Paradox

Paradox

Paradox

De glazen deuren glijden achter mij dicht. De geur van ontsmetting nog dwalend in mijn neus. De steriele lucht niets meer dan een herinnering. Een bittere herinnering. Die een vieze smaak achterlaat op mijn tong. Of is dat een bijwerking van de medicatie? Ik heb geen flauw idee. En het kan me niet schelen ook. Ik ben niet van plan de laatste momenten van mijn leven piekerend door te brengen. Ik ga zitten. Voorzichtig. Vlak voor het ziekenhuis. De weg naar de bankjes zal me te zwaar vallen. Ik voel de zuurstof nu al afnemen. Een opluchting. En tegelijk zo’n zwaar gevoel. Alle mensen die ik achterlaat. Alle dingen die ik nooit zal doen. Ik leun met mijn hoofd tegen de stenen. En probeer aan iets anders te denken. Iets mooiers. Mijn lievelingswaterval. Of de klank van een viool. Herinneringen aan mijn vrienden zijn te pijnlijk. Aan mijn familie durf ik niet te denken. Tranen wellen op. Achter mijn oogleden. Ik stel me hun tranen voor. Surreëel. Niemand huilt nog voor de zieken. In een wereld waarin elke ziekte genezen kan worden. Elke ziekte. Behalve de mijne.

 

Het is al enkele dagen geleden. Denk ik. Tussen de witte muren ben ik mijn tijdsgevoel verloren. Ik kwam hier. Niet eens voor iets bijzonders. Dementie. Een routinebehandeling. Talloze malen eerder uitgevoerd. Eindeloos veel levens mee gered. Ze namen me uiterst vriendelijk op. Verwelkomden me zelfs. En verzekerden me dat ik de volgende dag weer thuis zou zijn. Ik glimlachte terug. Vertrouwend op hun zelfzekerheid. En op hun medische kennis. Zelfs op de wetenschap in het algemeen. Ik zou weer beter worden. Me mijn dierbaren weer herinneren. Ik zou opnieuw plannen kunnen maken. Dromen voor de toekomst. Ik kon de gesuikerde taart op mijn lippen proeven. Zoet als de zonde. Die ik mezelf vergaf. Ik zou genezen en dat zou ik vieren.

De dokter kwam. Een minuscule injectiespuit in zijn hand. Ik legde een hand op mijn borstkas. Mijn hart ontregelde. Begon sneller te kloppen. Te bonzen. Bijna uit mijn vel te springen. Geluk. Vreugde. Opwinding. Maar op de achtergrond iets anders. Sudderend. Wachtend om vrijgelaten te worden. Die beklemming. Die rusteloosheid. Kon dat angst zijn? Nog nooit in mijn leven had ik zoiets gevoeld. En ik zal ook nooit meer zoiets voelen. Berusting kwam wanhopig snel in de plaats. Berusting droogt mijn tranen nu.

Hij glimlachte. Zijn lippen vormden woorden. Onverstaanbaar. Onbegrijpelijk. Hij zou me een injectie geven. Dat deel was duidelijk. Maar wat zei hij nog meer? Iets over een virus? Misschien. In de injectiespuit. Dat virus zou me genezen. Vijftig jaar geleden zou dat als onzin geklonken hebben. Vijftig jaar geleden had ik die dokter gek verklaard. Maar de technologie was veranderd, zei hij. Virussen slaagden nu waar mensen faalden. Zij waren in staat elke aandoening te genezen. Het zou zich nestelen in mijn DNA. Daar enkele genen veranderen. Mutatie. Was het woord dat hij gebruikte. Geloof ik. Mutatie. Ik zou een mutant worden. Zoals zovelen al voor mij. En wat maakte het ook uit? Zolang ik mijn geheugen maar terugkreeg.

Geen risico’s. Die woorden zijn me bijgebleven. ‘Er zijn hieraan geen risico’s verbonden.’ Letterlijk de woorden die hij sprak. Luttele seconden voor hij mijn doodsvonnis heeft getekend.

 

Ik herinner me hoe ik wakker werd. Beklemd. De angst? Was die onmerkbaar teruggeslopen? Had die zich samen met het virus in mijn lichaam genesteld? En waarom voelde iedere ademteug aan alsof ik ging sterven?

