Hoofdstuk 1

Oorverdovende Stilte

Hoofdstuk 1

‘Skye? Ik vroeg je wat.’ Ik zit op een lelijke, rode bank tegenover mijn psychiater. Ja, het is een psychiater en niet een psycholoog. Haar naam is Charlotte Austin en ik heb al gesprekken met haar sinds ik acht ben. Laat ik me mezelf even voorstellen. Hoi, ik ben Skyler Davis, zestien jaar en schizofreen.

Ik kijk op van de vloer. Ik heb hier al zo vaak gezeten, dat ik nu weet dat er vierentwintig houten planken op de vloer liggen. Dertig inclusief die onder het rode tapijt.

Charlotte kijkt me met een vragende blik terug. ‘Sorry, ik heb het niet meegekregen,’ zeg ik onzeker. Ik speel nerveus met het touwtje van mijn vest. Ik laat het ronddraaien en kijk toe hoe het een niet-bestaande schaduw achterlaat. Charlotte is ontzettend aardig, maar ik wil helemaal niet met haar praten. Het is niet nodig, maar mijn ouders, school en Charlotte staan erop dat ik deze gesprekken blijf houden.

‘Ik vroeg waarom je de borden kapot hebt gegooid.’ Ze laat een rust vallen, voordat ze verder gaat met praten. ‘Je moeder belde op en vertelde dat een aantal borden stuk waren. Ze dacht dat je weer een uitbarsting had. Ze is bezorgd, Skye. Ze wil niet dat je weer in een psychose belandt.’ Ze praat met een zachte en rustige stem. Op de één of andere manier kan ze nooit boos worden. Ze houdt zichzelf altijd onder controle. Zelfs als ik schreeuw, tier of helemaal niets zeg. Charlotte is altijd de rust zelve. Altijd.

‘Ik was gewoon boos.’ Ik praat tegen haar, maar ik kijk haar niet aan. ‘Mam zei dat het oké was. Ik moest alleen de nieuwe borden heel laten en dat heb ik gedaan. Het was niets. Echo heeft me hier niet toe gedwongen.’ Heel even kijk haar aan om te zien of ik haar heb overtuigd, maar het lijkt er niet echt op.

 

Schizofrenie is een ziekte waarbij je stemmen in je hoofd hoort. Ze vertellen je dat je iets moet doen en ze blijven zeuren tot je dat hebt gedaan.

Om eerlijk te zijn: dat heb ik, maar niet precies zo. Ik hoor geen stemmen; meervoud, maar een stem; enkelvoud en Echo zegt nooit slechte dingen, maar blijkbaar zit daar geen verschil tussen. Als je stemmen hoort ben je schizofreen. Punt. Het maakt geen zak uit of het nou goede dingen zijn of slechte dingen zijn, die de stem zegt, als je dingen hoort die er niet zijn, ben je gek.

Ik twijfel daar al aan sinds ik twaalf ben. Ik heb het opgezocht op het internet, nagevraagd bij bijna al mijn biologiedocenten en zelfs bij Charlotte. De definitie blijft hetzelfde, maar ik blijf van mening dat ik niet gek ben. Het klopt niet met het beeld, maar wie ben ik om een psychiater ervan te overtuigen dat ik niet gek ben?

Het nare is dat mam degene was die me dit heeft aangedaan. Oké, het is niet haar schuld dat ik dingen hoor die er niet zijn, maar zij heeft ervoor gezorgd dat ik het label “schizofreen” kreeg. Het is in mijn geheugen gebrand, als de dag van gisteren. Ik zat buiten, in het gras. Echo vertelde me een verhaal over de elfjes die tussen de grassprietjes leefden. Ik geloofde haar niet. Mam hoorde me praten en vroeg met wie ik aan het praten was. Ik, een meisje was van vijf, vertelde in al mijn onwetendheid over Echo. Ik vertelde haar in geuren en kleuren over de elfjes in het gras. Ik vertelde haar dat ik Echo niet geloofde, niet over de elfjes, maar niet alles wat ze zei was onzin. Mam vroeg door en ik vertelde dat Echo me influisterde wat te doen, of juist niet. Mam dacht dat het een denkbeeldig vriendje was. Dat was ze ook wel, maar het was niet denkbeeldig. Ze was echt en dat is niet veranderd.

