Vrijdag toen ze weggingen

Vrijdag toen ze weggingen - Finalist #Sweekstars

Vrijdag toen ze weggingen

Ze sloegen rechtsaf en fietsten over het smalle houten bruggetje, waardoor de boeken in hun rugtassen heen en weer geschud werden. Hun fietsen rammelden als skeletten. Een kat sprong met dikke staart aan de kant. Het zwart van zijn pupillen slokte de amberkleur van zijn irissen op.

Zodra ze het bruggetje af waren, ging Ward Peters op zijn trappers staan om vaart te maken. Hij helde naar rechts toen hij een scherpe bocht nam, bijna als een motorrijder. Toen fietste hij klabam-klabam de parkeerplaats over en ging het onverharde weggetje in het beboste gedeelte op. Tien seconden later hoorde hij hoe Michiel hetzelfde deed. Steentjes sprongen onder hun banden vandaan.  

Er was een andere route, een snellere route, maar dat maakte Ward die middag niet uit. Het was het begin van de zomervakantie. Boven hem stond een hemel die eruit zag alsof God zelf er een strakblauw laken overheen had gespannen. De zon was witgloeiend en net op weg naar haar daling, maar ze zou nog uren aan de hemel staan. Dat was één ding dat zeker was.

Hij kreeg een vlinders-in-zijn-buikgevoel toen hij zichzelf eraan herinnerde dat hij zeven weken lang geen school zou hebben. Hij hoefde alleen nog maar zijn boeken in te leveren en zijn rapport op te halen en dat was dat. En het mooiste van alles: het schooljaar daarop zou hij geen brugklasser meer zijn.

Het enige nadeel was dat Michiel over een week naar Thailand ging en hij de hele zomervakantie met zijn vervelende broertje opgescheept zat.

Hij herinnerde zich dat hij zijn ouders een keer had gevraagd waarom ze zo nodig zeven jaar hadden gewacht om een tweede kind te nemen. Als hij dan toch een broertje moest hebben, waarom dan niet eentje die een jaar jonger was? Dan hadden ze nog samen dingen kunnen doen. Nu moest hij voor oppas spelen terwijl Fedde voor de honderdste keer Frozen of één van zijn andere stomme kinderfilms wilde kijken.  

‘Kinderen neem je niet, die krijg je,’ had zijn moeder geantwoord, op die fluweelzachte, kouder dan koude toon waarop ze altijd sprak als je je op glad ijs bevond. Dus had hij verder zijn mond gehouden.

Hij week uit voor een hond die uit de struiken gesprongen kwam en bukte om onder de laaghangende takken door te fietsen. Het weggetje ging over in een smal, verhard pad en kwam na een meter of veertig uit op het kilometerslange fietspad dat zich rond de Vecht slingerde. Het water, bijna donkergroen door de weerspiegeling van de bomen eromheen, werd zachtjes voort geblazen door de wind.

Michiel haalde hem in en kwam naast hem fietsen. ‘Ik geloof dat we ze kwijt zijn.’

Ward trok een wenkbrauw op. ‘Natuurlijk zijn we ze kwijt. Denk je nou echt dat die twee ons helemaal tot hier zouden achtervolgen?’

‘Na wat ze twee weken geleden hebben geflikt, zou ik er niet van opkijken.’

De twee waar Ward en Michiel het over hadden, waren Jordan Zegers en Constantijn Bosch. Michiel had Ward ervan proberen te overtuigen dat ze naar hun mentor moesten stappen, maar waarom zouden ze dat doen? Ze werden af en toe een beetje geplaagd, maar ze werden niet gepest. Geen reden om zielig te doen. Bovendien… als zijn vader erachter kwam, zou die ‘van man tot man’ met hem willen praten en Ward werd daar altijd een beetje zenuwachtig van.

Het gekke aan de hele situatie was dat Jordan en Constantijn op de basisschool nog hun vrienden waren geweest. Dat Constantijn zich tegen hen had gekeerd, vond Ward nog niet eens zo erg – hij had hem eerlijk gezegd altijd maar een beetje arrogant gevonden – maar Jordan was een toffe gast geweest. Een toffe gast die twee weken eerder breed had gegrijnsd toen Michiels kluisje besmeurd bleek te zijn met iets waarvan Ward bijna zeker wist dat het hondenpoep was geweest.

Hij hóópte tenminste dat het hondenpoep was geweest, en niet… nou ja…

‘Zo erg zijn ze nou ook weer niet,’ zei Ward.

Hij negeerde de blik die Michiel hem toewierp.

Toch zou hij niet naar hun mentor stappen. Dat was iets voor verraders, voor ratten. Hij zou liever een paar vernederende grappen doorstaan dan dat hij een rat was, want dat waren het. Gewoon grapjes, die soms een beetje uit de hand liepen en niet meer echt grappig waren. Maar toch.

Tegen een grapje moest je kunnen.

 *

Het fietspad was net een rozerode slang, die gloeide in het felle middaglicht. Het zag er heet genoeg uit om je huid te schroeien als je er met zijn blote voeten op zou staan. Eerder die week had het nog geregend en had zijn moeder gemopperd dat het in Nederland ook nooit eens gewoon zomer kon zijn. Als ze niet zo koppig was geweest, zou ze die woorden vast terugnemen.

