Broertje

Broertje

Broertje

Ik deed de deur open.

Eerst dacht ik dat hij gewoon was gaan liggen. Een rare gedachte, wie gaat er nu zomaar op de vloer liggen. Ik dacht hij maakt een grapje. Of misschien is hij in slaap gevallen. Hij doet altijd zo gek. Gisteren nog. Hij zat op het aanrecht met een pot pindakaas. Zat ie die hele pot leeg te eten. Met zijn vingers, en dan likken. Of ik een hapje wilde. Ik vond het een beetje vies, met zijn spuug en zo. Hij lachen. Ik moest ook een beetje lachen. Hij doet altijd van die rare dingen.

Deed. Hij doet niks meer. Hij ligt daar maar. Onder dat geruite ding. De buurvrouw kwam en heeft het tafelkleed over hem heen gelegd, voor tijdens het wachten, op hulp. Ik hoop dat ze snel komen. De ziekenauto, de brandweermannen, de politie. Dan komt alles goed.

‘Ze kunnen niks meer doen,’ zegt de buurvrouw steeds. Ze zegt ook: ‘Ik weet niet waar hij is. Hij neemt niet op.’

Vanochtend was papa hier nog. Hij zat daar in die stoel en dronk bier.

‘Ga naar je kamer,’ zei hij, ‘en neem je broertje mee.’

Papa is altijd een beetje eng als hij bier drinkt.

‘Ik ben niet bang,’ zei mijn broertje, ‘ik ben al vier.’

Ik was wel bang. Ik ging naar mijn kamer. Deur dicht.

Ik hoorde papa schreeuwen. Ik hoorde mijn broertje lachen. Daarna werd het stil.

En toen deed ik de deur open.