Kriebels

Kriebels

Kriebels

De paarse insecten zijn enorm en zitten door de hele slaapkamer. Ik denk maar één ding: weg hier! In blinde paniek gooi ik de dekens van me af en wil ik uit bed springen, maar iets houdt me tegen. Of nee, iemand. Nathan heeft zijn armen om me heen geslagen om me tegen te houden.

‘Rustig, rustig …’ fluistert hij sussend.

Is hij gek geworden? Ik probeer me los te wurmen. Hij laat het niet toe.

Ik wil het uitleggen, hem waarschuwen, maar de woorden willen niet komen. Wel gaat mijn ademhaling steeds sneller en voel ik me duizelig worden. Hij wiegt me zachtjes heen en weer en opeens kan ik het niet meer opbrengen. Aarzelend laat ik toe dat hij me op mijn rug legt. Ik draai mijn hoofd opzij en zie dat hij bezorgd is.

‘Wat was er nou?’

‘De paarse insecten.’

Hij zucht. ‘Liefje toch.’

Ik ben er nog steeds niet gerust op en dat ziet hij. Hij doet het licht aan en kijkt demonstratief de kamer rond. Natuurlijk zijn ze er nu niet.

Een paar minuten later slaapt hij weer. Ik zou dat ook wel willen, maar er kruipt iets over mijn been.