Ik weet niet hoelang ik daar lag te piekeren. Mijn gevoel voor tijd was toen al gedood. En de rest van mijn lichaam zou snel volgen. De dokter kwam binnen. Zijn glimlach verruild voor een ernstige blik. Zijn onheilspellende woorden in mijn richting fluisterend. Zonder me zelfs maar aan te kijken. Alsof hij het zelf amper kon geloven. ‘Er is een fout gebeurd.’

Pure paniek greep rond mijn bonzende hart. Trachtend het door mijn ribbenkas te trekken. Uit mijn huid te scheuren. En voor de voeten van de arts te gooien. Samen met mijn hoop. En mijn onwankelbare geloof in de wetenschap.

‘Het virus heeft gewerkt. Je dementie is genezen. Beetje voor beetje zullen je herinneringen terugkeren. Maar…’ Ik wilde uit bed springen. Hem de mond snoeren. Op wat voor manier dan ook. Welke fout er ook gemaakt was, ik had mijn herinneringen terug. De mensen die mij dierbaar waren. Lachend en knuffelend en kussend. Allemaal samen in mijn hoofd. Er was geen plaats meer voor zijn woorden. Geen plaats voor het onheil dat hij kwam melden. Maar hij luisterde niet naar mij. Misschien omdat ik de kracht niet had uit bed te springen. Misschien omdat hij helemaal geen kracht meer over had.

‘Het virus was van het type dat we altijd gebruiken. Er moet een fout in geslopen zijn. Dat zou nooit gebeurd mogen zijn. Natuurlijk niet.’ Maar het is toch gebeurd. ‘Toch heeft het een mutatie veroorzaakt. Een extra mutatie. Afgezien van degene die de dementie genezen heeft.’ Hij vertelde me waar de mutatie zich precies situeerde. In een cel. In een bepaald deel van een cel. Misschien dat ik de naam zou herkennen als ik hem hoorde. Maar het was ver buiten mijn wetenschappelijke kennis. ‘De mutatie heeft ervoor gezorgd dat je niet meer kan ademhalen. Nee, je kan wél ademhalen. Alleen… wanneer je ademhaalt, krijgt je lichaam zuurstof.’ Hoe dom dacht hij dat ik was? ‘En die zuurstof is, zonder in te gaan op de details, giftig.’ Misschien was er wel een fout met hem gebeurd. Misschien was híj wel gek. ‘En de meeste mensen zijn in staat om dat gif om te zetten. Zodat ze er niet aan sterven. Net zoals jij hiervoor kon. Maar het mechanisme dat daartoe in staat is, is bij jou defect. En we weten nog niet welke genen daarvoor verantwoordelijk zijn. We hebben geen geneesmiddel. Het enige dat we kunnen doen is het proces vertragen.’ De technische uitleg ging in een waas aan mij voorbij. Ik ging sterven. Ík ging sterven. Nu.

Hij moet beseft hebben dat ik niet meer luisterde. Dat zijn woorden nog meer kwaad deden dan al was aangericht. Dus zijn lippen knepen gespannen samen. Stilte. Vulde de afwachtende ruimte. Stilte vulde zijn oren. Duwde zijn lippen uiteen. En veroorzaakte een drang om de stilte op te vullen. ‘Zoals ik dus zei, we kunnen het proces wel vertragen. Maar slechts met enkele dagen, waarschijnlijk.’ Als er nog hoop in mijn hart had geschuild, was die nu verraderlijk tegen zijn woorden te pletter gestort. ‘Zuurstof is dodelijk vergif voor jou. En de enige manier om te overleven is door te stoppen met ademhalen.’

 

Zijn laatste woorden echoën door mijn hoofd. Ze botsen tegen gedachten. Tuimelen over herinneringen. De enige manier om te overleven is door te stoppen met ademhalen. Dus dat doe ik. Tenminste, dat probeer ik. Ik adem diep in. Zo diep als ik kan. En laat de kostbare lucht zo langzaam mogelijk ontsnappen. Maar wat heeft het voor zin? Hoe kan ik op deze manier ooit overleven? Nu mijn hersenen voelen dat hun kostbare zuurstof ontnomen wordt. Een diepe teug lucht dringt mijn longen binnen. Maar mijn vingers, die reiken naar dierbare herinneringen, blijven ijzingwekkend blauw.