Mijn ouders dachten dat het wel over zou gaan, naarmate ik ouder werd. Jaren gingen voorbij, maar Echo bleef. Ze praatte elke dag met me. Ik sprak terug. Soms kon ze haar mond maar niet houden, ze heeft geen rem. Bij de tijd dat ik acht jaar oud was, voerde ik nog altijd gesprekken met Echo. Ik leerde wel dat mensen me voor gek verklaarde als ze me hoorden praten tegen mezelf. Ik keek wel uit, maar mam betrapte me. Ik was in mijn kamer bezig met mijn huiswerk. Ik vroeg om hulp aan Echo en mam hoorde het gesprek. Vanaf dat moment is het allemaal bergafwaarts gegaan. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Gesprekken met de ene dokter en gesprekken met de andere. Uiteindelijk concludeerden ze maar dat ik schizofreen was. Het was niet eens zeker, maar ze wisten ook niet wat het wel moest zijn. Dat label heb ik tot de dag van vandaag nog steeds.

 

‘Wat heeft Echo dan gezegd?’ vraagt Charlotte. Ze heeft een pen en een kladblok op haar schoot liggen. Af en toe krabbelt ze iets op.

‘Niets, ik was gewoon kwaad. Kan dat niet?’ vraag ik iets te luid. Charlotte krimpt nog net niet in elkaar van mijn luide reactie.

‘Waarom was je kwaad? Wat is er gebeurd?’ vraagt ze rustig.

Ik zucht. Waarom moet er overal toch een reden voor zijn? ‘Ik haalde voor wiskunde een vier, terwijl ik zo hard had geleerd. Ik baalde zo erg. Het is al de derde op rij!’

Leugen. Het verhaal is deels waar. Ik ben ontzettend slecht in wiskunde, maar erg goed in talen. Echo daarentegen is dan weer heel goed in wiskunde. Zij zorgt er dan voor dat ik voldoendes haal. Door haar haalde ik een zeven, in plaats van de vier die ik hoorde te krijgen. Ik was niet boos omdat ik een laag wiskundecijfer had, maar omdat Echo me de hele nacht had lopen irriteren. Gelukkig heeft Charlotte geen toegang tot mijn rapportcijfers.

‘Ik kan begrijpen dat dat frustrerend is. Je had immers je best gedaan en hard ervoor geleerd. Kun je ook begrijpen dat je moeder is geschrokken?’ Ze buigt wat verder naar voren om meer tot me door te dringen.

‘Ja, dat snap ik,’ zeg ik, terwijl ik wat meer naar achteren buig. ‘Dat was ook niet de bedoeling. Ik wilde alleen mijn woede kwijt.’ Ik snap soms niet waarom ik sommige dingen niet kan doen zonder dat ik meteen weer naar de psychiater word gestuurd.

Toch knikt Charlotte en kijkt me aan. ‘Heb je nog vragen?’ vraagt ze na een lange stilte.  

Ik schud mijn hoofd. Nog een les die ik snel leerde: Hoe minder je vraagt, hoe beter. 

‘Hoe zit het met je medicijnen?’ vraagt Charlotte, terwijl ze een blad omslaat. ‘Heb je er nog genoeg? Werken ze nog?’

‘Ik heb er nog genoeg en ze werken prima.’ Weer een leugen. Ik slik die dingen nooit. Pillen zijn vreselijke dingen. Net vergif. Ik word er suf van en dan wordt Echo boos. Ze haat het als ze weg wordt gedrukt en ik houd er niet van als zij boos op mij wordt. Dus ik slik ze niet, probleem opgelost.

‘Oké, goed.’ Charlotte kijkt vluchtig op haar horloge en ziet tot haar schrik dat het uur al weer over is.  Charlotte staat op en trekt haar nette, veel te strakke rokje naar beneden. Ze steekt haar hand uit. Op een of andere manier sluit ze altijd af met een hand. Alsof ik dan gebonden ben om terug te komen. Ik pak haar hand en schud hem. Niet te hard, maar wel stevig. ‘Tot over twee weken,’ zegt ze met een kleine glimlach. Ze loopt naar de deur en houdt die voor me open. ‘Tot ziens en succes.’

