01

Insomnia

01

Heden

 

Ik dacht dat ik zou sterven die avond. Dat mijn leven voorbij was.

    In feite was dat ook zo. Het was niet zo dat ik doodging – ik heb de aanval van de Nachtsluiper overleefd –, maar die avond betekende wel het einde van mijn leven zoals ik het kende.

    Na die avond werd ik een Slaapwandelaar: dat is hoe ze de ongelukkigen noemen die ten prooi zijn gevallen aan een Nachtsluiper. Een Slaapwandelaar is een wezen van de nacht. Een wezen dat in tegenstelling tot de Nachtsluipers daglicht kan verdragen, maar bijna geen slaap nodig heeft.

    Mensen moeten niets weten van Slaapwandelaars. We worden gevreesd. Verafschuwd. Gemeden. Iedereen denkt namelijk dat een Slaapwandelaar half mens, half Nachtsluiper is. Half licht, half duister. Half goed, half kwaad.

    Iedereen denkt dat ik bezeten ben, of samenzweer met de Nachtsluipers.

    Niets is minder waar. Het is puur bijgeloof.

    Maar wie gelooft nou het woord van een Slaapwandelaar?

    Ik kijk neer op de littekens op mijn armen. Het is een bloedhete zomeravond, dus ik draag een tanktop. Als Slaapwandelaar hoor je eigenlijk je littekens te verbergen – het is te “verontrustend” voor mensen om aan te zien –, maar ik heb er schijt aan.

    Dit is mijn stille protest tegen de gevestigde orde; mijn protest tegen de vooroordelen over Slaapwandelaars.

    Eigenlijk zou ik me nog veel openlijker willen verzetten. Ik zou publiekelijk in opstand willen komen en laten zien dat ik niet het monster ben waar iedereen me voor aanziet. Maar ik doe het niet. Het brengt te veel risico’s met zich mee en ik zou er mijn ouders en mezelf alleen maar mee in de problemen brengen.

    En problemen, daar hebben we er al genoeg van.

    Ik kijk opzij naar het meisje dat naast me zit. Hoewel het donker is, kan ik haar haarscherp zien; dat is één van de weinige voordelen van het zijn van een Slaapwandelaar. ’s Nachts is alles net zo helder voor me als overdag.

    Het meisje heet Nina. Ze is zestien jaar en daarmee net zo oud als ik. Ze heeft rode krullen, is broodmager en klein voor haar leeftijd. Ze heeft haar handen in de zakken van haar hoodie gestoken en draagt shorts en afgetrapte sneakers. Haar huid is zo bleek dat ze wel op lijkt te gloeien in de nacht.

    Ze zit onderuitgezakt op haar stoel. We zitten achter het raam van een boekenwinkel, vanwaar we uitzicht hebben op de straat waar de laatste tijd meer dan eens een Nachtsluiper is gesignaleerd. We hebben hoge stapels boeken in de etalage gezet, zodat we niet direct gezien worden als iemand – of beter gezegd iets – naar binnen kijkt.

    Nina is een leerling van de Somnus Academie; één van de vele scholen die binnen een wereldwijde organisatie vallen, genaamd de Uitdrijvers, die de Nachtsluipers georganiseerd bestrijden.

    Nina wordt opgeleid om een Uitdrijver te worden en dit is haar allereerste opdracht; in feite kan je het zien als een proefexamen. Daarom is er een begeleider meegekomen vannacht. Ik werp een blik achterom, op de jonge man die naast een kast op een stoel zit.

    Zijn naam is Owen en hij kan niet ouder zijn dan twintig jaar, maar hij is een gerespecteerde Uitdrijver en heeft al een hoge functie. Hij heeft donkerblond, kortgeschoren haar, is lang en heeft brede schouders, en draagt zoals gewoonlijk een wijd zittend T-shirt en een lange broek waarvan hij de pijpen in zijn laarzen heeft gepropt.

    Normaal gesproken heb ik weinig met de Uitdrijvers op – als je het mij vraagt zijn het een stel hoogmoedige, over het paard getilde clowns –, maar Owen mag ik graag.

    Hij is zelfverzekerd en goed in zijn werk, toch laat hij zich daar niet op gelden. Hij heeft me eens verteld dat hij rond zijn twaalfde al gescout is en naar de Somnus Academie toe is gekomen om Uitdrijver te worden. In tegenstelling tot de meesten ziet hij het niet als een eer om Uitdrijver te zijn; hij ziet het gewoonweg als zijn taak.

    ‘Ik kan het toevallig, dus ik doe het,’ is wat hij tegen me gezegd heeft.

    Bovendien walgt Owen niet van me omdat ik een Slaapwandelaar ben, en is hij ook niet bang voor me. Hij behandelt me als een gelijke. Als een mens.

    Net als Owen ben ik vannacht meegekomen als versterking tijdens Nina’s proefexamen. Ik ben op mijn twaalfde een Slaapwandelaar geworden en sindsdien train ik zodat ik de opdrachten van de Uitdrijver Academies aan kan nemen.

