De transformator

De transformator

De transformator

Een hoge klank. Schel. Bijna ultrasoon. De glazen panelen glijden uiteen. Om plaats te maken voor een oudere man. Zowat mijn leeftijd. Grijze haren klampen zich wanhopig aan zijn schedel vast. In een vergeefse poging zijn hoofdhuid te bedekken. Op zijn buitenproportionele neus wankelt een ijzeren montuur. Door de flinterdunne glazen staren zijn ogen me doordringend aan. Diepe bruine ogen. Ik heb deze ogen eerder gezien. Alleen waren ze toen niet bruin. Eerder groen. En daarvoor grijs. Als ik het me goed herinner. Hij is hier al zo vaak geweest. Maar zijn blik is steeds dezelfde. Onderzoekend. Alsof hij meer weet. Meer dan ik ooit in mijn leven zal weten. Misschien is dat ook wel zo. Wat bepaalde onderwerpen betreft. Maar virussen, nee dat is toch míjn specialiteit. Ik ben niet voor niets viroloog. Hoewel hij er natuurlijk ook wel mee te maken zal krijgen. Hij geeft zich immers uit voor huisarts. Robert Burke. Zo noemt hij zich vandaag. Denk ik. Vorige herfst was het Joseph Parker. Daarvoor Richard en nog wat. Hij is een trouwe klant. Gewoonlijk wandelt hij eerst langzaam rond. Benieuwd naar wat ik nu weer in de aanbieding heb. Alvorens te beslissen welke transformatie hij wil ondergaan.

Vandaag niet. Stil blijft hij midden in mijn laboratorium staan. Kil. Omgeven door de wanden vol injectiespuiten. Zijn ogen ondoordringbaar. Gefocust op de steriele tafels achter mij. Waar ik mijn injectiespuiten prepareer. En waar ik de transformaties inspuit. Iedere keer weer vraagt hij immers hetzelfde: ‘Kan ik de spuit niet meenemen? Ik weet heus wel hoe ik een injectie moet geven.’ Iedere keer weer moet ik herhalen dat ik dat niet kan toelaten. Iedereen zou immers een spion kunnen zijn. Mijn creaties als bewijs gebruiken. Beweren dat mijn laboratorium meer is dan een labo. Een winkel zelfs. Een unieke winkel. Dé winkel waar criminelen naartoe komen. Om de ultieme vermomming te vinden. Een subtiel verschil. Blauwe ogen. Blond haar. Een donkere huidskleur. De neus iets groter. Sommigen gaan zelfs voor mijn meesterwerk. Veranderen van geslacht. Of een combinatie van eigenschappen. Elke wens is mogelijk.

Hij lijkt geen wens te hebben vandaag. Zijn ogen nog steeds onbeweeglijk. Starend. Naar mij. Is dat woede in zijn blik? Mijn mond valt open. Hoe kan het dat ik dit nu pas opmerk? Een spierwitte jas hangt om zijn schouders. Hij is hier niet als klant vandaag. Maar als dokter. Dat is een risico dat hij nooit zou nemen. Tenzij… Er is iets mis. Ik heb een fout gemaakt.

 

‘Waarmee kan ik u helpen vandaag?’ Ik moet hem te vriend houden. Of dat op zijn minst proberen. Hij is immers één van mijn beste klanten. Maar zijn ogen lijken niet mee te willen werken. Vol ingehouden woede. Zijn lippen. Beheerst op elkaar geperst. Te smal. Te wit. Ijzig kalm. Beheerste woede is de ergste. Je weet niet wat je kunt verwachten.

Hij spreekt stil. Bijna op fluistertoon. ‘Eén van mijn patiënten kwam ongeveer een week geleden langs. Ze klaagde over koorts, koude rillingen, spierpijn… Je kent de symptomen. Griep. Niets ernstigs dus. Maar ze voelde zich te slecht om te gaan werken. Terwijl ze het geld echt hard nodig had. Dus ik schreef haar pijnstillers voor. Vanochtend kwam ze echter opnieuw langs. Dit keer met ernstige psychologische klachten. Zo ernstig dat ik een psychose vermoedde, dus…’

‘Heb jij geen beroepsgeheim?’

‘Mijn beroepsgeheim doet er momenteel niet toe. Je hebt een fout gemaakt. Eén die je je carrière wel eens zou kunnen kosten. Je bent me wel een uitleg verschuldigd nu.’

