Een wolkje van geluk

Een wolkje van geluk

Een wolkje van geluk


Op een ijsschots in de Atlantische Oceaan zat eens een pinguïn moederziel alleen. Al weken dreef de pinguïn rond, zonder dat iemand, mens of dier, hem had opgemerkt. Hoezeer hij ook met zijn vleugels naar de voorbij varende containerschepen wuifde, er was nooit iemand op de brug, op de plecht of op het dek die de eenzame pinguïn enige aandacht schonk. Ook de haaien, walvissen en dolfijnen in de oceaan lieten hem links liggen. En geen enkele vis durfde zijn kop boven het water uit te steken uit angst om door de pinguïn uit het water te worden geslagen en verorberd. Zo was het dat de pinguïn, moe, hongerig en mistroostig naar de lucht zat te staren. Hij wachtte op zijn vriend de zeemeeuw, die hij enkele dagen nadat zijn zeereis was begonnen, had ontmoet.

  ‘Wat doe jij hier op deze ijsschots, rare pinguïn?’ had de zeemeeuw met zijn grote snavel hem gevraagd.

  ‘Ik ben door de kolonie verstoten,’ jammerde de pinguïn. ‘En ik mag pas terugkomen als ik heb gezwommen.’

  ‘Nou, wat houdt je tegen?’ vroeg de zeemeeuw. ‘Pinguïns kunnen toch zwemmen?’

  ‘Ja, maar ik niet,’ antwoordde de pinguïn. ‘Ik houd helemaal niet van zwemmen. Ik heb bovendien geen flippers, maar vleugels net als jij.’ Daarop was de zeemeeuw stikkend van het lachen weggevlogen.

  ‘Als je toch vleugels hebt, waarom vlieg je dan niet mee?’ riep hij de pinguïn na.

De pinguïn had daarop een sprongetje in de lucht gedaan en wild met zijn vleugels geslagen. Helaas, hij was met beide pootjes weer terug op aarde gekeerd. Vanaf dat moment had de zeemeeuw, die het toch wel sneu vond dat de pinguïn zo alleen was, hem elke dag een visje gebracht.

O, stel je voor dat ik naar huis kon vliegen, dacht de pinguïn weemoedig, terwijl hij op zijn vriend met het diner wachtte. Dan zou ik iedereen in de kolonie laten zien dat pinguïns vogels zijn en wel degelijk kunnen vliegen! Zijn mistroostige gedachte werd plotseling ruw onderbroken door een klap en het gevoel daadwerkelijk te kunnen vliegen. Met een boogje belandde de pinguïn op zijn kont in het zand en toen hij, eenmaal van de schrik bekomen, om zich heen keek zag hij een vreemde grijze wereld. Hoog boven zijn pinguïnkop rees een grauw gebouw met twee grote torens op. Een enorme uitgerolde dropveter, bestaande uit gitzwarte stenen, leidde van een eveneens zwarte hoop stenen naar de mond van het gebouw. Uit de torens stegen zwarte wolken op, die langzaam door de wind werden meegevoerd. De pinguïn nam het hele schouwspel door zijn kraaloogjes in zich op en begon toen, voetje voor voetje, naar de berg stenen en de dropveter te lopen. Eenmaal dichterbij gekomen, zag hij dat er mensen bezig waren met kruiwagens de stenen op de transportband te kieperen. Even was de pinguïn bang dat de mensen zijn witte buik zouden zien. Maar toen hij eens goed keek en zag dat alle mensen met een dikke laag zwart stof bedekt waren, nam hij een snoekduik in de berg stenen en liet zich vervolgens ongezien op de transportband ploffen. Langzaam doemde de mond van het grijze gebouw op en werd de pinguïn verzwolgen. Niet veel later, diep in de buik van het gebouw, viel de pinguïn tientallen meters naar beneden de verbrandingsoven in. Nog voordat de pinguïn zijn vleugels uit had kunnen slaan, sloegen de vlammen hem om zijn snavel en werd de pinguïn opgelost in miljoenen zwarte stukjes. De pinguïn vloog door één van de torens naar buiten en, eindelijk, voelde hij wat het was om door de wind te worden meegevoerd! De wind nam hem op een witte wolk mee naar alle windstreken en uithoeken van de wereld alvorens hem, na een lange reis, voldaan en tevreden terug naar Antarctica te brengen. Ver onder hem keek de pinguïnkolonie, bestaande uit talloze zwarte stipjes, omhoog naar de vreemde wit met zwarte wolk.

  ‘Kijk!’ riep één van de pinguïns en wees met zijn vleugel naar boven. ‘Een vliegende pinguïn!’