Ze vervolgden hun weg langs de Vecht, die nog kilometers verder naar het noorden stroomde. Als hij hier langs fietste, vergat hij soms de afslag naar het dorp waar hij en Michiel woonden. Er was zoveel te zien. De enorme landhuizen aan weerskanten van de rivier. De hortensia’s die langs de waterkant groeiden, stonden uitbundig in bloei en schitterden met hun roze, blauwe en witte kleuren. Bootjes die langs de kade stillagen en zachtjes heen en weer deinden, alsof ze stonden te popelen om bevaren te worden. Theehuisjes in koepelvorm, met ronde, donkere daken en grote, rechthoekige ramen met donkere kozijnen. Zijn vader had hem eens verteld dat thee vroeger een luxe product was en dat de vroegere bewoners van de landhuizen aan de Vecht theehuisjes lieten bouwen om iedereen te laten zien hoe welvarend ze waren.

Ze passeerden één van de eeuwenoude kastelen en kwamen vervolgens langs een landhuis met een prachtige, romantische theekoepel die omringd werd door weelderige hortensia’s. Daarachter zat een boerderij en aan de rechterkant weer een kluitje oude huizen met witte muren en rieten daken. Ward kende het gebied bijna helemaal uit zijn hoofd, niet alleen omdat hij er vaak had gefietst, maar ook omdat hij zelf een kaart had gemaakt. Hij had speciaal papier gekocht in de boekhandel, stevig en een beetje vergeeld en niet helemaal effen. De verkoopster had gezegd dat het gerecycled was. Met een potlood had hij eerst op kladpapier de rivier geschetst en de gebouwen eromheen. Daarna had hij alles overgenomen om het speciale papier. Hij had de straatnamen en de namen van de kastelen met een vulpen geschreven, zodat het er echt oud uitzag. Toen hij de kaart aan zijn moeder liet zien, had ze hem een vluchtige zoen op zijn voorhoofd gegeven, waarbij zijn lippen zijn huid maar net raakten, maar ze had er niets over gezegd. De kaart hing nog steeds met punaises aan de muur achter zijn bureau.

Soms gingen hij en Michiel langs het water zitten en keken ze naar één van de adembenemende landhuizen aan de overkant terwijl ze hun boterhammen opaten en fantaseerden hoe het leven was geweest toen die landhuizen gebouwd werden. Het fietspad waar ze nu overheen reden was er toen nog niet geweest, en de autoweg waar dat fietspad aan grensde ook niet. Toen ze dat eerder dat schooljaar tegen Jordan en Constantijn hadden gezegd, die toen nog hun vrienden waren, hadden die elkaar quasi-verbaasd aangekeken, waarna ze in lachen waren uitgebarsten.

Zijn vader en hij waren een paar keer langs de Vecht gefietst, helemaal van Maarssen naar Weesp en weer terug. Dan gingen ze ’s ochtends vroeg weg, net na zonsopkomst, en namen ze allebei een flinke rugtas mee met flessen water in de netjes aan de zijkant, genoeg boterhammen, fruit en ontbijtkoek en kwamen ze ’s avonds pas terug. Maar sinds die vorige zomer wilde zijn vader dat niet meer.

Op een nacht toen hij niet kon slapen omdat het zo heet was, had hij zijn ouders horen praten. Hij was onderweg naar de badkamer, toen hij de stemmen van zijn ouders hoorde. Hun slaapkamerdeur stond op een kier. Een dunne reep geelachtig licht viel door de kier over de overloop en sneed door zijn tenen als een laserstraal. 

‘…niet aanmoedigen om anders te zijn, Antonie.’ De stem van zijn moeder, gedempt en gefrustreerd.

Zijn vader had een droog lachje laten horen. Ward wist dat dat lachje zijn moeder soms irriteerde, omdat het haar het gevoel gaf dat hij haar uitlachte. Of dat zo was, wist Ward eigenlijk niet. Wat dat betreft waren zijn ouders allebei een gesloten boek. ‘Anders zijn is niet per definitie slecht.’

Een snuivend geluid. ‘Daar kom je nog wel op terug als hij straks gepest wordt.’

‘Waarom zou hij gepest worden?’

‘Omdat hij een buitenbeentje dreigt te worden. Waarom is hij niet gewoon geïnteresseerd in schoolfeestjes en meisjes en dat soort dingen? Hij begint zich van zijn leeftijdsgenootjes te vervreemden. Wanneer is de laatste keer dat hij Jordan mee naar huis heeft genomen, of Constantijn?’
Weer dat droge lachje. ‘Ik geloof dat ik voor ons beide spreek als ik zeg dat ik het niet erg vind dat ik Constantijn al een tijdje niet heb gezien.’

‘Daar gáát het niet om!’ viel zijn moeder uit. ‘Hoe moet het als hij straks op de middelbare school zit en hij nog steeds die stomme fietstochtjes wil maken? Jongeren zijn nog wreder dan kinderen. Dat moet jij toch weten.’

‘Maak je maar geen zorgen, Rox. Ward heeft genoeg zelfvertrouwen. Die wordt niet zomaar gepest.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van.’