‘Ja, tot ziens,’ antwoord ik, terwijl ik de koude gang op loop. Charlotte knikt nog eens en sluit de deur achter mij. Ik kijk nog even achterom en loop dan door de lege gang. De bankjes in de hal zijn leeg en de meeste deuren zijn dicht. Bijna alle kamers zijn donker en verlaten. Een voor een kijk ik naar binnen als ik voorbijloop. Alle kamers lijken op elkaar. Ze zijn allemaal even stijf en formeel. Alleen heeft de ene kamer een blauw tapijt, terwijl de andere geen tapijt heeft.  In de laatste kamer zit een man en een vrouw. Het is overduidelijk dat de man de hulpverlener is en de vrouw de cliënt. De man zit net zoals Charlotte, met zo’n clipboard op schoot en een net pak aan. De vrouw huilt, ik vraag me af waarom.

Ik loop verder naar het eind van de gang. Verder zijn alle kamers gesloten. Blijkbaar zijn er op donderdag niet veel mensen die met psychiaters praten. Behalve ik.

‘Dat ging toch goed?’ vraagt Echo, wanneer ik bijna aan het eind van de gang ben.

‘Ja, echt super. Dank je dat je me aanmoedigde en me hebt gesteund tijdens het gesprek! Echt toppie!’ Chagrijnig druk ik op het knopje van de lift. Als er niets gebeurt, druk ik nog eens en nog eens. Ik weet dat het niet helpt, maar het voelt wel goed.

‘Ik probeer je alleen maar te helpen!’ roept Echo uit. Ik negeer haar. Ze heeft al genoeg schade aangericht. Gelukkig pakt ze het signaal snel op en houdt ze zich stil. Met een “ping!” geluid gaan de liftdeuren open. Als de deuren opengaan zie ik mezelf in de reflecterende achterwand van de lift. Ik staar naar mezelf. Ik zie er nog steeds hetzelfde uit. Gelukkig ben ik qua uiterlijk niet veranderd na dit opbeurende gesprek. Ik stap naar binnen en druk veel te vaak op het knopje van de begane grond.

‘Stop maar! De deuren snappen het wel!’ roept Echo als ik al meer dan tien keer op het knopje naar beneden heb gedrukt.

‘Sinds wanneer kan jij met deuren praten? Ik dacht dat je maar een stem was, niet een deurenfluisteraar.’ Voor de laatste keer druk ik op het knopje en de deuren schuiven tergend traag dicht. Ik voel een kleine schok, wanneer we naar beneden zoeven.

‘Sinds wanneer kun jij alleen maar tegen mij katten?’ roept Echo gefrustreerd uit.  ‘Het spijt me, oké. Is dat wat je wilt horen? Sorry. Ik had je niet moeten irriteren. Ik had mijn mond moeten houden.’

‘Ja dat had je zeker moeten doen!’ schreeuw ik in de lift. Ook al is de lift niet groot, mijn stem echoot een paar keer door de kleine ruimte. Dan kijk ik angstig om me heen om te kijken of iemand me heeft gehoord. Gelukkig ben ik alleen en zijn we nog niet beneden.

‘Sorry!’ roept Echo voor de derde keer. ‘Wat moet ik doen om je op te laten houden? Ik kan er niet tegen als jij boos bent.’ Ik hoor aan haar stem dat ze het meent en daar ben ik blij om. Ze kan dan wel heel kattig doen en heel bazig, maar ze heeft wel altijd het beste met mij voor.

‘Je moet me laten slapen vannacht. Dat is alles.’

‘Goed, ik houd mijn mond.’

‘Dank je. Daar ben ik blij mee.’ Precies op het moment dat ik ben uitgepraat komt de lift tot stilstand. De deuren schuiven open en ik sta op de begane grond van het gebouw. ‘En nu nog thuiskomen,’ mompel ik. Ik stap de lobby van het gebouw in en loop naar de uitgang. De secretaresse kijkt op van haar werk als ik voorbijloop.  Ik ga naar buiten en kijk de drukke straat over. De lucht reflecteert mijn stemming perfect: Grauw en donker.

Ik ga op het vochtige stoepje staan aan de rand van de weg. Auto’s van alle soorten en maten racen voorbij. Ik staar over de weg en wacht tot ik een gele auto zie met het bordje “taxi” bovenop. In de lange stroom met auto’s zie ik er eindelijk eentje. Ik steek mijn hand uit en de gele wagen manoeuvreert zich naar de stoep. Hij komt met piepende banden tot stilstand. Ik trek de deur open, stap in en sluit de deur achter me. Eindelijk kan ik naar huis.


Hoofdstuk 2