...

Straat van de weemoed

...

De huizen hangen hier vermoeid tegen elkaar, als uitgeputte boksers in de laatste ronde. In een goot, een dofmetalen rooster dat de glimmende klinkers splijt, gorgelen de restanten van een hoosbui. Een menubord ligt knockout tegen de pui van een restaurant, de gekrijte gerechten half uitgewist door de regen.

Door deze straat ga ik, op zoek naar jou, langs deuren die ontkennen dat ze iets verbergen. Ik voel me als een passagier op W.H. Auden’s narrenschip, op weg naar Atlantis gestrand op een verschrompelde kust, het gezang van de sirenen allang verstomd. De hemel is een zwartgouden doek, dat strakgespannen over de stad ligt en waarin de sterren nog geen gaten hebben gebrand. De zon is allang ontmanteld.

Een stadswolf huilt zijn droeve blues vanuit een donkere portiek. Ik stap over hem heen en open de deur met de sleutel die ik ooit van jou kreeg. De hal wordt bevolkt door schaduwen. Ze leunen tegen de muren, zitten op de treden van de statige trap. Het zijn passanten, net als ik. Jouw minnaars. Onze blikken kruisen als degens met botte punten.

Ik klim langs herinneringen naar boven. De keuken wasemt de tintelende geur van in knoflook, chilipeper en tijm gestoofde kip. Uit een slaapkamer, één verdieping hoger, zweven de klanken van ‘Calle Melancolía’, gedragen door Joaquín Sabina’s in whiskey gedrenkte stem.

Dit keer besluit ik te blijven, hier, tussen al die anderen. Als je me wilt vinden, dan weet je waar ik ben.