Ballingschap

Ballingschap

Ballingschap

‘Jessica Bridgewater, geboren op 5 april 2027, wordt vandaag, 22 februari 2050, schuldig bevonden aan inbraak in het computersysteem van de overheid. Hiervoor wordt zij veroordeeld tot verbanning naar het jaar 2200.’

Gedachten suizen in mijn oren. Jessica Bridgewater. Ben ik dat echt? Topmedewerkster bij de NSA. Verantwoordelijk voor het observeren van nagenoeg elke persoon op deze overbevolkte aarde. Spionage vanop afstand. Ik wist dat ook ik in de gaten gehouden werd. Niemand kent beter de gevaren van hacking. Maar ik dacht dat ik hun systeem kon misleiden. Tijdelijk. Ik dacht dat ik een kans maakte. Een kans om erachter te komen wat er met Maggie, mijn overenthousiaste buurvrouw, is gebeurd. En of ze gelijk had. Met haar complottheorieën over criminelen die niet langer opgesloten werden. Gevangenissen die sloten wegens de crisis. En waarom vormde de overbevolking plots geen levensbedreigend probleem meer? Ze vermoedde dat er iets gruwelijk mis was. Ik wéét nu dat er iets gruwelijk mis is.

Het koele metaal op mijn arm is de zoveelste bevestiging. Een scherpe prik. Dan een vreemd gevoel. Te veel druk op mijn huid. Te veel druk op mijn bloed. Zomaar aan de kant geschoven. Als een waardeloos stuk afval. Door een stuk koel metaal. Een stuk kil metaal. Gemaakt om te doden. Alleen niet hier. In een andere wereld. In een andere periode. Zodat anderen de schuld van mijn lot dragen. Maar niet heus. Zíj blijven de uitvinders. De uitvoerders van dit plan. Zo bombastisch. Zo wreed. Volledig afhankelijk van één voorwerp. Nu nog amper detecteerbaar. Een microchip.

 

De rechter vervaagt. Versmelt met de jury. Geen enkel gezicht is nog vrij. Allen gevangen in een web van gedachten. Een web van herinneringen. Waarvan sommige al zijn gebeurd. En andere nog te gebeuren staan. Als het al mijn herinneringen zijn. Ze tollen steeds sneller om me heen. Als een hypermoderne tijdreiscapsule. Die hen steeds verder van me wegduwt.

Ze vervagen. Ze verdwijnen. Stuk voor stuk. Één voor één. De rechter. Mijn moeder. De mensen die ik wel eens tegenkwam op straat. Zij verdwijnt. Maggie. Ze neemt hen mee. De herinneringen. Even snel als ze gekomen zijn. Ze toont me wat de toekomst te bieden heeft. Zíj toont me waarvoor ik moet blijven vechten.

 

Getoeter. Doorbreekt het niet aflatende geruis. De stroom van auto’s rechts. De stroom van auto’s links. Opnieuw getoeter. Lichtvlekken voor mijn ogen. Veel te fel. Ik knijp mijn ogen toe. Vertrouw op mijn andere zintuigen. Te veel geluid. Te veel lawaai. Een drukkend gevoel. Een chemische geur. Oververhit asfalt. Smeltend onder de remmende bandensporen.

Plots. Een ruk aan mijn arm. Krachtig. Dan een arm om mijn schouders. Die me voortduwt. Sneller. Tot ik ren. Tot we rennen. Wanneer ik mijn ogen weer open. En een man naast me zie. En auto’s achter ons. Veel auto’s. Een snelweg. Met in de berm een kruisje. Sommige dingen veranderen nooit.

Hij gebaart naar een bankje even verderop. En kijkt niet eens zo verbaasd. Alsof hij elke dag vrouwen op de snelweg redt. En misschien is dat ook wel zo. Als iedereen op deze zelfde plek belandt. ‘Bedankt. Bedankt bedankt bedankt. Ik weet niet wat er gebeurde. Ik weet niet wat er zonder u gebeurd zou zijn.’ Dat is een leugen. Ik weet het. Hij weet het waarschijnlijk ook. Of ben ik de enige die terugdenkt aan het kruis?

