De cirkel

De cirkel

De cirkel

Hij danste rond in de cirkel. Elke stap werd door het zachte mos gedempt. Om zich heen zag hij alleen nabije bomen, daar voorbij alleen duisternis. Het was avond nu. De derde, of was het de vierde? Hij danste al een paar dagen en nachten lang, onafgebroken.

Vanuit de paddenstoelen om hem heen keken lichtgevende ogen hongerig naar hem, terwijl handen onvermoeibaar plukten aan snaren en monden met scherpe tanden bliezen op fluiten.

De muziek hoorde hij al lang niet meer. Niet bewust, in ieder geval.

Ze was prachtig, de fee die hem de cirkel in lokte. Hij viel voor haar als het mes van een guillotine voor de nek van een aristocraat. Fladderend met haar vlindervleugels had ze hem door het bos geleid, naar de kring van paddenstoelen waar haar zussen wachtten.

Geesten van eerder verslonden slachtoffers dansten met hem mee. Ogen rolden spastisch in hun kassen. Ze klauwden repen vlees van hun gezichten. Ze lachten.

Speeksel gleed langs zijn kin naar beneden. Zijn linkeroog trilde. Vanuit het achterste van zijn keel kwam een oncontroleerbaar gegiechel naar boven.

De harpen en trompetten versnelden. Zijn voeten volgden slaafs het tempo. Wat zou het eerder begeven, zijn geest of zijn lichaam?