1. Elle

Handen van Goud

1. Elle

Achteraf gezien waren de herinneringen goed.

Zijn armen om me heen, een zachte kus in mijn nek. Mijn handen door zijn haar, de geur van regen op zijn huid.

Achteraf gezien is alles beter, want achteraf gezien vergeten we dat bloed ooit gewoon rood was voordat we het met mooie woorden omtoverden in poëzie of muziek.

 

Ik ontmoette hem in de pub waar ik geregeld kwam om de wereld even te vergeten. Hij speelde op de piano.

Er was een wanhoop en een souplesse waarmee hij de toetsen aansloeg; hij was hiermee bekend. Voor hem was muziek therapie, zoals ik mijn therapie vond in woorden en kickboksen op donderdagavond. Frustratie kwijtraken. Onbegrip proberen te vergeten. Mijn zusje snapte dat niet, die drang die ik had. Ik prees haar altijd gelukkig daarvoor.

‘Ha, El,’ zei Brian die achter de bar stond. Brian had bij mij op school gezeten voordat hij zijn vriendin zwanger had gemaakt en had moeten stoppen om geld te verdienen. Ik geloof dat hij gelukkig was. ‘Zelfde als altijd?’

‘Ik hoop dat je wat beters hebt dan dat bocht wat je normaal schenkt,’ zei ik en ik zette mijn tas op de ene barkruk terwijl ik plaatsnam op de andere. Ik wierp opnieuw een blik op de jongen achter de piano. Het was een aftands ding, en vals ook. Ik had er ooit wel op gespeeld, op late avonden waarop ik teveel gedronken had om nog recht te kunnen lopen.

Soms had ik wat meer last van onbegrip en frustratie dan op andere dagen.

Brian grinnikte en zei: ‘Goedkoop is duurkoop en hier doen ze niet aan duurkoop, enkel goedkoop.’

‘Filosofisch,’ merkte ik op. Hij zette me een glas droge witte wijn voor en ik steunde met mijn hoofd op mijn hand, elleboog op de bar. Het kon me niet zoveel schelen dat het plakte. Het plakte hier altijd. Daarvoor kwam ik hier niet.

‘Ik weet het,’ zei Brian met een scheef grijnsje. Ooit was Brian knap geweest, stereotiep ook wel. Maar meisjes hoefden geen jongen van eenentwintig met een kind. Zelfs al was het zo’n droppie als Mila was. Deze jongen zou je geen villa’s kunnen geven, geen jurken en mooie auto’s. Het enige wat hij je kon geven was liefde en de lucht van verschaald bier als hij thuiskwam na een nacht werken.

Brian en ik hadden weleens gezoend, vroeger, op de middelbare school. Lang geleden. Andere tijden.

‘Hoe is het thuis?’ vroeg ik Brian. De pianist ging met een bruggetje over naar een ander nummer. Ik dacht hem te horen zingen, maar het geroezemoes van de andere vaste klanten overstemde het.

Brian vertelde over Mila en over burgerlijke, alledaagse dingen als hypotheken en de boodschappen. Hij vertelde over zijn vriendin en het nieuwe wasmiddel dat hij gekocht had wat weer niet goed was. Ik dacht aan mijn kamer op campus en ik dacht aan het wasmiddel wat in mijn vakje in de gedeelde waskamer stond. Wat was de laatste keer dat ik me druk had gemaakt om wasmiddel?

Ik wist het niet.

Volgens mij was dat nog nooit gebeurd.

Voor Brian zou een leven van een huis in een buitenwijk met twee kinderen, een labrador en een Volkswagen een droom zijn.

Ik moest er niet aan denken.

Niet dat ik wist wat mijn droom was. Ik zou willen dat ik zo ver was met mijn leven. Ik zou willen dat er zoiets was als het hebben van één passie, één doel.

Dat was er niet. Niet voor mij, althans.

Ik wist eigenlijk helemaal niet of ik wel was weggelegd voor grootse dingen.

