Aan scherven

Aan scherven

Aan scherven

Ik knipper. Nog eens. Tegen de flits zonlicht die opflakkert. Weerkaatsend van het glas. Het kleine spiegeltje in mijn hand. Ik knijp mijn ogen dicht. In een poging toch iets te zien. Tegenlicht. Is de grootste moeilijkheid van mijn werk. Ik verplaats me een beetje. Ga lichtjes schuin lopen. Om rechtstreeks contact met de zon te vermijden. Ik zie nog net mijn voorhoofd. Blank. In opperste concentratie gefronst. Zweetdruppeltjes parelen in de groeven. Lopen naar achter. Mijn donkerbruine haren in.

Ik houd het spiegeltje hoger. Een rij mensen schuifelt voort over het oneffen trottoir. Elk in hun eigen, gehaaste tempo. Een brunette met amandelvormige ogen wandelt mijn gezichtsveld uit. Ze maakt plaats voor een slungelige tiener met een arrogante uitstraling. Mijn blik blijft slechts een halve tel rusten op hem. Hij glijdt over grijze haren en blonde lokken. Daalt bij kleinere mensen. Om enkele mensen later weer te stijgen. Vruchteloos.

Een gigantische hand grijpt rond mijn hart. Zijn hand. Mijn opdrachtgever. Ik ken zijn naam niet. Heb geen idee waar hij woont. Of wat zijn motief is. Enkel zijn huidige verblijfplaats is aan mij bekend. En wat hij met me zal doen als ik faal. Mijn hart uit mijn stuiptrekkende lichaam rukken. Ik voel hoe het steeds harder bonst. Tegen de deur die mijn ribbenkas vormt. Wanhopig smekend. Verlangend naar vrijheid. Hij zal mijn keel openrijten. Die zich nu al voorbereidt. Op hoe het is te sterven. Gewenning aan de pijn. Treedt momenteel nog niet op. Langzaam knijpt ze dicht. Mijn stem smorend. Mijn dorst aanwakkerend. Mijn onstilbare dorst naar geld. Mijn onverzadigbare, verzengende dorst naar bloed.

 

Daar. Hij is het. De man van middelbare leeftijd. Onverschillig gekleed. Zich een weg banend tussen de strompelende massa. Tegenliggers ontwijkend. Zijn donkere haar kort. Bijna kaalgeschoren. Zijn ogen helder. Alert. Onder zijn lichtjes gekromde rug. Alsof hij onder een voortdurende last gebukt gaat. Die rug. Die houding. Hij is het. Nick Martinez. Ik ben er zeker van. Hoewel ik de laatste dagen enkel zijn achterkant heb gezien. Als een schaduw voortsluipend in zijn schaduw. Ben ik elke minuut zijn gangen nagegaan. Ik heb zijn gewoontes geleerd. Zelfs aangenomen. Ik eet wanneer hij eet. Bestel pizza bij dezelfde pizzeria die de zijne levert. Een uur nadat hij naar bed is gegaan, ga ik slapen. Ik sta een uur vroeger op dan hij de dag ervoor deed. Om hem niet te missen. En als hij zijn huis verlaat, verlaat ik mijn schuilplaats. Zoals elke weekdag. Op weg naar zijn kantoorleventje van dertien in een dozijn. Geen ongeregeldheden. Niets dat wijst op een tweede, schimmiger leven. Ik heb geen flauw idee wat hij misdaan heeft. En eigenlijk kan het me niet schelen ook. Zolang ik mijn geld maar krijg.

 

Met gestadige pas tracht hij zijn lot te ontlopen. Tenminste, zo lijkt het. Hij weet natuurlijk niets van zijn naderende lot. Zijn nakend einde. En zo gestadig is zijn pas nu ook weer niet. Hoelang is het geleden dat ik hem voorbijgestoken ben? Hooguit tien minuutjes. En in die tijd heeft hij toch een aanzienlijke achterstand opgelopen. Ik zet mijn voeten dichter bij elkaar. Elke pas beduidend verkleinend. De menigte achter me vormt remsporen. Niets kan ik aan het lot overlaten. Opnieuw versnellen mijn stappen. Maar meer ontspannen. Minder doelbewust. Mijn handen ballen zich tot vuisten. Meer druk uitoefenend. Op de kans die ik vandaag gegrepen heb. Ik laat haar niet uit mijn handen glippen.

