Proloog

Insomnia

Proloog

Vier jaar geleden

 

Eén fout kan de rest van je leven bepalen.

    Die avond maakte ik de fout door niet naar mijn moeder te luisteren.

    De wind blies door de graanvelden. Het maakte een droog, ritselend geluid. Ik ademde diep in en rook de geur van de zomer die de wind met zich meedroeg; ik rook de zon die de hele dag op de velden had geschenen. De avond viel in en ik kneep mijn ogen samen toen ik de rode streep aan de horizon zag. Mijn blik dwaalde af naar de eerste sterren die zich al lieten zien, witte puntjes die zich helder aftekenden tegen de zachtblauwe hemel.

    ‘Jodi! Kom je naar binnen? Het wordt al donker.’

    Ik draaide me om en zag mijn moeder op de wit geschilderde veranda van ons huis staan. Ze zag er een beetje nerveus uit; mensen hoorden immers niet meer buiten te zijn als het donker was.

    De avond was de tijd dat de Nachtsluipers de wereld overnamen. Ze konden niet tegen daglicht, dus overdag lieten ze zich niet zien – maar ’s nachts was de wereld van hen en trokken de mensen zich terug.

    Wanneer de avond inviel, ging iedereen zijn huis in. Alle ramen en deuren gingen op slot en gordijnen werden dichtgetrokken. Zolang een Nachtsluiper je niet zag, zou hij je ook niet aanvallen. Althans, dat was wat iedereen zei.

    Ik had ooit in een documentaire op tv gezien dat Nachtsluipers er eigenlijk nooit op uit waren om mensen te doden; ze vielen je alleen maar aan om je te verzwakken… om vervolgens je lichaam te kunnen stelen en als gastlichaam te gebruiken. Op die manier konden Nachtsluipers zich ook overdag verplaatsen.

    Ik vroeg me altijd af wat erger zou zijn; gedood worden door een Nachtsluiper, of gebruikt.

    Niet dat ik daar zo vaak bij stilstond. In mijn hele leven had ik pas één keer een Nachtsluiper in de graanvelden gezien, vanuit de veiligheid van mijn slaapkamer. Verder kende ik alleen maar videopnames. Nachtsluipers werden vaker gesignaleerd in grote steden dan op het platteland; daar waren ten slotte veel meer mensen.

    Dus ik voelde me lang niet zo zenuwachtig als mijn moeder. Ik wendde me van haar af toen ik geblaf hoorde en mijn hond naar me toe gerend kwam vanuit de velden. Casey was een blonde labrador en was twee jaar geleden – toen ik tien jaar oud was – bij ons gezin gekomen nadat onze vorige hond was overleden door ouderdom.

    Ik pakte de stok uit zijn bek en zwaaide ermee naar mijn moeder. ‘Ik kom zo, mam!’ riep ik.

    Ze zette een hand in haar zij, ik zag dat ze op het punt stond om te zeggen dat ik nú naar binnen moest komen – maar toen schudde ze haar hoofd en hoewel ze te ver weg stond voor mij om te kunnen zien, wist ik dat ze glimlachte. Ze ging weer naar binnen.

    ‘Pak, Casey!’ Ik gooide de stok weer weg – een laatste keer, om het af te leren – en mijn hond sprintte erachteraan. De stok landde ergens in het veld en ik zag de graanstengels wild heen en weer zwaaien waar Casey rende.

    Ik wendde me ervan af en mijn blik dwaalde over de oude watertoren en de windmolen verderop. De wieken draaiden langzaam rond. Misschien, als het morgen hard genoeg waaide, dat ik met mijn vliegers kon spelen. Ik glimlachte bij het idee. Ik had een favoriete vlieger in de vorm van een zwaluw met een lange staart, die rimpelende bewegingen maakte in de wind. Ik stelde me altijd voor hoe ik op zijn rug zou springen en weg zou vliegen, naar alle plekken in de wereld die ik wilde bezoeken.

    De wind stak weer op en ik luisterde naar het geritsel van het graan. Dat was het enige geluid dat nog te horen was. Het platteland was altijd stil, veel stiller dan de stad, maar zodra de avond inviel werd de stilte nóg intenser.

    Het graan begon wild te ritselen en ik keek op, verwachtend Casey naar me terug gerend te zien komen. Ik fronste toen ik de graanstengels verderop in het veld heen en weer zag zwaaien. Wat deed Casey dáár helemaal? Zo ver kon ik de stok niet gegooid hebben…-

    Ik verstarde toen ik Casey hoorde blaffen – en vervolgens begon hij te janken.

    ‘Casey?’

    Het gejank werd harder, klaaglijker. Alsof hij pijn had.

    ‘Casey?!’ schreeuwde ik en ik rende het graan in. Ik haastte me dieper en dieper het veld in, de stengels sloegen tegen mijn armen en benen aan. Ik rende zo snel als ik kon, met mijn hart in mijn keel. ‘Casey!’

    Het rennen werd opeens een stuk makkelijker en ik vertraagde vertwijfeld mijn pas; ik kwam uit op een open plek waar het graan naar beneden was gedrukt. Het leek wel een graancirkel.

    In het midden van de cirkel lag Casey, jankend en bloedend.

    Mijn ogen werden groot.