Ward had nog een poosje op de overloop gestaan, in de bedompte, snikhete lucht van die zomernacht. Pas toen hij een slapende, regelmatige ademhaling uit de slaapkamer van zijn ouders hoorde komen, ging hij terug naar zijn kamer.

 *

Hij keek naar Michiel, die nu een meter of twee voor hem uit fietste. Zijn rugtas hing laag op zijn rug en raakte bijna zijn achterwiel. Michiel droeg een bril met glazen die zo sterk waren dat zijn ogen op speldenknopjes leken, maar dat zag Ward op dat moment niet. Wat hij wel zag, was zijn dunne, lichtblonde haar, dat als een doorschijnend dons op zijn schedel lag. Michiel was lang, minstens tien centimeter langer dan Ward, en mager, maar hij had opvallend sterke armen en benen. Als hij niet zo goed was geweest in gym, zou hij vast en zeker zijn gepest.

Hij kreeg plotseling een idee.

Hij ging op zijn trappers staan en haalde Michiel weer in. ‘Hé,’ zei hij. ‘Zullen we volgende week een keer langs de hele Vecht fietsen? We kunnen onze fietsen meenemen in de trein en…’

‘Ik ga op vakantie, weet je nog?’

‘Dat is toch pas volgende week vrijdag? Mijn moeder zegt dat het nog de hele week warm wordt. Als we nou maandag of zo gaan…’

Michiel keek hem van opzij aan, met één opgetrokken wenkbrauw en een gerimpelde neus, waardoor zijn bril een beetje scheef zakte. ‘Ik ga vanavond.’

‘Maar je zou de eerste vrijdag van de vakantie gaan.’

‘Dat is het vandaag toch ook?’

‘Nee, het was de laatste schooldag.’ Ward merkte dat hij geïrriteerd raakte, maar hij kon er niets aan doen. ‘Vólgende week vrijdag is de eerste vrijdag van de vakantie.’

‘Nou… we gaan in ieder geval vanavond. De vlucht is om tien voor half twaalf, dus we moeten om acht uur op Schiphol zijn.’

‘Maar we moeten volgende week toch onze boeken inleveren? En ons rapport ophalen…’

‘Mijn ouders hebben alles geregeld.’

Michiel Roelofs was niet zo rijk en verwend als Constantijn Bosch, maar zijn vader was een succesvol ondernemer en zijn moeder had een eigen schoonheidssalon, dus je kon wel zeggen dat ze genoeg geld hadden. En met geld was alles te regelen. Soms baalde Ward daar van.

‘Dan zul je zo wel meteen naar huis moeten.’ Hij hoopte dat Michiel zou zeggen dat hij nog wel een paar uurtjes had, maar tot zijn teleurstelling knikte hij.

‘Ik moet mijn rugtas nog inpakken. Die neem ik mee als handbagage.’

Ward wilde zeggen dat hij daar zo mee klaar was – hoe lang kon je er nou helemaal over doen om wat boeken en snacks in te pakken? – maar hield zich in.

‘Gaan jullie eigenlijk nog weg?’

‘Hè?’

‘Je had toch gezegd dat jullie misschien nog ergens naartoe gingen?’

Dat was een hele hoopvolle misschien geweest, gebaseerd op een vage uitspraak die zijn moeder een paar maanden geleden had gedaan: dat ze, als alles meezaten, misschien – misschien, misschien, misschien – een weekendje weg zouden gaan.

Ward wist dat ze dat alleen maar had gezegd omdat dat was wat hij wilde horen. Ze gingen zelden op vakantie. De laatste keer was Ward acht geweest en waren ze een midweek naar Duitsland gegaan. Hij wist dat het geen gelddingetje was, maar wat het dan wel voor dingetje was, wist hij niet. Toen hij het zijn vader een keer had gevraagd, had die gezegd dat zijn moeder last had van heimwee. Gek, had Ward gedacht. Als iemand nooit liegt, merk je het gelijk wanneer die dat wel doet.

Hij had zichzelf ervan proberen te overtuigen dat hij niet teveel waarde aan zijn moeders vage belofte moest hechten, maar toch hadden die woorden in zijn achterhoofd rondgespookt.

‘O,’ zei Ward. ‘Ja, misschien. Mijn ouders hebben niets geboekt of zo.’

‘Nou, als jullie toch ergens naartoe gaan, sms je me, toch?’

‘Natuurlijk.’

Dat zou toch niet gebeuren. Toen Ward een paar weken eerder over de mogelijkheid van een vakantie was begonnen, had hij daar meteen spijt van gekregen. Hij had net gedoucht en zat op de keukentafel. Zijn blote voeten bungelden boven de vloer. Een paar druppels liepen langs zijn rug omlaag. Zijn moeder stond half met haar rug naar hem toe het middageten voor de volgende dag te maken, maar hij kon zien hoe de spieren in haar hals en kaken zich verstrakten. Hoe haar om het mes geklemde vingers witter werden.

‘Wat vroeg je me net?’ Als zijn moeder boos werd, verhief ze haar stem niet, maar ging ze juist heel zachtjes praten. Hij kon daar nooit goed tegen.

‘Niets,’ had hij gezegd. ‘Ik vroeg me het me alleen af, omdat… nou ja…’ Het leek hem niet verstandig haar aan haar belofte te herinneren.

