Hoofdstuk 1

De Grijze Jager, De Vermoorde Koningin

Hoofdstuk 1

‘Kom op, Sabrina,’ spoorde ik mijn paard aan. ‘We laten die slakken eens zien wat snelheid is.’
‘Wie noem jij hier traag?’ riep Gilan me toe. ‘Bles en ik winnen met gemak van jullie.’
Lachend schudde ik mijn hoofd terwijl we de heuvel afstormden.

Het was één van onze zeldzame vrije dagen, en we hadden besloten om een wedstrijdje te houden.

Ik boog me nog verder over Sabrina’s nek zodat we nóg sneller zouden gaan. Uit mijn ooghoek zag ik Gilan naast me hetzelfde doen.
De wind blies mijn bruine haar naar achteren en mijn ogen tranen, maar dat deed me niks. Voor mij was er geen fijner gevoel op de hele wereld dan het gevoel dat je krijgt als je galoppeerd met naast je je beste vriend. Voor heel even kon ik al mijn problemen vergeten.

Gilan begon me in te halen en de finish was al in zicht. De finish was Halt’s, en sinds drie jaar, ook ons huisje. Nek-aan-nek stoven we over het pad. Vanaf nu was het pad een rechte lijn en we gingen zelfs nog sneller dan eerst.

Tegelijkertijd kwamen we aan bij de boom die we als finish gebruikten. Zoals altijd waren onze paarden weer even snel.

Breed lachend keek ik mijn vriend aan. ‘Gefeliciteerd. De volgende keer maken we je in.’
Hij lachte. ‘Ik denk niet dat die dag ooit zal komen. Maar,’ voegde hij er een tikje verdrietig aan toe, ’waarschijnlijk ga ik jou ook nooit verslaan.’
Ik grijnsde hem alleen maar toe en steeg af.

In de stallen zadelde ik Sabrina af en borstelde haar. Nadat ik daarmee klaar was, veegde ik een pluk haar uit mijn gezicht en pakte een appel. Dankbaar vermaalde mijn paard de appel. Ik aaide nog even over haar nek en liep de stal uit.

Mijn eikenblad was tijdens de rit onder mijn shirt vandaan gevallen en ik pakte het vast. Ik herinnerde me de dag dat ik het kreeg, nu alweer twee jaar geleden, nog als de dag van gisteren. Crowley maakte er een heel spektakel van, maar na een halfuur waarin Gilan en ik bijna dood gingen van de zenuwen, gaf de commandant ons dan toch ons bronzen eikenblad.

Ik kneep mijn hand zo hard dicht dat ik het metaal pijnlijk in mijn hand voelde prikken en stopte het weer terug onder mijn shirt.

Mijn blik viel op Halt, die zwijgend op de veranda stond en me aanstaarde. Zijn gezicht was uitdrukkingloos als altijd, maar ik kende hem ondertussen goed genoeg om te weten dat er iets was. Ik aarzelde geen seconde, en liep snel naar hem toe.

Toen ik naast hem stond, overhandigde hij mij zwijgend een brief. Iets in zijn blik verbaasde me. Was het medelijden? Ik wist het niet, maar besloot me er later druk om te maken.

Ik richtte mijn blik op het zegel en herkende dat van mijn ouders. Geschrokken keek ik ernaar. Sinds ik weg was gegaan uit kasteel Gallica, had ik niks meer van ze gehoord. Mijn moeder had besloten dat ik haar brieven niet waard was, en dat ik vond prima. Maar blijkbaar was er zo iets ergs gebeurd dat ze me toch op de hoogte wilde of moest brengen.

Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn haat en met trillende vingers verbrak ik het zegel. Ik rolde de brief uit en begon te lezen.

Beste Carly,

Ik weet dat we al jaren geen contact hebben gehad, maar ik dacht dat je dit wel wilde weten. Ik weet niet hoe ik het je moet zeggen, dus zeg ik het maar gewoon: je moeder is overleden.

Als je dit leest is ze ongeveer al een week dood. Ik smeek je om naar Gallica toe te komen voor de begrafenis. Ik weet dat jullie band slecht was, maar diep van binnen had Isabella gewild dat je kwam. En ik denk jij ook.

Ik dwing je nergens toe, maar ik kan je steun wel gebruiken. Ik ga je niet vervelen met politieke details, maar het gaat allemaal niet zo goed.

Met vriendelijke groet,

Koning Hendrik van Gallica

Je vader

Geschokt liet ik me op een stoel neerploffen. Ik staarde voor me uit, maar ik zag niets.
Gilan, die er ook bij was komen staan, legde zijn hand op mijn schouder. Dat haalde mij uit mijn verdoving. ‘Wat is er?’ vroeg hij zachtjes.
‘Mijn moeder,’ ik haalde diep adem, ‘is dood.’

Hoofdstuk 2