De Beul

De Beul #MicroDeur

De Beul

De vierendeling, kort na het ochtendgloren, verloopt voorspoedig. Hij ziet tevreden toe hoe drie heksen spartelend verdrinken, en tegen de tijd dat de abdijklokken het middaggetij aankondigen, vult de vertrouwde geur van verbrande ketter zijn neusgaten. Maar hoe verder de beul de zon naar het westen ziet afdalen, hoe heviger hij begint te transpireren. Telkens wanneer de priester een veroordeelde de laatste sacramenten toedient, reikt de beul met zijn hand onder zijn kap om het zweet van zijn voorhoofd te wissen. Het boegeroep van de samengedrongen meute, waar hij zich op andere dagen door laat opzwepen, maakt hem nu geagiteerd.

In het gladde staal van de opgeheven bijl meent hij, heel even maar, de gouden krullen te zien dansen. De ranke arm gestoken in brokaat, de vingers die liefdevol een harp beroeren, een melodie zo prachtig dat hij voor het eerst sinds zijn jongenstijd moet wenen.

‘Ahem.’ De man die bibberend voor hem knielt zoekt weifelend zijn blik op. Pas na vijf houwen van de bijl stuitert het struikrovershoofd van het schavot. De menigte joelt verrukt.

Boven hem kraken de schavotplanken onder voorzichtige voetstappen. De beul ziet voor zich hoe de strop om de dapper uitgestoken nek wordt aangetrokken. En dan, wanneer de klokken luiden voor de vespers, openen de houten deuren zich onder de sodomiet.

Het heerlijke geluid van knappend touw. Er zijn striemen die hij zal moeten verzorgen, later. Maar voor nu wiegt de beul zijn geliefde blonde edelman als een gespierde uitvoering van de piëta.