‘Wie is de pianist?’ vroeg ik na een poosje, gebarend naar de kroegpiano in de hoek en de blonde jongeman. Hij droeg een geruit flanellen overhemd wat los om zijn schouders hing, duidelijk te groot. Zijn rug was gekromd, zijn bewegingen ingehouden, maar van het soort alsof hij ieder moment kon exploderen.

Brian wilde iets zeggen, maar zei niets. Hij zette een schoon bierglas neer op de bar – nu was het niet schoon meer – en veegde zijn handen af aan zijn smoezelige donkerrode schort. ‘Geen idee,’ zei hij toen maar. ‘Hij is hier al anderhalf uur. Hij speelt alleen maar.’

‘O.’ Ik draaide een lok van mijn korte haar om mijn vinger. ‘Let even op mijn tas,’ zei ik toen tegen Brian en ik sprong van de barkruk af.

De pianist hoorde me niet aankomen. Ik leunde voorzichtig tegen het gebutste hout aan en keek naar hem totdat hij me zou opmerken. Het was geen knappe man. Niet lelijk, dat ook niet, maar ook niet knap. Hij was smal en jongensachtig en zijn slordige blonde haar was duidelijk wat te lang. Het was zijn afgekeerde houding en ingehouden emotie die mij fascineerde en ik zou willen dat ik op dat moment nog had kunnen tekenen, want dan had ik hem vastgelegd.

Er was iets vreemds aan hem, iets wat mijn aandacht trok.

‘Teveel te vertellen maar niemand om het tegen te zeggen?’ vroeg ik hem.

Voor een kort moment bleven zijn handen boven de toetsen zweven en een glimlachje speelde om zijn lippen. ‘Teveel mensen die het willen horen, te weinig die echt luisteren,’ antwoordde hij toen.

Het was pas later dat ik erachter kwam wie hij was, al voelde zijn stem direct vertrouwd, alsof ik hem al jaren kende. ‘Waarom speel je hier?’ vroeg ik hem. ‘Ik heb je hier nog nooit eerder gezien.’

Zijn vingers speelden een vluchtig riedeltje. ‘Het doet me denken aan thuis, denk ik,’ antwoordde hij. In al die tijd had hij nog niet opgekeken.

‘Hm, oké,’ zei ik. Ik draaide aan de smalle zilveren ring die ik om mijn rechter middelvinger droeg. ‘Je speelt goed.’

‘Dank je.’

‘Dat klinkt ironisch. Ik meen het, hoor. Hoef je me niet voor belachelijk te maken.’ Ik fronste licht.

Toen keek hij op, een glimlach om zijn lippen die zijn ogen al jaren niet meer bereikt had, en toen wist ik het. Toen herkende ik die ogen die mij al weken aanstaarden vanaf de posters die de muziekclub had opgehangen in het hoofdgebouw, van de aankondigingen op Facebook. Toen herkende ik het gezicht van een jongen die zo plots zo hoog gerezen was, dat ik me afvroeg hoe het was om al je zekerheid in één keer te moeten verliezen.

‘Dat is het probleem,’ zei hij. ‘Ik hoor dat zo vaak, dat ik het steeds moeilijker begin te vinden om het te geloven.’

Ik was even stil, wist niet wat te zeggen. Wat zeg je tegen iemand die je kent van cd’s in de winkels, wiens muziek je dingen laat voelen waarvan je niet wist dat je die dingen nog kon voelen – iemand die je denkt te kennen, maar die je eigenlijk helemaal niet kent?

‘Kan ik je een biertje aanbieden?’ vroeg ik hem uiteindelijk maar. ‘Niet met een specifieke reden, anders dan dat je eruit ziet alsof je er wel eentje kan gebruiken.’

Dat was waar. Zijn haar was net een dag te lang niet gewassen en er zat een ketchupvlek in zijn overhemd. Er lagen wallen onder zijn ogen die ik kende van nachtenlang mijn ogen uit mijn kop janken – of anders gewoon een tentamenweek.

