Mijn ruimtekaars

MIJN RUIMTEKAARS

Mijn ruimtekaars

“Droom zacht over een kleurrijke planeet, waar kaarsjes groeien op paddenstoelen, om vervolgens op te stijgen in een mini-ruimteschip. Ze zweven door het heelal, eeuwig brandend, en af en toe schijnen ze je even bij. Kijk naar boven, naar de sterren, daar zie je er al een paar.”

Elke avond, keer op keer, vertel ik haar een ‘droom zacht’-verhaaltje. Meestal kort, niet langer dan een paar zinnen. Vaak gebaseerd op een eerder gesprek of idee wat haar destijds blij maakte. Blij. Het woord klinkt pietluttig, maar haar speelse glimlach heb ik altijd als groots beschouwd. Die glimlach was het die mij motiveerde en elke avond opnieuw inspiratie gaf. Deze glimlach, ontstaan als ik mij liet leven in haar dromen, leeft in mij.

“Droom zacht over een bos vol met klimbomen en gigantische lichtgevende paardenbloemen. En als ik als een aapje in de boom hang, buig ik naar jou, om je een zachte kus te geven.”

Maar nu, nu voelt mijn huis altijd leeg, eenzaam. Zijn mijn ‘droom zacht’-verhaaltjes opgedragen aan een beangstigend leeg bed, een koude steen, soms de sterren. Is inspiratie een privilege wat ik niet langer bezit.

“Droom zacht, mijn kind. Droom zacht tussen de ruimtekaarsen.”