Welkomstdans

Zomerwende

Welkomstdans

Het kasteel stond er al toen de mensen arriveerden in het rivierdal. Opgetrokken uit maansteen, torenspitsen van antraciet die het sterrenlicht opzogen.


Het dorp in de bocht van de rivier was welvarend. De boerderijen floreerden, op de velden wuifde goudgeel het graan. Weerwolven en ondoden waagden zich er niet.


Een keer per jaar kwam hij naar buiten, de kasteelheer. Naar het midzomerfeest, in zijn koets getrokken door vier briesende paarden. Geheel gekleed in het zwart, ogen slangengeel boven een sjaal die bijna zijn gehele gezicht bedekte, koos hij zijn jaarbruid uit de dansende jonge vrouwen.


En immer weer liepen de dorpelingen, nog geen negen maanden later, door de hoog opgetaste sneeuw naar de gesloten poort van het kasteel, waar ze de jonge vrouw vonden, dood, haar buik zwartglanzend gezwollen.


Tot dit jaar. Tijdens de vorige herfstwende was een gehoornde duivel gezien die naar het kasteel vloog, bijgelicht door de maan. En toen de kasteelheer weer naar het midzomerfeest kwam, werd hij vergezeld door een vrouw met rode krullen en vossenoren. In haar armen had zij een baby met geeloranje ogen.


De dorpelingen juichten hun heer toe en nog nooit was de dans om de zomerzon te verwelkomen zo zwierig geweest.