Ella-Roos

Ella-Roos

Ella-Roos

Ella-Roos had vele dromen, dacht ik.

Ella-Roos was liefelijk als de bloem waarnaar ze vernoemd was, haast alsof haar ouders dat altijd al geweten hadden.

Ze was frêle — met dunne armen en lange, soms ietwat onvaste benen — en had een huid die bleek was als sneeuw, maar goud oplichtte wanneer deze werd gekust door de zon.

In de zomer droeg ze zomerjurkjes die haar lenige lichaam zo licht deden lijken, dat ik verwachtte dat ze zou gaan vliegen. Soms vergat ik dat het kleren waren — dat ze geen deel van haar waren — en moest ik een paar keer met mijn ogen knipperen voor ik doorhad dat ze de zon zelf niet op haar lichaam droeg.


Toen Ella-Roos verdorde, begreep ik pas dat zij geen echte dromen had. 

Toen ze haar geknakte ledematen vonden naast de brug, op de stenen, en ze het omhulsel dat ooit Ella-Roos was geweest aan land droegen, wist ik pas wat ik nooit eerder had willen zien.

Ella-Roos had helemaal niet veel dromen, zoals ik altijd had gedacht.

Nee.

Nee, nee, nee.

Ella-Roos was enkel de droom geweest die wij altijd van haar hadden verwacht te zijn.