    ‘Casey!’ Ik liet me op mijn knieën bij hem neervallen en een brok rees op in mijn keel toen ik de diepe sneden in zijn voor- en achterpoten zag. Zijn blonde vacht was rood en kleverig van het bloed. Hij hijgde zwaar en zijn ogen waren wit weggedraaid. ‘Casey, wat…-’

    Ik stopte toen er een schaduw over ons heen viel.

    Vanuit mijn ooghoeken zag ik de rode gloed van de horizon doven. De zon was ondergegaan. De wind leek opeens veel kouder te worden en ging toen liggen. Het was doodstil in het veld, afgezien van Casey’s gehijg en gejank.

    Maar ik voelde dat er iemand achter me stond.

    Met ingehouden adem draaide ik me om. Al mijn spieren stonden gespannen, want ik voelde dat er iets mis was, nog voordat ik het had gezien.

    Mijn mond werd kurkdroog toen ik zag wie- nee, wat er achter me stond. Het was een menselijke gedaante met een gitzwarte huidskleur. Hij was zo lang, zeker twee meter, dat ik in eerste instantie alleen zijn benen zag. Ik keek op. Hij had geen gezicht. Hij had sowieso geen uiterlijke kenmerken en leek zowel niet mannelijk als vrouwelijk te zijn. Het wezen deed een stap naar me toe. Zijn bewegingen waren vloeiend, alsof hij door de lucht gleed en niets woog.

    Een Nachtsluiper.

    In één snelle beweging boog hij zich voorover en greep me bij mijn bovenarmen beet.

    Ik gilde het uit.

    De aanraking brandde me en een scherpe pijn trok door mijn armen heen. Het was heet en koud tegelijk. Met een schorre kreet rukte ik me los. Ik viel achterover en landde met een dreun op mijn rug. Casey lag naast me en gromde naar de Nachtsluiper die met een vloeiende stap dichterbij kwam. De huid van mijn armen tintelde en prikte.

    ‘Nee!’ piepte ik toen de Nachtsluiper zich weer naar me toeboog, en ik deinsde van hem terug-

    Hij greep me bij mijn onderarmen beet en ik schreeuwde toen zijn handen me weer brandden. De pijn was prikkend, bijtend, zo hevig dat er zwarte vlekken voor mijn ogen verschenen.

    Plotseling liet hij me weer los.

    De pijn ging echter niet weg.

    Ik bleef op de grond liggen, verlamd door de pijn. Ik knipperde met mijn ogen. De zwarte vlekken gingen weg, maar tranen vertroebelden mijn zicht. Ik hoorde mijn bloed gonzen, ik hoorde mijn hartslag in mijn oren dreunen. Ik hoorde Casey blaffen, maar hij leek van heel ver weg te komen. Ik dacht zelfs de stemmen van mijn ouders te horen.

    De Nachtsluiper boog zich over me heen. Ik knipperde nog eens met mijn ogen terwijl ik schokkerig inademde. Mijn zicht verscherpte en ik keek recht in zijn gezicht zonder ogen, neus, mond en oren. Het was gewoon een zwart gat, meer niet.

    Maar ik hoorde zijn ademhaling. Een zwaar, gesmoord gehijg, alsof hij vanachter een doek ademde die zijn mond bedekte.

    Hij klonk hongerig.

    Een golf van verse pijn trok over mijn armen heen en ik snikte. Mijn rechterarm trilde toen ik die iets optilde. Ik zag vuurrode striemen en bloederige blaren op mijn huid. De pijn nam toe, maar ik durfde niet eens meer geluid te maken: de Nachtsluiper zette zijn handen aan weerszijden van mijn hoofd op de grond en bracht zijn gezicht vlakbij het mijne.

    Zijn ademhaling werd sneller, zwaarder.

    Tranen vulden mijn ogen en ik klemde mijn kaken op elkaar, wachtend op het moment dat hij er een einde aan maakte, wachtend-

    Met een ruk kwam hij overeind en rechtte zijn rug. Hij keek om, alsof hij iets hoorde.

    En toen hoorde ik het ook: mijn vader, die schreeuwend aangerend kwam. Ik hoorde het graan ritselen, ik hoorde zijn stampende voetstappen, ik hoorde… geweerschoten, als explosies in de stilte van de avond.

    Ik kon de kogels regelrecht door de Nachtsluiper heen zien gaan, alsof hij uit lucht bestond – toch wankelde het wezen achteruit en kromp ineen. Zijn voetstappen maakten geen geluid op de grond.

    Hij leek op de vlucht te willen slaan, maar bleef toen staan en draaide zijn hoofd naar me toe. Ik keek met ingehouden adem naar hem op. Hij boog zich weer naar me toe en streek met zijn lange, puntige wijsvinger over mijn rechterarm, vanaf mijn schouder naar mijn pols. Er bleef een verticale, brandende lijn van blaren achter.

    Ik gilde.

    Ik gilde zo hard als ik nog nooit had gedaan. Mijn arm maakte een schokkerige beweging en ik voelde me licht worden in mijn hoofd.

    Het laatste wat ik zag was hoe de Nachtsluiper zich met vloeiende bewegingen terugtrok in het graan en leek te verdwijnen in het niets, en de sterrenhemel die zich boven me uitstrekte.

    Ik zag mijn favoriete vlieger, de zwaluw, zwevend op de wind.

    Daarna niets meer.

01