‘Denk je dat je het slecht hebt omdat je nooit op dure vakanties gaat?’

‘Nee, nee, maar…’

Zijn moeder draaide zich naar hem toe. Haar ogen, verrukkelijk warmgroen als ze glimlachte maar ijskoud bevroren groen als ze kwaad was, boorden zich in de zijne.

‘Je weet niet wat het is om het slecht te hebben.’

Daarna had hij er niet meer naar durven vragen.

 *

‘We kunnen nog wel iets doen voordat ik wegga.’

‘Wat dan?’

Een bootje met dagjesmensen voer voorbij. Een klein meisje zwaaide. Ward had geen zin om terug te zwaaien.

‘Een wedstrijdje.’

Hij voelde een kleine prikkeling in zijn borst. ‘Tot aan de volgende brug?’

Michiel gaf geen antwoord, maar dat hoefde ook niet. Ze keken elkaar even aan. Toen ging Ward op zijn trappers staan, leunde zo ver voorover dat zijn bord boven zijn stuur hing en zette het op een fietsen.

Hij keek niet opzij, uit angst dat hij de controle over het stuur zou verliezen, maar hij kon uit zijn ooghoeken zien dat Michiel hem bijna inhaalde. Hij zette al zijn gewicht op zijn trappers en fietste alsof zijn leven ervan afhing. Licht en schaduw vielen over hem heen, volgden elkaar razendsnel op omdat híj razendsnel ging. Zijn fiets begon een beetje te slingeren toen hij over een tak heen fietste en zijn hart begon protesterend tegen zijn ribben te bonzen, maar hij hervond zijn evenwicht. Michiel fietste nog geen meter achter hem. Hij kon hem aan de rand van zijn gezichtsveld zien.

Hij helde opzij toen hij met de bocht meeging. Zodra hij uit de bocht was, begon hij weer te trappen. Hij kreeg bijna het gevoel alsof hij zweefde. Hij hoorde vaag de bootjes rechts van hem en een enkele auto links van hem. Voor de rest alleen een zoevende ruis in zijn oren.

In de verte kon hij de brug al zien.

Hij leunde nog verder over zijn stuur voorover en dwong zijn benen om nog harder te trappen. Het was bijna alsof hij over het fietspad vloog. Een passerende fietser riep iets, maar hij kon hem – of haar, hij wist niet of het een man of een vrouw was – niet verstaan. In zijn oren kolkte zijn bloed en de wind. Hij volgde de bocht naar rechts.

De brug kwam dichterbij.

Nog vijftig meter.

Hij fietste nog harder.

Hij kon Michiel niet meer zien. Hij had hem ingehaald.

Nog dertig meter.

Als hij nu niet ophield met trappen, zou hij niet op tijd kunnen remmen. Hij liet zijn benen ophouden en zweefde de laatste meters over het fietspad.

Nog twintig.

Hij begon voorzichtig te remmen. Niet te hard, dan zouden zijn wielen misschien nog in brand vliegen. Of hij zou in de Vecht belanden.

Nog tien meter.

Vlak voor de brug remde hij. Hij had voldoende afgeremd, maar toch maakten zijn banden een verschrikkelijk piepend geluid. Hij liet zijn fiets schuin tot stilstand komen en keek achterom.

Het enige wat hij zag, was een leeg fietspad.

 *

Zijn hart kromp ineen bij de gedachte dat Michiel in het water was gevallen, maar dat kon niet. Ten eerste zou hij hem gehoord hebben en ten tweede was er eerst nog een brede strook glas en lagen er overal bootjes. Hij moest voor de laatste bocht gestopt zijn.

‘Michiel?’ Buiten adem draaide Ward zijn fiets de andere kant op en sprong er weer op. Hij fietste terug, langzaam deze keer, maar sneller toen hij geen antwoord kreeg. ‘Michiel!’

Toen hij de bocht om ging, had hij weer zicht op het fietspad. Daar stond Michiel naast zijn fiets. Zijn handen lagen op het stuur, maar zijn hoofd was opzij gedraaid. Hij staarde naar iets aan de andere kant van het water. Toen Ward zijn blik volgde, bleef hij ook stil staan.

De Vecht was op dit punt breder geworden. Aan de andere kant van het water stond een enorm monumentaal pand, half verscholen achter hoge bomen, dat werd weerspiegeld in het wateroppervlak. Voor het pand lagen meerdere boten. Een meter of twintig naar rechts stonden politiewagens en een brandweerwagen. Het gebied rond het pand was afgesloten met linten.

Er stond ook een takelwagen.

Ward liep met zijn fiets aan de hand naar Michiel, die als bevroren naar de overkant staarde. Hij hoefde niet te vragen wat er aan de hand was. De takelwagen hees een auto uit het water. In een rood bootje daarnaast zaten een stuk of zes mannen in uniform. Hij zag een duiker bovenkomen en weer ondergaan.  

De auto kwam langzaam, centimeter voor centimeter, omhoog. Het water eromheen borrelde alsof iemand er met een rietje belletjes in blies. Er vormden zich cirkels die steeds groter werden.

