I - De prins

Prins, prinses en predestinatie

I - De prins

Het zwaard glom vervaarlijk in het warme licht van de haard. Met beide handen zwaaide prins Denzel de zweihänder door de eetzaal van Kasteel Basiliskentoorn. De verzilverde pareerstang, afgewerkt in scherpe reptielklauwen, flitste oranje, geel en rood bij elke beweging.

            Met veel moeite had hij zijn vaders zwaard van de grond getild, en verloor zich nu in het momentum van het vliegende staal. Denzel tolde door de ruimte, sloeg wijnkelken en zilverwaar van de tafel voordat de scherpe punt van het zwaard landde in de kop van het berenkleed in het midden van de zaal. Rode wijn droop via de pareerhaken van het zwaard de vacht van het ooit machtige dier in. De pommel, versierd met een norse kippenkop, keek de jonge prins streng aan.

            ‘Verdikkie,’ riep Denzel uit. De prins trok aan het zwaard, in een poging het los te krijgen, maar het was te zwaar en het berenschedel te stug. ‘Als vader erachter komt ben ik de pineut.’

            ‘Dat ben je zeker,’ klonk een stem achter hem, diep als ravijnen en donker als de onderkant van de aarde.

            ‘Vader!’ riep de jongen, die zich ineens heel klein voelde, verschrikt uit. ‘Het is niet wat het lijkt.’

            ‘Het lijkt alsof je met mijn zwaard hebt proberen te oefenen, het wapen te zwaar bleek en je de controle hebt verloren, waarop je de wijn en borden omver sloeg om vervolgens mijn kleed te vernielen.’

            ‘Zou u mij geloven als ik u vertelde dat de beer, die ik hier aan uw zwaard heb geregen, weer tot leven kwam en ik moest vechten voor mijn leven?’

            ‘Helaas zoon, de laatste dodenopstand was driehonderd jaar geleden, toen Norbart de Necromancer regeerde over het kille Noordland. En zelfs toen betrof het alleen mensen en huiskatten die uit hun graven herrezen.’

            ‘U heeft gelijk, vader. Dan is het inderdaad precies waar het op lijkt. Ik heb met uw zwaard geoefend, het wapen was te zwaar ben ik verloor de controle, waarop ik wijn en borden omver sloeg en uw kleed heb vernield.’ Denzel keek vol berouw, deels gespeeld en deels oprecht, naar de houten vloer.

            ‘Kom, kom, zoon. Geen reden om te treuren. We hebben wijn in overvloed. De gouden borden laten we rechtbuigen door onze smid. En de beer? Die was stoffig, oud en vol met luizen. Zelfs de honden gaan er niet meer op liggen. Ik ga voor een nieuwe jagen, binnenkort, en ik neem jou met me mee.’

            ‘Dank u, vader,’ zei de jonge prins, zijn ogen waren nog steeds naar de grond gericht.

            ‘Maar zoon, vertel mij eerst wat je deed met mijn zwaard. Waarom oefende je niet met een van de talloze botte zwaarden uit de oefenruimtes. De smid heeft zo zijn best gedaan om ze naar je postuur en gewicht te modelleren.’

            Denzel haatte het wanneer zijn vader sprak over zijn lichaamsbouw. Hij keek op naar de enorme man voor hem. De boeren zeiden van de koning dat hij half reus was, wanneer zij hun bier dronken in de taverne. Hoewel de prins wist dat het niet zo was, snapte hij wel waarom. Met twee meter twintig stak de koning boven al zijn onderdanen uit. Hij kon nergens op staatsbezoek gaan zonder zijn hoofd te stoten.

            Minstens zo indrukwekkend was zijn koninklijke baard, die wild was als wolvenvacht maar toch zacht als eenhoornmanen, en zwart als een raaf in de nacht. Boven op zijn hoofd was hij glanzend kaal, al zag zelfs zijn vrouw dit zelden. De koning droeg zijn kroon overal waar hij kon, zoveel hij kon. Het zware metaal met glanzend jade had zijn oren permanent naar beneden verbogen. De koning droeg de kroon vol trots, al maakte het rechtop staan in elk vertrek buiten zijn kasteel nog moeilijker dan het al was.

            De prins leek in geen enkel opzicht op zijn vader. Hij was klein waar zijn vader groot was, tenger waar zijn vader breed was. Waar de baard van de vorst glansde, glommen bij de troonopvolger enkel kale, bolle wangen. Zijn vader sloeg met zijn zweihänder in een enkele hand rotsen door midden, terwijl Denzel worstelde met het smeren van boter op zijn brood.

