfde strohoed meegebracht. ‘Birds of a feather’ had ze gezegd, mysterieus lachend. Serge en hij waren datzelfde weekend doorgezakt in Amsterdam, op diverse manieren. Het begin van een heel ander verhaal. Ze hadden de hoeden onwennig aangenomen en er hun verhitte kop onder verborgen. Hij slikt, schraapt moed in zijn keel. ‘Nu dan’, zegt hij luider dan hij bedoelt, zet de hoed op en loopt het tuinpad af. Netjes volgens zijn script.

‘Hoe lang weet je het al?’, vraagt hij. Imposante pose.

Ze schrikt niet, opent langzaam de ogen. Ze priemt haar blik in de zijne, die boller staat van schuld en twijfel dan hem lief is. Ze peilt naar lef.  Ze vindt er geen. Would-be-acteur. Dan grimlacht ze en staat op. ‘Lang voor jou’, zegt ze, alsof de woorden klaar zaten.

Hij kijkt weg, ziet alleen maar kersen. Ze zet zich als een amazone op de tafel. Heel even verglijdt het beeld en ziet hij Serge, uitdagend in diezelfde houding, op precies diezelfde plek. Hij knippert het weg, blijft verward staan. Zo is het gesprek in zijn hoofd nooit begonnen.

‘Hij heeft een boodschap achtergelaten. Een voor jou en een voor mij’, hoort hij haar zeggen. Is ze echt zo sterk of speelt ze het? Hij voelt hoe ze een kleine enveloppe ruw tegen zijn blote borst drukt. Het ding duikelt zijn blouse in, zijn broeksriem houdt het tegen.

‘Hoe bedoel je?’, stamelt hij en betast door het textiel heen de omslag.

‘Hij was bijzonder kort en duidelijk’, zegt ze langzaam, zelfzeker. ‘Hij wist dat je zou komen. Hij wou je niet zien, dat zei hij letterlijk.’ Ze grijnst. ‘Ik ken jouw zielige verhaal al van in het begin, Serge heeft het nooit voor me verzwegen. We hebben er vaak samen grapjes over gemaakt.’ Ze wacht, een slang die toekijkt hoe het gif haar prooi binnendringt. ‘Ik liet de hypocriet zijn masker: het maakte hem overmoedig en blind voor het groteske van zijn eigen zieke geest. Oh ja, ik had hem door. En ja, het vrat aan me, in het begin. Maar ik zweeg. Ik sterkte me mentaal en nam me voor te wachten. Tot hij zou kraken.’

Hij breekt, verstijft. Zij komt uitdagend voor hem staan, legt wellust in haar stem: ‘Ik bespeelde met gemak zijn toenemende onrust. Mijn uur zou komen: ik telde af tot hij zou vluchten, voor mij, voor jou, voor zichzelf.’

Ze slikt en zwijgt, dan staart ze naar de strohoed op zijn hoofd. ‘Wat hij voorts nog tegen mij zei, wil ik niet kwijt. Allerminst aan jou. Jou moest ik enkel wijzen op het label met wapenschild in je strohoed.’ Die kogel treft. Hij weet wat daar staat:  Dieu et mon droit. Honi soit qui mal y pense. De woorden spatten in zijn maag uit elkaar. Het is toch niet denkbaar dat Serge hun meest gekoesterde uitspraak nu tegen hem uitspeelt. Hij sterft nagenoeg ter plekke. Zij ziet het en geeft de genadeslag: ‘Oh ja, en dat het vooral geen zin had om achter hem aan te gaan.’

Verdoofd volgt hij de zigzagtekening van de antieke parketvloer, naar buiten. De zon steekt, verblindt zijn wezenloze zelf. Hij kokhalst, walgt. En toch kan hij het niet geloven.

Die vrouw liegt. Wraakgodin. Waarom zou hij haar vertrouwen. Hij voelt de enveloppe, scheurt tegelijk stof en papier en leest: Hell Yeah THE BEST IS YET TO COME.  Zijn adem stokt, hij duizelt. Hij leest het nogmaals. Zijn lijf ontvlamt: hij weet waar hij en Serge ooit die woorden in een boom hebben gegrift. Jezus. Serge. Judas. Hij start de auto. Boven schreeuwt de zon het uit. Mijn God, eindelijk!