Misschien dat de auto zwart was geweest, misschien grijs, misschien bruin of groen, dat viel niet te zeggen. Hij was nu in ieder geval helemaal bruin en verroest en zag eruit als een scheepswrak. Slib en modder kleefden aan de banden, aan de bumper. De ruiten zaten er nog in, maar je kon er nauwelijks doorheen kijken. Het nummerbord was van waar Ward en Michiel stonden onleesbaar.

De auto zweefde aan kabels boven het oppervlak. Een brede waterval liep langs de onderkant omlaag en stroomde met een machtig geluid terug in de rivier.

Een fietser stopte even om te kijken, maar fietste vervolgens weer door.

Ward keek ademloos toe hoe de auto op de kant werd gehesen. Modder droop naar beneden en kwam weer in het water terecht. De auto werd wiebelend omlaag getakeld, druipend van het water en de modder, tot hij met zijn wielen in het gras stond. De mannen in uniform verzamelden zich eromheen. Een man stond naar Ward en Michiel te kijken en maakte een gebaar dat ze weg moesten gaan, maar Ward en Michiel bleven staan waar ze stonden. De man spuugde in het water en keerde hen hoofdschuddend de rug toe.

‘Denk je dat iemand met zijn auto het water in is gereden?’ vroeg Ward.

‘Dat lijkt me wel duidelijk,’ zei Michiel. ‘De vraag is alleen wannéér dat is gebeurd.’

De mannen in uniform liepen om de auto heen, bestudeerde die van alle kanten. Ze spraken tegen elkaar, spraken in portofoons of wat ze ook bij ze droegen. De portieren werden opengebroken. Ward voelde zich een beetje duizelig worden bij het idee dat er nog iemand in zat en dat er zo meteen een lijk werd uitgehaald, maar dat gebeurde niet. De agenten bestudeerden het loshangende nummerbord. Bogen zich naar elkaar toe.

‘Misschien is het lijk al vergaan,’ zei Ward en likte langs zijn lippen, die droog waren geworden. ‘Opgegeten door de vissen.’

‘Hoe kan dat nou?’ vroeg Michiel. ‘De portieren zitten toch dicht?’

Dat was waar.

‘Misschien was het dan toch een lege auto.’ Maar hoe kwam een lege auto dan in het water?

Na de portieren werd ook de kofferbak opengebroken.

Zijn vader had wel eens gezegd dat politieagenten alles al hadden meegemaakt en daarom nauwelijks nog emotie vertoonden als ze iets ergs aangetroffen. Ze waren ervoor getraind, ervoor opgeleid. Maar toen de kofferbak werd opengebroken, zag Ward één van de agenten achteruit deinzen. De agent keerde de auto de rug toe en drukte een hand voor zijn mond. De agenten die erbij stonden, wenkten zonder hun blik van de kofferbak af te houden hun collega’s, die aangesneld kwamen. Twee agenten begonnen foto’s te maken. De camera’s flitsten.

‘Hé!’ Dezelfde agent die een gebaar naar ze had gemaakt, begon te roepen. Hij was weer aan de rand van het water gaan staan. Hij was rossig en gezet en hoewel Ward zijn gezicht niet duidelijk kon onderscheiden, moest hij minstens van zijn vaders leeftijd zijn. ‘Jullie moeten hier niet zijn! Wegwezen!’

Een vrouw met achter overgebonden donker haar liep naar hem toe en legde een hand op zijn schouder, maar de man schudde de hand van zich af en liep terug naar de auto. De vrouw keek hen een ogenblik vanaf de waterkant aan.

Toen liep ook zij terug naar de auto.

 *

Even later vroeg Ward zich af wat het precies was waarvoor de agent naar achteren was gedeinsd en bijna over zijn nek was gegaan: de aanblik van datgene dat er in de kofferbak lag, of de stank. Het lichaam dat er in lag – en toen er even later twee witte busjes verschenen en er een wit huisje van de forensische recherche werd neergezet, wist Ward zeker dat het om een lichaam ging – moest daar al een tijdje liggen. Die auto had er niet uitgezien alsof die er nog maar een paar maanden in lag.

Hij vroeg zich ook af of er iemand later die dag een telefoontje zou krijgen dat zijn vermiste familielid eindelijk was gevonden. En of diegene nog blij zou zijn dat te horen. Zijn vader had wel eens gezegd dat onwetendheid soms beter was dan de waarheid. En zijn vader kon het weten.

Hij was zelf ook iemand kwijtgeraakt.

 *

Toen Ward negen was, stuitte hij op een ontdekking. Het gebeurde tijdens een zomer die regenachtiger was dan een zomer hoorde te zijn. Hij had al bijna twee weken vrij en het regende bijna elke dag. Op een gegeven moment verveelde hij zich zo erg dat hij, toen zijn moeder met Fedde naar de dokter was – Fedde was in die periode constant ziek – naar de vliering ging.

De vliering was verboden terrein, omdat daar oude spullen stonden en kinderen niet met oude spullen konden omgaan. Er stond een oud poppenhuis waar Ward vroeger mee had willen spelen, maar dat mocht niet van zijn moeder omdat het een poppenhuis was om naar te kijken. De meubeltjes waren allemaal handgemaakt en handbeschilderd, piepklein en minstens dertig jaar oud. Ze braken bijna als je er naar keek. Er lagen kampeerspullen die ze zelden gebruikten. Kerstspullen.