            Iedereen beloofde de prins dat hij net zo groot en sterk zou worden als zijn oude heer; zolang hij zijn zult maar at en zijn geitenmelk dronk, en zolang hij dagelijks bad tot de Goden van de Grijze Mist. Hij gehoorzaamde en deed alles wat hem werd verteld, maar niets leek te werken. Denzel bleef volhouden, omdat hij zelf geen beter alternatief wist.

            ‘Ik wil niet oefenen met stompe en botte zwaarden, vader. Ik wil het staal hanteren zoals u dat doet. Ik wil machtige draken verdelgen en zeegoden verdrinken in hun eigen bloed.’

            ‘Rustig jongen, je bent erg gewelddadig deze avond. Er is meer aan het koningschap dan koppensnellen. Ik heb al jaren niet meer hoeven vechten, en ik ben blij toe.’

            ‘Omdat u de rebellerende trollenlegers tien jaar geleden terug over de grenzen van Noirnia dreef! U was zo krachtig dat sindsdien geen trol meer onder zijn brug vandaan heeft durven komen.’

            ‘Dat vergt diplomatie en leiderschap. Een enkele man met een zwaard krijgt dat niet voor elkaar. Je moet nog veel leren, zoon.’ De koning zette zijn voet op de snuit van de beer en trok het zwaard uit het kleed. Een leeg, zwart gat gaapte naar het plafond. ‘Jouw tijd voor heldendaden komt nog, bovendien.’

            ‘Wanneer dan vader?’ vroeg Denzel ongeduldig. Diep van binnen hoopte hij dat een avontuur hem zou veranderen, zou doen groeien. Hij hoopte dat hij, wanneer hij vertrok als magere zwakkeling, terug zou keren als imposante overweldiger. Veroveraar van landen en vrouwenharten. De keukendames van het kasteel gunden hem geen blik waardig, hoezeer hij ze ook zijn gezelschap aanbood. Ze bleven altijd liever afwassen. Denzel droop telkens harder af dan de vaat in de afdruiprekken.

            ‘Je bent dertien nu,’ de koning stond met zijn handen op zijn rug voor het raam, en staarde naar buiten. ‘Je hebt nog vijf jaar scholing voor de boeg. Staatkunde, geschiedenis, theologie, bloemschikken, strategie en natuurlijk zwaardvechten. Na je vijf jaar van lessen ben je klaar voor je queeste. Niet eerder, niet later. Zo hoort het, zo is het altijd gegaan.’

            ‘Zoals u moeder heeft ontmoet, ga ik zo ook mijn echtgenote ontmoeten?’

            ‘Zo is het zoon. Zo zal het gebeuren.’

            ‘Vertel mij nog eens vader, over die jonkvrouwe die op mij wacht in die toren.’

            ‘Nogmaals?’

            ‘Nogmaals vader, alstublieft.’ Denzel had het verhaal al talloze keren gehoord, maar kon geen genoeg krijgen de vertelling over zijn toekomstige vrouw en de glorieuze tocht naar haar.

            De koning liep van het raam naar de kast aan de wand. Hij pakte er een groot, in leder gebonden, boek uit. Vervolgens liep hij naar de tafel en pakte twee gouden kelken van de grond met zijn vrije hand. Hij zocht een stoel die nog schoon was en zakte neer. Wolkjes stof ontsnapten toen het boek op tafel plofte.

            De edelstenen aan de geringde vingers van de koning staken fel af tegenover de aardenwerken kruik waar hij de wijn uit schonk.

            ‘Kom zitten zoon, en ik vertel je over je toekomst.’ De koning reikte de prins een glas wijn aan.

            ‘Wijn?’

            ‘Je moet eens een man worden. Laten we vandaag beginnen.’

            De zoete smaken verrasten de jonge prins aangenaam, maar al snel volgde de bittere nasmaak en de lichte branding van de alcohol. Zijn vader lachte en sloeg hem op de schouder. Denzel wist dat de koning zich inhield, maar het voelde alsof een paard hem trapte.

            De koning opende het boek met de bruine kaft en de dikke bladzijden. Muffe geuren van leer, papier en oude inkt kropen Denzels neus binnen.

            ‘Luister goed zoon. Ver hier vandaan is een zwart kasteel, met een zwarte toren…’

II - De prinses