De Stilte

De Dreuzel

De Stilte

Om drie uur 's nachts klonk er in het kleine dorpje Lentillië, niet ver van waar Maria Reyes woonde, een donderslag in de wolkeloze lucht, gevolgd door een langgerekte gil en een schelle lach. Het was echter geen van deze drie geluiden waardoor de jonge vrouw gewekt werd. Het was de kille, onheilspellende stilte die erop volgde.
Maria Reyes was tweeëndertig jaar. Ze leefde in een klein appartement waar ze een constant gevecht voerde tegen de vochtplekken op de muren en de spinnenwebben aan het plafond. Het was, in alle eerlijkheid, een triestige woning, maar hoewel ze dikwijls ging slapen met een hongerige maag door het gebrek aan voedsel en opstond met een stramme rug door haar harde matras, was ze er tevreden. Het was thuis zoals geen andere plek dat was. De straat buiten haar voordeur was haar vertrouwd, net zoals de mensen die erop liepen. Ze kende de bakker en de slager en wist dat ze, wanneer ze nadat de markt was afgelopen langs Ouwe Farleys kraam liep, een gratis zak zoetigheid van hem zou krijgen. Ze kon zich niet voorstellen ooit ergens anders te wonen.
Maar die nacht, toen ze om drie uur 's nachts wakker werd, voelde het appartement niet vertrouwd aan. Een frisse bries leek door de kamer te waaien, ook al waren de ramen stevig gesloten, en dan was er die stilte
Het was een stilte — ze wist niet eens of dat wel het juiste woord ervoor was — zoals ze nog nooit eerder had meegemaakt. Een stilte, niet door zijn gebrek aan geluid, maar door zijn teveel eraan, al slaat dat waarschijnlijk nergens op als je het zelf nooit hebt ervaren. Een stilte die je kon horen en voelen en proeven en zien, allemaal tegelijkertijd.
Maria sloeg de dekens van zich af en trok een nachtjapon aan. Haar voeten maakten geen geluid op de stenen toen ze naar de deur liep.
Ze was verrast te zien dat ze niet de enige op de gang was. Mevrouw Puckett van nummer 53 en heer Riveros met zijn oude lapjeskat en de familie Goff waren er ook, net als nog zoveel anderen. De lift kreunde en piepte toen hij naar beneden ging met een vracht van twintig man (het maximum was tien) en hij kreunde en piepte toen hij leeg weer naar boven kwam om een nieuwe lading nieuwsgierige mensen mee te nemen, waaronder Maria.
De kou en de stilte werden intenser terwijl ze afdaalden. Er was geen enkel geluid in de lift, hoewel de jonge John Goff in de hoek stond te huilen en Edith Avana's mond zonder pauze aan het bewegen was om wat ongetwijfeld een ononderbroken stroom gemopper was te vormen.
De deuren van de lift gingen open met een onhoorbare ping. Iedereen stapte uit.
De lucht was zwarter en dichter dan hij ooit was geweest. Maria zwaaide een hand voor haar ogen heen en weer, maar ze zag niets. Ze was alleen in een wereld van duisternis.
De stilte was overweldigend. Hij drong haar lijf binnen via haar mond en neus en de poriën in haar huid en vrat aan haar binnenste, zo immens dat ze haar handen over haar oren sloeg om hem buiten te sluiten. Het hielp niet.
Ze wilde zich omdraaien en weer naar binnen gaan toen het gevoel kwam.
Haar knieën begaven het en raakten de stoep, maar de pijn drong niet tot haar door. Zelfs de sensatie van de onverklaarbare stilte drong niet meer tot haar door. Er was alleen nog maar dat gevoel.
Een traan ontsnapte uit haar ooghoek. Haar hoofd vulde zich met wanhoop — ze wilde niet meer leven in deze vreselijke, vreselijke wereld — o, alsjeblieft, kon ze niet gewoon verdwijnen? Kon ze niet gewoon weggaan en nooit meer terugkeren? Alle ellende en al het verdriet achter zich laten, voorgoed? 
Ze klauwde aan haar haren en wiegde heen en weer in de koele nacht.
Verlossing kwam in de vorm van een felgroene lichtflits die een gezicht onthulde dat nog geen tien centimeter van het hare verwijderd was, met twee dunne spleten waar een neus zou moeten zijn geweest en robijnen als ogen.
Toen was er niets meer.