De eeuwige nacht

Duisternis

De eeuwige nacht

Het is half drie ’s nachts, ik ben klaarwakker. Overdag heb ik de concentratie van een volgevreten panda: geen. Kon ik maar eindeloos bamboe eten, voor mij smaakt alles naar karton. Ik proef niks meer, behalve dan de wrange smaak van depressie.

Om half zes ben ik nog wakker. Is mijn bed te koud? Te warm? Moet ik op mijn zij liggen? Of juist niet? Misschien moet ik de kat binnenlaten voor gezelligheid.

Zeven uur, mijn poezenbeest ligt in het gordijn, schemerlicht binnenlatend. Ik heb in ieder geval iets geslapen.

“Pluis, wat ben je toch een fijne wekker”.

Geen respons? Ik sta op en geef haar een aai. Ze voelt hard aan, als een opgezet dier met een heerlijk zachte vacht. Ogen open, star in het niets kijkend. Ze is dood. Ik voel niks. Ik voel helemaal niks terwijl mijn beste maatje me in de steek laat.

Te lui voor een BH, maar met een dikke bontjas aan loop ik op mijn sloffen naar het spoor. Helemaal alleen. Ironisch dat ik tijdens mijn laatste adem in het licht baad van de koplampen. De machinist moet me hebben gezien, precies op het moment dat mijn licht voor eeuwig dooft.