Smikkelen op de #ss Rotterdam

Smikkelen op de #ss Rotterdam

Smikkelen op de #ss Rotterdam

Mijn vader heeft zijn baan, en daarmee zijn carrière, bij de Holland Amerikalijn, de HAL, bijna in rook zien opgaan vanwege een schranspartij op de SS Rotterdam. Hoe dat kwam?

We zijn in Rotterdam, hartje winter 1965, wanneer mijn vader, Martin Kooijman, zijn diploma van de opleiding Civiel personeel ter koopvaardij, in de volksmond de Hofmeesterschool, in ontvangst neemt. Het was twee maanden voor zijn 18everjaardag en in alle opzichten een spannende dag voor hem en de andere kersvers gediplomeerden. Niet alleen was de missie volbracht; op deze dag konden ze tevens gerekruteerd worden voor een baan als kelner. De recruitment officers van de HAL stonden zij aan zij met die van andere scheepvaartmaatschappijen in de zaal opgesteld. Een baan verwerven bij de HAL, met zijn chique overzeese cruises, was wel het hoogst haalbare. De opleiding werd weliswaar medegefinancierd door de HAL, maar uitzicht op een baan bij de HAL was er beslist niet. De lovende woorden van Martins leraar aan zijn adres over zijn hoge cijfers voor menu- en talenkennis, de hoogste cijfers van klas, maakten echter indruk.

De official van de HAL sprak hem meteen aan bij de uitgang van de zaal. Hij kon een vast contract tegemoetzien als commis, zeg kommie, als in “Kees kom ie eten?”. Commis is de aanduiding van een kelner op een schip.

Zijn eerste reis maakte Martin op de Maasdam, één van de wat oudere schepen in de vloot. De reis voerde naar Quebec met aan boord voornamelijk emigranten van Nederlandse, Franse en Ierse komaf. Op de heenreis mocht mijn vader, met zijn 17 jaar, niet meteen in de diningroom werken en dus ook nog niet als commis aan de slag. Hij begon zijn carrière bij de HAL daarom als bell boy, gasten vervoerend in de lift. Voor deze functie moest hij zich speciaal bij de firma Cohen aan de Westzeedijk, een kostuum laten aanmeten en dat zelf aanschaffen. Het was een groen kostuum waarvan de revers donkergroen waren ingelegd. Ik probeer me hem erin voor te stellen, met zijn vlasblonde haren en zijn staalblauwe ogen. Er zijn van die eerste dagen geen foto’s.  

Lang heeft hij geen plezier gehad van deze dure investering. Een dag na zijn 18e verjaardag, twee weken na vertrek uit de haven van Rotterdam, mocht hij wel aantreden als commis. Het enige dat hij van het kostuum nog kon gebruiken was de groene broek. Een smokinghemd en smokingjasje werden hem ter compensatie verstrekt.

De restaurantdeuren en een geheel andere wereld gingen voor hem open. Het restaurant zoemde van de bedrijvigheid. Er heerste een strakke orde. Het restaurant werd met welhaast militaire precisie gerund. De taak van de jongste bediende, de commis, was het ophalen van de bestellingen uit de keuken en het klaarzetten ervan op de rechaud. Een commis de rang, stond daar net een trapje boven. Hij serveerde de gerechten uit aan tafel in een bepaalde sectie, oftewel rang. Ook had hij ingewikkeldere klusjes als het fileren van vis aan tafel of het flamberen van gerechten. De bestellingen opnemen dat deed dan weer een chef de rang. Hij zorgde ervoor dat de gasten een mooie avond hadden. Hij maakt een praatje met ze, terwijl commiezen juist niet met gasten behoorden te praten. Volgende in rang was de hofmeester. Hij waakte over een aantal rangen in het restaurant. Hij was het die speciale wensen van gasten kon realiseren, buiten de kaart om. De allerhoogste in rang in het restaurant was de chef-hofmeester. Hij was de absolute opperbaas en was verantwoordelijk voor onder meer de voorraden en de inkoop.

 

Naast het verzorgen van de enige vier 1e klas passagiers, de emigranten aan boord reisden veelal 2eklas en hadden hun centen doorgaans in andere zaken geïnvesteerd, was het op die eerste reis de taak van mijn vader om de hofmeester 1eklas te voorzien van zijn natje en droogje. Mijn vader had deze hofmeester met zijn skills geïmponeerd. De hofmeester beval hem meteen bij terugkomst van zijn eerste reis naar het kantoor van de HAL te gaan en op aanbeveling van hem overplaatsing naar de SS Rotterdam aan te vragen. Op de SS Rotterdam kon mijn vader als commis veel meer leren en sneller carrière maken, zo zei hij tegen mijn vader.

Aldus kwam mijn vader te werken als commis op de SS Rotterdam. Het was hard werken. Werkdagen van wel 14 uur waren geen uitzondering, maar er werd goed voor je gezorgd, vertelt mijn vader. Na een lange werkdag kon je voor 10 dollarcenten een biertje drinken in de mess. Drie keer per dag werd daar ook een eenvoudige maar voedzame maaltijd gereserveerd. Snel leerde mijn vader de kneepjes van het vak van serveren, en ook van dat wat “afserveren” werd genoemd.

Hoewel het het bedienend personeel aan niets ontbrak, was het een wijdverbreid gebruik om ook wel eens iets van de luxe etenswaren uit het restaurant mee te nemen. Was je chef de rang en nam je de bestellingen op, dan bestelde je eenvoudig wel eens een extra gerecht voor je tafel. Niemand die wat miste. Een chefs de rang was vaak de beroerdste niet; hij bestelde soms ook iets lekkers voor de commiezen onder zich. Na afloop van de shift was het dan genieten van een lekker steak in de mess of in je eigen hut. Daartoe nam het personeel een sterno, een brander waarmee de gerechten in de rechauds werden warm gehouden, mee naar hun hut. Mocht dit? Nee natuurlijk niet, maar zoals zo vaak het geval is, was er een hemelsbreed verschil tussen wat niet mag en wat er gebeurt. Het werd oogluikend toegestaan. 

Commiezen waren voor een extra lekkernijtje dus afhankelijk van hun meerderen. Alleen wanneer er een buffet werd verzorgd hadden de commiezen ook vrij toegang tot de lekkere en luxe etenswaren.

Mijn vader zag op een dag zijn kans schoon, wikkelde een stuk steak in een schone servet en toog daarmee naar zijn hut. Hij trof echter de chef-hofmeester op het dek. Die vroeg hem wat hij onder zijn jasje had zitten. Met een doffe klap plofte de steak op de grond. Martins hoofd zwol van schaamte. Hij werd rood tot aan zijn nek. Twee dagen later moest hij verschijnen in het purserskantoor. Daar kwam het tribunaal van de kapitein, de chef-hofmeesters en de chef-purser tot de conclusie dat ontslag de enige passende straf zou zijn.

En dus vervolgde mijn vader beduusd zijn eerste en, wat hij dacht, zijn laatste reis op de SS Rotterdam. In de haven van Southampton kwamen de administratief medewerkers van de HAL aan boord van het schip om het personeel in te tekenen voor volgende reizen. Een hofmeester kwam naar de hut van mijn vader en vroeg hem waarom hij nog niet was verschenen met zijn monsterboekje.

Na het verhaal gehoord te hebben schudde deze zijn hoofd. “Opstaan Kooijman. Vlug een beetje.” Die woorden waren het begin van een aantal nog mooiere reizen van Martin Kooijman met de SS Rotterdam.