Zijn ogen staren donker vanonder zijn forse wenkbrauwen. Onderzoekend. Maar de rimpels rond zijn wimpers maken alles goed. Een hint van vriendelijkheid. Weerspiegeld in zijn blinkende tanden. Die niet verhuld worden door zijn glimlach. ‘Geen probleem. Je bent lang de eerste niet hoor. Ik weet niet waar jullie vandaan komen of waarom jullie naar hier komen, maar ik ben gestopt ernaar te vragen. Ik doe wat ik kan om te helpen en ik hoop dat dat genoeg is. Oh trouwens, ik heet David.’ Zijn hand bengelt uitnodigend voor mijn lichaam. Ik grijp hem. Iets te stevig vast. Ik wil niet dat hij me loslaat. Niet in deze vreemde wereld. Deze vreemde periode. Ik heb hem nodig. ‘Jessica’, zeg ik. En ik hoop dat het genoeg is.

 

***

 

Mijn ogen prikken. Zelfs bij het zwakke schijnsel van de bureaulamp. De nacht rust zwaar op mijn oogleden. Op mijn armen. Die bij elke nieuwe beweging trager handelen. Maar ze mogen niet stilvallen. Nog niet. Ik ben bijna klaar. Bijna. Nog even concentreren.

David zou trots zijn. Nee. Hij ís trots. Trots dat ik zo snel van hem heb geleerd. Hij is een genie met technologie. Hoewel, voor hem is het niets bijzonders. Hij is gewoon één van de vele medewerkers van een IT-bedrijf. Een in 2050 onbestaand IT-bedrijf. Dat gebruikmaakt van in 2050 nog onbekende technologie. Technologie die hij mij geduldig heeft leren beheersen. Met veel precisie. En speciale aandacht voor chips. Microchips. Zoals diegene die ik nu tussen mijn vingers houd. Voorzichtig. Om het fragiele object niet onnodig te kwetsen. Het heeft al genoeg geleden. Nauwkeurigheid is niet bepaald mijn sterkste kant. Niet als ik met een pincet in mijn trillende linkerhand de chip uit mijn rechterhand moet pulken. Onder plaatselijke verdoving.

 

Mijn mondhoeken krullen triomfantelijk naar boven. Gelukt. Enkele draadjes veranderd. De verbinding omgekeerd. Eigenlijk was het niet zó moeilijk. Niet met de hulp van David. Zonder hem zou ik niet zo ver zijn geraakt. Zonder hem zou de kans dat ik überhaupt nog leefde drastisch zijn verkleind. Daarom haat ik mezelf. Ik haat mezelf voor wat ik nu ga doen. Voor wat ik nu moet doen. Ik zal hem nooit kunnen uitleggen waarom. Hij verdient een verontschuldiging. Een bedankje. En zo veel meer. Meer dan ik hem geven kan. Ik kan alleen maar hopen dat hij het zal begrijpen. Ooit.

Gedachten worden uit mijn lippen geperst. Mijn adem voelt verbazend koel op mijn arm. Ik huiver. Maak voorzichtig het verband los. Bloed doordrenkt mijn huid. Doordrenkt mijn vingers die de huid verder open trekken. Voorzichtig. Zo voorzichtig als mogelijk is. Ik vind een plaatsje. Laat het koele metaal tussen mijn vingers glijden. Een laatste duwtje. Een laatste huivering.

 

Mijn lichaam begint zich te resetten. Herinneringen wervelen om me heen. Achterstevoren deze keer. Ik begin te wennen aan de situatie. Mijn gedachten blijven helderder. Zich meer bewust van wat er momenteel gebeurt. En van wat er nog te gebeuren staat. Ik ga terug. Terug naar 2050. Mijn periode. De periode waarin alles is misgelopen.

Ik zal uitzoeken wie hier verantwoordelijk voor is. Zijn naam. Zijn adres. Alles wat er over hem te weten valt. Of over haar. Er is nog zoveel mogelijk. De laatste keer had ik niet eens de tijd om een naam te lezen. Dit keer wordt het anders. Mijn periode is slechts een tussenstation. Daarna ga ik terug. Verder terug in de tijd. Zo ver als nodig is. Twintig jaar. Vijftig misschien. Zo ver als nodig is om één kind te doden. Één onschuldige baby. Die in 2050 heel wat minder onschuldig zal blijken. Zo ver als nodig is om de toekomst te veranderen. Zodat de toekomst behouden blijft.