    Sinds een jaar werk ik voor de Somnus Academie, waar ik ook onderdak krijg. Het is een perfecte deal en het beste leven waar ik op kan hopen.

    Iedereen is bang voor Slaapwandelaars. Daarom worden we niet toegelaten op scholen en willen zelfs de meeste werkgevers niets van ons weten. Veel Slaapwandelaars komen daardoor op straat te leven – ze worden vaak verstoten door hun familie – en sterven meestal op jonge leeftijd. Door honger. Ziekte. Of omdat ze het leven niet meer zien zitten.

    Sommige Slaapwandelaars, zoals ik, worden echter ingezet door de Uitdrijvers. We zijn interessant voor hen omdat de krachten van een Slaapwandelaar worden aangewakkerd in de aanwezigheid van een Nachtsluiper. Dit, in combinatie met de lichtspreuken die de Uitdrijvers gebruiken om de Nachtsluipers te bestrijden, zorgt ervoor dat een Slaapwandelaar veel beter opgewassen is tegen een Nachtsluiper dan een gewone Uitdrijver ooit kan zijn. Ook is een Slaapwandelaar resistent voor de slaapbezweringen die veel Nachtsluipers gebruiken om slachtoffers te maken.

    Desondanks worden Slaapwandelaars nog altijd bekeken met argwaan en krijgen we nooit een volledige opleiding op een academie. De Uitdrijvers hebben me door de jaren heen een paar spreuken geleerd, maar ik weet dat er nog veel krachtigere spreuken bestaan waarmee ik een Nachtsluiper moeiteloos zou kunnen verslaan. Maar deze spreuken zullen ze me nooit leren; ze zijn veel te bang dat ik te veel macht krijg.

    Het is oneerlijk, maar beter dan dit zal ik het nooit krijgen. In ruil voor mijn diensten geeft de Somnus Academie me onderdak en ik krijg geld voor iedere opdracht die ik voor hen doe. De meerderheid van dat geld geef ik aan mijn ouders; sinds ik een Slaapwandelaar ben is het moeilijk voor ze om aan werk te komen. Iedereen kijkt hen met de nek aan, simpelweg omdat ze mijn vader en moeder zijn.

    Ik zie mijn ouders tegenwoordig nog nauwelijks. Ze hebben het nooit gezegd, maar ik heb altijd het gevoel dat ze mij de schuld geven van wat er is gebeurd die avond in het graanveld; dat ze mij er de schuld van geven dat hun hele leven overhoop is gehaald.

    Of misschien geef ik mezelf er wel gewoon de schuld van.

    Met een stille zucht bind ik mijn bruine haar opnieuw samen tot een staartje. Owen is intussen opgestaan om zijn ronde te maken en te controleren of de Nachtsluiper niet ergens anders is opgedoken, maar ik hoor hem weer terugkomen.

    Wat ik ook hoor, is Nina’s zachte gesnurk.

    Ze zit gewoon te slapen.

    Ik geef een trap tegen haar stoelpoot.

    Nina komt met een ruk overeind. ‘Huh?! Wat-’

    ‘Blijf wakker,’ sis ik.

    Ze laat zich weer terugzakken tegen de rugleuning van haar stoel en wrijft kreunend over haar gezicht. ‘Oh, man…’

    ‘Hoe kan je nou gaan zitten maffen tijdens je examen?!’ fluister ik.

    ‘Jij hebt makkelijk praten,’ sist ze terug, ‘jij hoeft niet eens te slapen!’

    Het is waar – als Slaapwandelaar kan ik een week zonder slaap, en dan nog heb ik maar een uurtje nodig om weer bij te komen. In sommige gevallen is het een zegen; in de meeste gevallen is het een vloek. De nachten zijn lang en eenzaam als je als enige wakker bent.

    Nina leunt voorover, duwt een stapel boeken opzij en tuurt door het raam naar buiten. ‘Ik zie nog steeds niets,’ zegt ze; hardop, nu Owen achter ons staat. ‘Waar hangt die Nachtsluiper uit? Hij zat toch hier, of niet soms?’

    ‘Ja,’ antwoordt Owen, ‘tenzij hij weer verder is getrokken. ’s Nachts hebben Nachtsluipers vrij spel. Ze kunnen gaan waar ze willen. Meestal blijven ze wel enkele dagen op dezelfde locatie. In sommige gevallen blijven ze er zelfs weken, maanden of jaren.’

    ‘Of,’ begint Nina en ik glimlach als ik de obstinate toon in haar stem hoor, ‘hij heeft een menselijk of dierlijk gastlichaam gevonden en is er overdag al vandoor gegaan. Dus misschien zit ik hier gewoon voor niets moeite te doen om wakker te blijven, terwijl ik nu gewoon lekker in mijn bed had kunnen liggen maffen.’

    Owen schraapt zijn keel. ‘Een Uitdrijver in opleiding hoort dit soort dingen niet te zeggen in de buurt van zijn docent. Ik zal maar doen alsof ik het niet gehoord heb.’

