Geschiedenisles op de #ss Rotterdam

Geschiedenisles op de #ss Rotterdam

Geschiedenisles op de #ss Rotterdam

Mijn oom is met zijn eenentachtig jaar in zijn hart hij nog steeds de jonge zeeverkenner, die hij als 12-jarige jongen al was. Hij is gek op water, schepen, de stad Rotterdam en op onderzoek uitgaan, iets dat hij nog steeds veelvuldig doet. Hij is wekelijks in verschillende archieven te vinden, speurend naar alles wat hij over zijn favoriete onderwerpen vinden kan.

Hij was de oudste zoon van een gezin van vijf, opgegroeid aan de Westzeedijk, vlakbij de Leuvenhaven, in Rotterdam. Daar had hij bijna uitzicht op het statige hoofdkantoor van de Holland Amerikalijn, de HAL, aan de Wilhelminakade. In 1953 werd hij er, nog geen 16 jaar oud, aangesteld als jongste bediende. Tot begin jaren zeventig bleef hij er werkzaam, in verschillende functies. Zijn liefde voor het bedrijf is nadien gebleven. Zijn flat in Overschie hangt vol met prenten van verschillende schepen van de HAL. Nog altijd maakt hij elk jaar cruises. De bestemming maakt hem niet zo uit. Het varen is waar het hem om gaat. Eind april dit jaar vertrekt hij weer.

Mijn oom heeft met zijn liefde voor varen en avontuur een bepalende factor gespeeld in zijn gezin. Hij verliet eind jaren vijftig de veilige thuishaven van Rotterdam voor Hoboken, New Jersey, een plaatsje gelegen aan de andere oever van de Hudson rivier, tegenover de stad New York. Het was de plaats waar de schepen van de HAL aanmeerden en waarvandaan ze weer vertrokken. De broer en zus, na hem, volgden hem al snel naar de Verenigde Staten. Zij bleven er. Hijzelf verruilde midden jaren negentig Hoboken weer voor Rotterdam, om er zijn pensioendagen te slijten, dichtbij zijn twee jongste zussen en hun gezinnen. Sindsdien werkt hij met verve aan het verder uitbreiden van zijn indrukwekkende archief.

Ik kom graag bij hem op bezoek. Hij zit vol verhalen over vroeger, verhalen, waar ik van smul. Prachtig vind ik het dat hij de wervingsadvertentie in de krant, alsook de brief, waarmee hij destijds werd aangesteld bij de Holland Amerikalijn, nog bezit.

Op een van mijn bezoekjes aan mijn oom vertelt hij over de lezing die hij zal geven voor Vereniging De Lijn, de vereniging van oud-medewerkers van de HAL. De lezing gaat over het lot van de vloot ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

Ik bied aan hem te chauffeuren en aanwezig te zijn als hij zijn verhaal doet. En dus ben ik erbij, in de sky room van de SS Rotterdam. Alle ramen staan wagenwijd open. Ondanks dat is het erg warm, uitzonderlijk warm voor april. Mijn oom vertelt honderduit over het bombardement, hoe de schepen Rotterdam niet meer konden uitvaren omdat de Duitsers de Nieuwe Waterweg hadden volgegooid met mijnen. Hij vertelt ook over het lot van schepen buitengaats en over alle schepen die verloren gingen. Er zijn ook dia’s met rokende schepen, uitgebrande schepen. Het bejaarde gezelschap luistert geduldig, maar na 1,5 uur maakt de voorzitter er een eind aan. Dat vindt mijn oom wel jammer. Hij had nog willen vertellen over kapitein Filippo’s zogeheten zeemanspot. Vlak na de bevrijding werd de kapitein gehuldigd bij zijn Rotterdamse woning voor zijn financiële hulp aan achtergebleven zeemansvrouwen.

Hij kent de SS Rotterdam op zijn duimpje en stelt bij vertrek een doorsteek voor buitenom, maar helaas is die inmiddels afgesloten. We nemen daarom, net als de anderen, de lift naar het Lido-dek, waar we iets gaan drinken op het terras. Er is geen schaduwplek vrij. We nemen plaats in de volle zon.

Kinderen waden zich met waterpistolen door het ondiepe water van wat eens een indrukwekkend dek-zwembad was. Ik vraag mijn oom of hij zich de dag van de bevrijding kan herinneren. Hij was acht jaar.

‘Wel, je moet niet denken dat de bevrijding precies op één dag was.” zegt hij. “De eerste meidagen waren erg onzeker. De Canadezen kwamen her en der de stad binnen met chocola en sigaretten en er werden vreugdevuren ontstoken, maar mensen die de Nederlandse vlag hesen werden ook nog gefusilleerd door de Duitsers.’

Hij toont me de holte van zijn arm. Daarin staat een rechthoekig littekentje. Hij wrijft erover alsof hij een pluisje wegveegt.

‘Ik weet niet of je het kunt zien, maar hier heb ik een brandwond gehad.’

Hij was gaan kijken bij zo’n vreugdevuur en had een gloeiendheet stuk prikkeldraad tegen zijn arm gekregen. De plek was gaan ontsteken. Hij moest naar het ziekenhuis en dagen blijven.

‘Geen feest voor jou dus?’

Hij knikt van nee.

‘Echt feest was het pas op Koninginnedag, op 31 augustus 1945. Alle Rotterdamse schoolkinderen brachten voor het stadhuis een aubade aan koningin Wilhelmina. We zongen “Waar de blanke top der duinen” en het volkslied.’

Resoluut staat hij dan op. ‘Ik moet echt uit de zon.’ besluit hij.

We rekenen af en hij gaat nog even naar het toilet.

In de auto zet ik de ventilatie hoog. Zijn grijze haren wapperen lichtjes, terwijl hij de SS Rotterdam een laatste blik toewerpt en uitkijkt over de Maashaven

Dan draait hij zijn hoofd naar mij toe, geeft een tikje op zijn computertas. Binnenkort wil hij naar Middelharnis. Hij hoopt daar in het stadsarchief iets te weten te komen over de geschiedenis van de naamgeving van het schip de Statendam. Wederom bied ik aan met hem mee te gaan.