Hij keek me heel lang aan en glimlachte toen. ‘Ja, is goed, ik kan het inderdaad wel gebruiken.’

‘Ben je bereid je geliefde piano te verlaten om naast me aan de bar te komen zitten, of is dat teveel van het goede?’ grapte ik. Sarcasme was altijd mijn zelfverdedigingsmechanisme geweest.

‘Zolang jij je vriend achter de bar vertelt zijn glazen niet kapot te laten vallen zodra hij me ziet,’ antwoordde hij op dezelfde toon.

Ik snoof. ‘Er is niets verfijnds aan Brians muzieksmaak, als hij überhaupt al smaak heeft. Geloof me, er is geen mens in deze tent die je aan zal spreken, er zal hoogstens iemand naar je ID vragen.’

‘Dankjewel,’ zei hij. ‘Ik ben vijfentwintig.’

‘Ik ben eenentwintig, en dat zouden mensen ook niet van me zeggen.’ Ik wierp een blik op hem. ‘Over dertig jaar zijn we de wereld daar dankbaar voor.’

‘Dat is waar,’ zei hij. Hij was even stil, stak toen zijn hand naar me uit. ‘Sam. Keats.’ ‘Elle Delacroix,’ zei ik en ik nam zijn hand aan. Hij had zachte handen, maar sterk van het spelen. Verassend klein ook. Het beviel me wel.

‘Elle,’ herhaalde hij. ‘Mooie naam. Frans, is het niet?’

Mais oui. De taal van vakanties gevuld met strenge oma’s en veel te lekker eten.’

Hij schoot in de lach. Hij leek verlegen, wat me verbaasde.

‘Bier?’ zei ik vragend. Hij knikte. Gedachteloos gleden zijn vingers nog een laatste keer over de toetsen, voordat hij me achterna liep naar de bar. ‘Twee bier, graag,’ zei ik tegen Brian. ‘Eentje voor mij, eentje voor m’n pianovriend.’

‘Vrienden? Zijn we nu al vrienden, dan?’ zei hij op plagende toon terwijl hij zich op een van de vrije barkrukken liet zakken.

‘Ach, op avonden als deze maakt het niet zoveel uit hoe lang je elkaar al kent, zolang je maar in ieder geval net kan doen alsof je niet zo alleen bent als je met elkaar praat.’

Brian lachte en plaatste twee glazen bier op de bar. ‘Goh, El, ik wist niet dat ook jij met de jaren zoveel bitterder geworden was.’

‘Bitter als het bier wat je ons voorschotelt,’ mompelde ik afwezig, want ik wist dat hij gelijk had.

Ik was verbitterd. Door het leven, door vertrapte dromen, door verlies. Angst, misschien dat ook wel, en die eindeloze druk om perfect te moeten zijn.

Perfectie was niet aan mij besteed. Ik denk niet dat het aan iemand besteed was.

En toch had die druk altijd op mijn schouders gelegen, en ik had de kracht nog niet gehad om op te staan en het van me af te laten glijden.

 

Die avond praatten we over alles behalve het leven. Over alles behalve dat wat buiten de deuren van dit smoezelige café op ons stond te wachten. We praatten over dromen en over angsten, over alleen zijn waar je ook was – over familie, dat ook. Hij had een zus waar hij zielsveel van hield.

Hij lachte steeds wat meer naarmate de avond vorderde. Ik raakte hem telkens iets meer aan, en hij leek het niet erg te vinden.

Buiten in de regen – ik was vergeten dat het hier altijd regende – kuste hij mij. ‘Dankjewel, Elle,’ zei hij tegen me, ‘dat ik deze avond met je heb mogen delen. Ik zal het nooit vergeten.’

Toen wist ik het al. Bij dat allereerste moment.

Ik zou hem ook nooit meer kunnen vergeten.

2. Elle