Hij vond het heerlijk om op handen en knieën over de vliering te kruipen en rond te neuzen tussen alle spullen die daar waren verborgen en in alle stilte oud lagen te worden. Het stof irriteerde zijn neus en keel, maar dat maakte hem niet uit. Hij hield van de geheimen, de mysteries.

Die middag kroop hij op handen en knieën naar de kartonnen doos met fotoalbums, haalde er een paar uit en leunde tegen de plastic doos met kerstspullen terwijl hij er één opensloeg.

De foto’s waren niet zwart-wit, maar wel oud. Het waren foto’s van zijn ouders toen ze jong en net bij elkaar waren. Ze kenden elkaar al sinds de middelbare school. Ze hadden nooit bij elkaar in de klas gezeten, maar wel boven elkaar gewoond. Zijn moeder kwam in de woning boven die van zijn vader wonen toen zij vijftien en hij zestien was. Háár moeder, de oma van Ward, was eerder dat jaar plotseling overleden. Zijn vaders moeder, zijn andere oma, had zijn vader jaren daarvoor in de steek gelaten.

Die regenachtige zomermiddag kwam Ward erachter dat die andere oma niet alleen zijn vader in de steek had gelaten.

Hij bladerde door een fotoalbum dat hij niet eerder had gezien. Deze foto’s waren nog ouder dan de andere. Ze waren met hoekjes op stevige, enigszins vergeelde bladzijden geplakt, met van die dunne flinterachtige bladzijden ertussen, die kreukelden en ritselden als je ze omsloeg. Onder de foto’s stonden dingen geschreven. Het handschrift was priegelig en schuin.

En onbekend.

Zijn opa van zijn vaders kant moest het hebben geschreven.

Hij zag een babyfoto van zijn vader. Een foto waarop zijn vader iets ouder was, met donkere plukjes haar en een kwijlend mondje met een paar tanden. De moeder die hem later in de steek zou laten, hield hem dicht tegen zich aan gedrukt. Een foto waarop hij aan de hand van een iets ouder meisje liep. Hij besteedde eerst geen aandacht aan dat meisje. Hij dacht dat het misschien een buurmeisje was, of een nichtje. Maar een paar bladzijden verderop zat zijn vader, daar een jaar of drie, samen met het oudere meisje aan de waterkant. Nog een foto waarop hij en het oudere meisje in bad zaten. Hun gezichten waren ingesmeerd met zeepsop. Zeepsop lag ook als bijna zwevende hoedjes op hun kruinen. Op een andere foto hadden het oudere meisje en hij zich verkleed als Roodkapje en de wolf. Onder die foto stond het volgende geschreven: Antonie en Stephanie voor het feestje te ere van het tienjarige bestaan van De Regenboogschool.

Antonie, zo heette zijn vader. Maar wie was Stephanie?

Terwijl Ward met kloppend hart door het fotoalbum bladerde, kreeg hij steeds sterker het gevoel dat Stephanie zijn vaders zus was. Hij vond het niet zo gek dat hij haar niet kende. Zijn opa’s kende hij ook niet. Zijn ouders hadden allebei geen contact meer met hun vaders. Maar waarom had zijn vader dan nooit over een zus gesproken?

Waarom die geheimzinnigheid?

Die avond, toen Fedde dankzij medicijnen van de dokter eindelijk sliep en zijn moeder naar een vriendin was, besloot Ward het zijn vader te vragen. Hij had al koekjes op zijn slaapkamer verstopt, voor het geval dat zijn vader onverwachts in woede ontstak en hij hem naar zijn kamer stuurde. De regen tikte nog steeds op de ramen, alsof hij nooit zou ophouden. Meestal vond Ward dat een geruststellend geluid, maar nu werkte het op zijn zenuwen.

Toen de vraag eruit was, hield hij zijn mond stijf gesloten. Zijn nagels drukten in het vel van zijn handpalmen. Zijn hart ging zo hard tekeer dat hij zwarte bolletjes zag en een rare smaak in zijn mond kreeg.

Zijn vader zat op de leunstoel in de woonkamer, met een boek op schoot en een kop dampende zwarte thee naast zich. De televisie stond aan, met het geluid uit. Hij reikte naar de afstandsbediening en zette de televisie uit. Legde het boek naast zich neer. Keek Ward aan.

‘Ik wil je een verhaal vertellen, maar dan moet je stil zijn en goed luisteren,’ zei zijn vader. ‘Ik ga het je namelijk maar één keer vertellen, van man tot man, en daarna hebben we het er nooit meer over. Begrijp je dat?’
Ward wist niet of hij dat deed, maar hij wilde het wel. Hij knikte.

‘Ga zitten.’

Hij nam de stoel tegenover die van zijn vader.

Zijn vader bleef een hele poos stil, sloeg hem gade alsof hij nog moest beslissen of hij het hem wel zou vertellen. Af en toe glimlachte hij.  