Zijn bruine ogen staren me allesbehalve warm aan. Een kil gevoel sluipt over mijn nek. Ijspegels groeien uit mijn ruggengraat. ‘Dat is niet mogelijk.’ De woorden komen er stiller uit dan ik verwachtte. Onzekerder. Ik kan geen fout gemaakt hebben. Niet na mijn jarenlange ervaring. Niet na de reputatie die ik heb opgebouwd. De talloze klanten die ik getransformeerd heb. En toch. Ik werk nog steeds met virussen. Griepvirussen. Omdat die nu eenmaal gemakkelijk te verkrijgen zijn. Het blijven wel DNA-mutaties. Nieuwe genen die via het virus in de mens worden ingeplant. Om zo uiterlijke veranderingen teweeg te brengen. Het menselijk DNA is echter zo complex. Zelfs na meer dan zestig jaar wachten er nog genen om geïdentificeerd te worden. Wat als ik meer genen veranderd heb dan mijn intentie was? Wat als ik wel degelijk een psychose heb veroorzaakt?

Maar mentale klachten zijn zo heerlijk subjectief. Dat is mijn enige uitvlucht. De enige uitweg die ik kan bewandelen. Als ik de rest van mijn dagen niet geïsoleerd wil doorbrengen. In mijn eigen huis. Dat mijn huis niet meer zal zijn. Maar een afstandelijke plek. Van elke emotie gespeend. Met robots voor mijn deur. En robots in mijn kamers. Die al mijn gangen nagaan. En me de dingen brengen die ik nodig heb. Maar altijd net te weinig. Zodat een voortdurende honger mijn dagen teistert. Een voortdurende dorst het spreken pijnlijk maakt. Er zou überhaupt niemand zijn om mee te spreken. Dus ik moet nú spreken. Ik kan me hieruit praten. Ik móet me hieruit praten.

‘Waarom verdenk je mij?’ ‘Haar lippen waren voller geworden. Haar kin was prominenter aanwezig in haar gezicht. Haar ogen lichtjes donkerder van kleur. Ze had mij de week ervoor met griepklachten geconsulteerd. En bij het buitengaan viel dít uit haar jaszak.’

Hij houdt een briefje voor mijn ogen. Met het uiterlijk van een visitekaartje. Zijn hand schudt heen en weer. Te heftig om de letters te kunnen lezen. Maar dat hoeft ook niet. Een hele stapel van zulke kaartjes ligt in de lade van mijn bureau. Wachtend om uitgedeeld te worden. De woorden staan in mijn geheugen gebrand:

‘Bedankt om mij uw transformatie toe te vertrouwen. De volgende dagen tot weken zult u het uiterlijk krijgen dat u begeert. Hiervoor wordt echter een griepvirus gebruikt. De volgende klachten kunnen daardoor optreden: spierpijn, hoofdpijn, keelpijn, vermoeidheid, futloosheid, koorts, koude rillingen en soortgelijke symptomen. Deze klachten zijn echter maar van tijdelijke duur. Mochten er toch problemen zijn, dan kan u me steeds bereiken op het adres waar u me gevonden heeft. Bedankt en tot ziens.’

 

Ik zie nog maar één mogelijkheid. ‘Zou het niet kunnen dat ze helemaal niet lijdt aan een psychose, maar gewoon bepaalde… dingen heeft meegemaakt?’

‘Ze vertrouwt haar man niet langer. Ze denkt dat hij verwikkeld is in duistere zaakjes. Hij vertelt haar niet alles, zegt ze. Hij liegt weleens over wat hij die dag gaat doen. Misschien gebruikt hij die gelogen uren wel om te spioneren. Ze verdenkt hem ervan een spion te zijn voor de overheid. Misschien zelfs een dubbelspion. Haar echtgenoot is één van de braafste mannen die ik ken. Saai bijna. Dus nee, ik denk het niet.’

Maar ik ben niet overtuigd. Wat als zijn patiënte echt geen psychose doormaakt? Wat als haar echtgenoot wel degelijk een spion is? En de dokter hem in bescherming tracht te nemen? Wat als ook hij een spion is? Deze Robert of Richard of wat zijn echte naam ook wezen mag. Hij zou best een spion kunnen zijn. En mij met deze beschuldigingen eindelijk mijn ondergang in sleuren.