Vandaag is het zaterdag. Hij stond op hetzelfde uur op als in de week. En verliet op hetzelfde uur zijn appartement. Maar de garage bleef vandaag gesloten. In plaats daarvan vertrok hij te voet. Waarschijnlijk om wat boodschappen te doen. Mijn kans om in actie te schieten. Ik ben hem gevolgd. Naar de drukke winkelstraat. En ben hem na een kwartiertje doelbewust voorbij gestapt. Zonder acht op hem te slaan. Zodat de argwaan in zijn binnenste bleef slapen. Snurken zelfs. Ik zie zijn nonchalante blik. Rondzwervend over de menigte. Nooit langer dan een seconde rustend. En toch is er zo weinig dat hij werkelijk ziet.

Dit is mijn moment.

 

Ik tuur ingespannen naar het spiegeltje. Helemaal in beslag genomen door mijn uiterlijk. Of toch die indruk wekkend. Zelfs Nick houd ik nu niet langer in de gaten. Ik weet dat zijn doelbewuste stap dichter bij komt. Weet dat ik nog enkele minuten tijd heb. Tijd genoeg om mijn opties te verkennen. Om te bedenken hoe ik het zal doen. Welke manier best bij hem past. Alvorens hij me dicht genoeg genaderd is.

Ik onderdruk mijn glimlach. Pepperspray kan ik niet gebruiken nu. Dat trekt te veel aandacht. Onnodige aandacht. En het is toch niet effectief genoeg. Nee, dan is gifgas beter. Ik reik met mijn hand naar mijn neus. Het topje van mijn wijsvinger klaar om onbestaande jeuk te verhinderen. Boven mijn neusbrug komt mijn nagel tot stilstand. Enkele millimeters zwevend boven mijn huid. Te veel slachtoffers kunnen vallen. Slachtoffers die niet de mijne zijn om te maken. Althans, niet vandaag. Dan toch een kogel. Minuscuul. Maar gemaakt van ijzersterk metaal. Versmelting van withete wraak en kille vastberadenheid. Echter nog voor mijn hand mijn haar bereikt. Klaar om weerbarstige haartjes te kalmeren. Verstoort mijn hartslag de keuze. Wispelturig. Opgewonden. Om mijn nieuwste aanwinst te proberen. ‘Succes gegarandeerd.’ De woorden van de technicus weerkaatsen in mijn hoofd. Zoals zijn naderende silhouet in mijn handspiegel. Er is geen tijd meer om te twijfelen. Nu. Of nooit. Ik knipoog. En weerhoud mijn lichaam ervan om in elkaar te duiken. De glassplinter wordt hoog genoeg afgeschoten. Net zoals de kogels, verzekerde diezelfde technicus me.

Een flits zonlicht. Die zich razendsnel voortbeweegt. Sneller dan het licht. Sneller dan mijn ogen volgen kunnen. Dan dringt het glas zijn hoofd binnen. Tussen zijn ogen. Iets meer naar boven. Regelrecht zijn hersenen in. Zijn spiegelbeeld struikelt. Tuimelt om. Mijn gedachten snellen voort. Terwijl ik mijn pas in toom tracht te houden. Kalm. Beheerst. Om geen ongewenste aandacht te trekken. Geen argwaan te wekken. Bij de mensen die nu toesnellen.

 

Mijn hart dartelt rond. Huppelt trots. En opgelucht. Het heeft gewerkt. Glassplinter in de hersenen blijkt een effectieve doodsoorzaak. Afwisseling een effectieve methode van moorden. Zo veel keuze. Zo veel vrijheid. En zo veel minder kans om aan zijn dood gelinkt te worden. Laat staan om alle moorden aan elkaar te linken. Ik knijp mijn lippen opeen. Stijf. Zoals zijn spiegelbeeld op de grond. Kil. Zijn starre ogen opgeslagen. Blind voor zijn moordenaar. Blind voor mij.

 

Ik berg het spiegeltje op. Onverschillig in mijn handtas. Alsof het een heel normaal spiegeltje is. Van een heel normale vrouw. Eindelijk laat ik de glimlach om mijn lippen spelen. Het enige sieraad dat ik ooit draag. Het maakt me zekerder. Zelfbewuster. Terwijl elke stap me verder van hem verwijdert.

Ik kijk nog één keer achterom. Zijn lichaam grotendeels verscholen. Achter de massa zogenaamd bezorgde mensen. Hij is nog slechts een afspiegeling van zichzelf. De ramptoeristen trappen ook die afspiegeling kapot. Tot elk restje waardigheid breekt. Ik heb hem daarnet gedood. Nu ligt zijn leven aan scherven.