    Nina draait met haar ogen en ik grijns.

    Ik mag Nina graag. We hebben elkaar een jaar geleden ontmoet toen ik voor de Somnus Academie ben gaan werken en ze is vrijwel de enige leerling die niet bang voor me is, of met afschuw naar mijn littekens kijkt. Ze is de beste en enige vriendin die ik heb.

    Nina is ruimdenkender dan de meeste mensen en ik denk dat dat komt omdat ze net als ik niet voor dit leven heeft gekozen; het was namelijk geen vrijwillige keuze voor haar om een Uitdrijver te worden.

    Ze is een weeskind en heeft vroeger jaren over straat gezworven – ze weet als de beste hoe ze voor zichzelf moet zorgen. Ik ken niemand anders die zo razendsnel en vals is in een gevecht als zij, en ze heeft altijd wel een ontsnappingsroute in haar hoofd. Ook heeft ze heel wat diefstallen op haar geweten.

    Op haar dertiende maakte ze echter de fout om Aiden Somnus te bestelen; de directeur van de Somnus Academie. Hij had haar aan kunnen geven bij de politie, maar hij zag zoveel potentie in haar dat hij haar een plek heeft aangeboden op de academie om een Uitdrijver te worden.

    Nina heeft me verteld dat ze er eerst niets van wilde weten, maar ze besefte al gauw dat het leven op straat geen toekomstperspectief bood. En daarnaast had Aiden Somnus ermee gedreigd om haar alsnog aan te geven bij de politie, als ze niet naar zijn school zou komen.

    Tot zover een vrije keus.

    Hierom heeft Nina een haatliefdeverhouding met de schooldirecteur. Hij heeft haar een toekomst gegeven – maar wel onder dwang.

    Aiden Somnus is met zijn dertig jaar erg jong om schooldirecteur te zijn, maar hij staat bekend om zijn overtuigingskracht en dat hij alles voor elkaar krijgt wat hij wil.

    Net zoals zijn jongere broer, Kay, bekend staat om zijn arrogantie…-

    Mijn gedachtegang wordt ruw onderbroken als ik buiten een beweging zie. Ik verstar onmiddellijk.

    ‘Jongens,’ fluister ik gespannen. ‘Links. Op straat.’

    Owen zet zijn handen op de rugleuning van mijn stoel. Nina leunt weer voorover en vloekt onder haar adem. ‘Daar is hij,’ fluistert ze.

    De Nachtsluiper loopt langzaam over straat. Met zijn twee meter ziet hij eruit als een reus en iedere stap is een vloeiende beweging. Een rilling glijdt langs mijn ruggengraat.

    ‘Ben je klaar voor je doop, Nina?’ fluister ik.

    ‘Dit is niet de eerste Nachtsluiper die ik tegenkom,’ zegt ze, maar ik hoor de spanning in haar stem. Ik weet niet wat ze precies heeft gezien en meegemaakt toen ze op straat leefde – maar ik kan me er genoeg bij voorstellen.

    Nina drukt zich half overeind van haar stoel, klaar om naar buiten te gaan – maar ze bevriest als de Nachtsluiper opeens stil blijft staan… en zich naar ons omdraait.

    Hij heeft geen ogen, maar ik voel dat hij naar binnen kijkt.

    En hij ziet ons.

    ‘Oh, shit,’ zegt Nina toonloos.

    Ze is amper uitgesproken, of de Nachtsluiper komt weer in beweging – met een paar grote passen staat hij vlak voor het raam en hij slaat er met zijn vlakke handen tegenaan.

    De klap doet de ruit trillen… en dan klinkt er een krakend geluid, op hetzelfde moment dat ik scheuren zie ontstaan in het glas.

    Het raam breekt uiteen met oorverdovende herrie.

    ‘Zoek dekking!’ brult Owen.

    We duiken alle drie naar de vloer en ik verstop mijn hoofd onder mijn armen als de glasscherven door de lucht vliegen. Ik houd mijn adem in, wachtend op het moment dat het glas in mijn armen snijdt…

    Er gebeurt echter niets. Ik hoor het gerinkel van het brekende glas nog steeds door mijn hoofd galmen. Ik lig vlakbij een boekenkast en kijk voorzichtig op. De vloer ligt bezaaid onder scherven, maar op de één of andere manier ben ik niet geraakt.

    Een hand sleurt me overeind, maar voordat ik een kreet kan slaken, wordt er een andere hand over mijn mond geslagen. Ik kijk met grote ogen op. Het is Owen. Ik ontspan me iets en laat me door hem met zich meetrekken achter de boekenkast, waar Nina neergehurkt op de hoek zit.

    Owen laat me los en ik gluur met bonkend hart om de kast heen.

    De boeken in de etalage vallen met doffe klappen op de grond en ik hoor de glasscherven verbrijzelen onder hun gewicht.

    Dan komt de Nachtsluiper naar binnen toe.

02