Hoofdstuk 1

De Grijze Jager, De Leerlinge Uit Gallica

Hoofdstuk 1

Ik schreeuwde mezelf wakker.

Hijgend deed ik mijn ogen open. Beelden van het vuur dat mijn huis verbrandde samen met de lijken van mensen en dieren. Het geschreeuw van mijn ouders, het wrede gelach van de mannen van D. Het gekletter van wapens, dat alles speelde zich voor mijn ogen af. Ik schudde mijn hoofd om het helder te krijgen.

 Het was maar een nachtmerrie. Nou ja, een nachtmerrie zou ik het niet noemen, eerder een herinnering die me in mijn slaap kwelt.

Ik keek naar de stand van de zon; het was nog vroeg. Ik wist dat slapen toch niet meer zou lukken, dus maakte ik mijn riem los van de tak van de boom waar ik de nacht in had doorgebracht. Die riem was er zodat ik niet uit de boom viel als ik me omdraaide, of zoals daarnet, weer en nachtmerrie had. Ik kan je vertellen, wakker worden doordat je uit een boom valt is geen pretje.

Ik sprong met mijn tas en wapens uit de boom. Ik nam even een momentje om mijn omgeving, leunend tegen de boom waar ik de nacht ervoor in was geklommen, in me op te nemen. Ik houd van dit moment van de dag, als het nog zo rustig is. Een moment kan ik al mijn problemen vergeten, kijkend naar de bomen en planten die bewegen in de wind, luisterend naar het zingen van de vogels en dat alles verlicht door de opkomende zon. Ik staar zo een tijdje voor me uit, tot mijn knorrende maag van zich laat horen.

Ik deed mijn riem om, en controleerde daarna of alles er nog was. Het was meer een gewoonte, dan dat het echt nodig was. Ik wist gewoon dat er niks weg was. Nadat ik mijn deken van die nacht in de tas had gedaan en die over mijn schouder had gehangen, deed ik hetzelfde met mijn pijlenkoker. Mijn boog hield ik in mijn linkerhand.

Ik rommelde tegen beter weten in, in mijn tas. Misschien zit er nog wat fruit ofzo in. Het was verspilde moeite. Dan maar mijn vallen controleren. Ik hoopte maar dat daar wat inzat, want de afgelopen dagen had ik alleen maar lege vallen aangetroffen. Terwijl ik door het bos liep, was ik alvast aan het bedenken wat ik kon doen als ik weer niks gevangen had. Ik kan een paar boerderijen overvallen, maar dan kan ik hier niet zo lang blijven. Hooguit een paar dagen, daarna begint het op te vallen en gaat de wacht weer achter me aan zitten. Het laatste wat ik wilde was te worden opgepakt voor diefstal, alweer. En, ook al wilde ik het niet toegeven, vond ik het fijn hier in de bossen van Redmont ook al had ik niks te eten. Ik was ondertussen bij mijn eerste val aangekomen, leeg. Zo ook de tweede en derde. Ik begon de hoop op voedsel op te geven. Op dat moment hoorde ik het geluid van stromend water. Na me door een paar gemene struiken met doorns te hebben geworsteld, kwam ik aan bij een stroompje. Groot was het niet, maar het water zag er helder uit. Nadat ik mijn veldflessen had bijgevuld en wat water recht uit het stroompje had gedronken om mijn maag stil te krijgen, gooide ik wat water in mijn gezicht. Met een druipend gezicht keek ik naar mijn spiegelbeeld in het water: een smal gezicht met een bleke huid, grote bruine ogen, een kleine neus en mond en bruin golvend haar wat nodig gewassen moest worden. Ik bond het bijeen in een vlecht die ik over mijn linkerschouder liet hangen zodat het niet in de weg zat. Ik kan het beter afknippen. Het was niet de eerste keer dat ik dat dacht. Misschien kan ik voor een jongen doorgaan en een baantje krijgen. Mijn hand ging al uit naar het mes aan mijn riem, maar stopte toen. Ik ging het toch niet doen. Waarom weet ik niet, maar ik wilde mijn lange haar houden.

Ik stond op. Naar de laatste strik dan maar. Hij was, tot mijn minst geringste verbazing, leeg. Maar net toen ik halverwege een boom was om te kijken waar de dichtstbijzijnde boerderij stond, zag ik een hinde door de bomen de open plek betreden waar mijn val lag. Het dier had me nog niet geroken. Zo zacht als ik kon klom ik naar beneden. Doordat ik mijn gewicht erop plaatste, knapte een takje. Ik bevroor ter plekke. De hinde keek verschrikt op van het gras dat ze aan het eten was. ik hield me stil. Na een paar minuten besloot ze dat het niks was. Met mijn strik kon ik haar niet te pakken krijgen, die was alleen bedoeld voor kleine dieren zoals konijnen en vogels. Gelukkig had ik een pijl en boog, en kon ik er ook nog een beetje mee overweg. Tergend langzaam pakte ik een pijl uit de koker en bracht mijn boog omhoog, me ervan bewust dat als ik nu een geluid zou maken mijn kans op vers vlees verkeken was. ik spande de boog, en richtte op het hart. Ik stond op het punt om de pijl weg te schieten, toen ik opeens een stem achter me hoorde. ‘Dat zou ik maar niet doen, als ik jou was.’

Hoofdstuk 2