‘Stephanie was twee jaar ouder dan ik,’ zei hij uiteindelijk. ‘Je hebt misschien op de foto’s gezien dat ze op me leek, maar dat was alleen qua uiterlijk. Ze had last van bevliegingen, zoals onze vader – jouw opa – het noemde. Ze kon opeens gek zijn van nieuwe dingen. Ze had bijvoorbeeld haar balletfase, waarin ze er een paar weken lang van overtuigd was ‘s werelds beste ballerina te worden en soms midden in de nacht door de huiskamer danste en met tegenzin door mijn vader terug naar bed gebracht werd. Een keer was ze wekenlang na schooltijd bezig met egels redden. Ze werkte me eerlijk gezegd altijd een beetje op de zenuwen, want ze kon nooit stil zitten. In de auto wilde ze altijd spelletjes doen. Tijdens het avondeten wipte ze onrustig heen en weer, maalde ze het eten dat ze niet lekker vond tot balletjes en verstopte die in de planten in de vensterbank.

Toen ik negen was, net zo oud als jij nu dus, en Stephanie elf, gingen onze ouders scheiden. We bleven bij onze vader. Kort daarop kreeg onze moeder een baan in Frankrijk. Ze gaf ons een paar cadeaus en vertrok uit onze levens zonder er blijk van te geven dat ze het erg vond. Volgens mij had Stephanie het er zwaarder mee dan ik, al hield ze stug vol dat ze nooit veel om onze moeder had gegeven.’

Hij nam een moment de tijd om een slok van zijn thee te nemen. Ward rook de geur van citroen.

‘Toen ze twaalf was, begon ze weg te lopen van huis. Ik herinner me nog dat ik een avond wakker werd van geschreeuw beneden en dat ik op mijn tenen naar de overloop liep. Ik zag de vage gestalte van een politieagent, die één hand op de schouder van mijn zus had en met de andere tegen mijn vaders borst duwde. Mijn vader ging zo tekeer dat hij als een wild dier klonk. Ik zat een hele tijd op de overloop, terwijl mijn vader riep dat Stephanie zich moest leren gedragen en dat als ze zo doorging, ze helemaal niet meer thuis hoefde te komen.’

Hij liet weer een stilte vallen.

‘Maar er volgden daarna nog wel meer van dat soort avonden, die ik in mijn hoofd ‘overloopavonden’ noemde. Stephanie werd thuisgebracht door de politie omdat ze dronken over straat liep. Stephanie werd thuisgebracht door de politie omdat ze een raam had ingegooid. Ze was niet de enige geweest die dat had gedaan, maar wel de enige die gepakt werd. Ze ging om met een groepje jongeren dat een paar jaar ouder was dan zij. Ik hoorde het hele verhaal aan, terwijl ik bovenaan de trap zat, op de overloop, en me zo stil mogelijk hield. Een andere keer werd ze thuisgebracht door de politie omdat ze met een jongen uit dat groepje naar Frankrijk had proberen te reizen. Later werd ze thuisgebracht door de politie omdat ze iets had gedaan met haar vriendje wat je niet in het openbaar hoorde te doen.’

Zijn vader liet zijn stem een beetje dalen toen hij dat laatste zei, en Ward knikte een beetje, maar keek hem niet aan. Hij wilde geen kleur krijgen.

‘Toen kwam er een avond waarop de politie zonder Stephanie aan de deur stond. Ze was naar een feestje geweest en zou na afloop naar een vriendin gaan. Die vriendin was bezorgd geworden omdat ze daar nooit was aangekomen. Er waren nog geen mobiele telefoons in die tijd. Ze konden haar niet bereiken of achterhalen waar ze naartoe was gegaan. De laatste keer dat iemand Stephanie had gezien, was toen ze na afloop van het feestje op de fiets was gestapt. De politie suggereerde dat ze mogelijk in erg slecht weer terecht was gekomen.

‘Zulk slecht weer is het ook weer niet geweest,’ hoorde ik mijn vader zeggen, toen ik die avond op de overloop zat, mijn blote knieën tegen elkaar aangedrukt. ‘Het heeft niet gestormd of zo.’

‘Er stond een zware wind,’ zei de agent. ‘En als ze gedronken heeft…’

Als Stephanie een drankje teveel op had, wat vaak gebeurde, ook al was ze nog maar veertien, en ze was van het fietspad geblazen en in de sloot terechtgekomen… dronken mensen weten soms niet meer wat onder en boven was. Daarom kunnen ze verdrinken in een laagje water van twintig centimeter.’

Ward kon het zich bijna niet voorstellen, maar als zijn vader het zei, moest het wel waar zijn.

‘Politieagenten kamden de omgeving uit waarin Stephanie voor het laatst was gezien en legden de slootjes langs het fietspad droog, maar Stephanie was nergens te vinden. Speurhonden werden ingezet, maar het spoor liep al gauw dood. Het was net alsof Stephanie in rook was opgegaan. Alsof een ufo haar had opgestraald en naar een andere planeet had gebracht. Er werden posters in de buurt opgehangen, maar een paar weken later zag ik dat de posters waren weggehaald en er nu posters van een vermiste kat hingen. Lucy. Even was Stephanie het gesprek van de dag geweest, maar toen in het nieuws kwam dat ze een onruststoker was, een lastige tiener, en dat ze vaker gearresteerd was geweest en van huis was weggelopen, had niemand meer aandacht voor haar. ‘Gewoon weer zo’n geval dat is weggelopen,’ werd er gezegd. Na die grote zoektocht leek ook de politie er nog weinig energie in te willen steken. Stephanie vervaagde tot een kleine kleurenfoto in zwakke resolutie op een website voor vermiste personen, en dat was dat.’

Hij nam zijn kop thee van tafel en nam weer een slok. Er kwam nu niet meer zoveel damp van af.

‘Hebben ze haar niet meer gevonden?’ vroeg Ward. ‘Nooit meer?’

Zijn vader schudde zijn hoofd.

‘Dus je weet niet wat er met haar gebeurd is.’ Toen hij die zin uitsprak, kreeg hij kippenvel.

‘Als de politie denkt dat ze is weggelopen, zal ze wel weggelopen zijn. Al begrijp ik niet waarom ze nooit meer teruggekomen is. De meeste jongeren die weglopen, komen uiteindelijk vanzelf weer terecht. En trouwens… na al die tijd is het misschien beter om het niet te weten.’

‘Denk je dat ze is…’

‘Daar wil ik niet aan denken.’ Zijn hand klemde zich strakker om zijn kop thee. ‘Ga naar boven, Ward. Het is al laat.’

De toon in zijn vaders stem zorgde ervoor dat Ward daar niet tegenin ging.

 *

Zijn moeder zat met haar laptop in de keuken toen hij thuiskwam. Er lag een aangebroken rol chocoladebiscuitjes naast haar op tafel.

‘Je gelooft nooit wat ik onderweg naar huis heb gezien!’

‘Trek je schoenen uit, Ward. Ik heb net gedweild.’

Zijn blik gleed naar de kruimels op de vloer, maar hij besloot dat het beter was daar niets over te zeggen. Hij ging gauw naar de gang om zijn schoenen uit te trekken en haastte zich terug naar de keuken. Zijn moeder keek nauwelijks op van haar laptop.

‘Nou? Ga je me nog vragen wat?’ Zijn stem trilde van de opwinding, dat kon hij zelf horen.

‘Zeg het maar.’

‘Je gaat het echt niet geloven!’

Zijn moeder reageerde niet. Haar blik ging heen en weer over het beeldscherm van haar laptop. Hij wist dat haar zwijgen betekende dat hij to the point moest komen. Ze hield niet van onnodig rekken en onnodig lange gesprekken.

Hij vertelde over de takelwagen die de oude, verroeste auto uit de Vecht tilde, over de waterval van water die weer terug in de Vecht stroomde, over hoe de agenten de kofferbak openden. Hij sprak zo snel dat zijn tong bijna over de woorden struikelde en af en toe moest hij een adempauze nemen, maar het hele verhaal kwam er alsnog ratelend uit. Hij vertelde over de politieagenten die hem weg hadden gestuurd en…

‘Wat voor auto was het?’

Hij hield abrupt op in een zin en knipperde met zijn ogen. ‘Hè?’

Zijn moeders gezicht stond strak. Hij kon de spieren in haar kaken zien. Haar oogleden trokken zich omhoog en lieten een spierwitte rand oogwit boven haar groenblauwe irissen zien. ‘De auto die ze uit het water haalden. Wat voor auto was het?’

‘Weet… weet ik niet,’ stamelde hij. Waarom wilde ze dat weten? ‘Hij was helemaal bruin van de roest, zo lang heeft hij in het water gelegen.’

‘Kon je het nummerbord lezen?’

‘We stonden te ver weg. De agenten konden het volgens mij wel lezen.’

Hij was een beetje van slag door de vragen die ze stelde, maar ging toen weer verder over de mannen in witte pakken die even later verschenen en over hoe alles werd afgezet en er een wit huisje werd neergezet. ‘Michiel zegt dat dat betekent dat er een lichaam in lag. Dan moet iemand dat lichaam in de kofferbak gestopt hebben. Denk je dat hij verdronken is?’

Zijn moeder gaf geen antwoord, maar keek voor zich uit. Hij kon nog steeds die rand oogwit boven haar irissen zien.

‘Misschien komt het vanavond wel op het nieuws.’

Ze knikte.

‘Ik denk niet dat wij op het nieuws komen.’

‘Hmm?’

‘Michiel en ik. Er waren geen camera’s of zo. We werden weggestuurd.’

‘Vind je het gek? De politie kan geen dertienjarige pottenkijkers gebruiken.’

‘Als een lijk al jaren onder water ligt, is het dan stijf of slap?’

‘Gadverdamme, Ward! Laten we het ergens anders over hebben. Ik krijg hier de kriebels van.’

‘Oké… Wist je dat Michiel vanavond al op vakantie gaat?’

Hij wist dat hij zich met die vraag op dun ijs begaf – op flinterdun ijs. Hij hield zijn adem af en wachtte tot zijn moeder haar koude blik op hem richtte en hem zonder zelfs maar woorden te gebruiken naar zijn kamer stuurde. In plaats daarvan keek ze alleen maar voor zich uit. Alsof ze zich in een andere wereld bevond.  

 *

Die avond kwam ze naar hem toe. Ze stond in de deuropening, gekleed in het grijze sweatshirt dat ze droeg als ze ging hardlopen en een lange kakikleurige broek. Ze hield een ingepakte weekendtas in haar hand. In het schelle overlooplicht zag haar gezicht er nog bleker uit dan die middag.

Ze zei dat ze toch op vakantie gingen.