Op zoek

Artemis Vane

Op zoek

Ongeveer een jaar geleden had ik besloten om het weeshuis te verlaten, ik was veertien en was zelfstandig genoeg om voor mezelf te zorgen. Ik was dagenlang op zoek naar iets waar ik mijn thuis van zou kunnen maken, maar tot die tijd, sliep ik op straat. Zo vroeg als de zonnestralen mijn gezicht verwarmden, stond ik op en raapte mijn spullen bij elkaar om weer de hele dag te zoeken naar een woonplaats. Tot op de dag dat ik besloot om in het bos te gaan wandelen om mijn zinnen te verzetten. Het was een prachtig gemengd bos met vele fluitende vogeltjes, rustgevende beekjes, een paar open plekjes waar heerlijk geurende lavendel groeide en bovenal, waar haast geen mensen kwamen. Ik vond het altijd heerlijk om in een bos te komen waar de mensen geen ravage hadden aangericht. Nadat ik een beekje had overgestoken, zag ik   tussen de bomen iets wat veel weg had van een boomhut. Mijn nieuwsgierigheid leidde me naar het vreemde ding dat zeker door mensenhanden gemaakt was. Na een paar meter was duidelijk te zien dat het een half overwoekerd hutje was, bijna in de top van een hoge, oude beuk. Ik vroeg me net af hoe je naar boven zou kunnen geraken, toen mijn oog op een opening tussen de dikke boomwortels viel. Ik bukte me en verdween in de holte van de oeroude boom. Er drongen enkele stralen zonlicht door de spleten in de schors. Door dat beetje licht zag ik enkele uitstekende takken die tot een bepaalde lengte waren afgezaagd en die zich in spiraalvorm tot in de top herhaalden als een soort geïmproviseerde trap. Ik testte enkele treden op stevigheid en klom toen helemaal tot boven. Eenmaal boven, kwam ik aan een houten luik dat blijkbaar niet afgesloten was. Ik opende het en kwam uit in een gezellig ingerichte ruimte. Alles zag er verlaten uit maar was nog in perfecte staat om te gebruiken. Alleen de stoffen spullen mochten wel eens gewassen worden en alles kon wel een afstofbeurt gebruiken, maar eigenlijk kon ik er onmiddellijk intrekken. Ik zette mijn spullen neer en gebruikte mijn zakdoek om af te stoffen. Toen heel het hutje proper leek, verzamelde ik de gordijntjes, de mat en het dekentje dat over de zetel lag. Ik gebruikte een van de gordijnen als draagdoek en wikkelde die rond het hoopje stoffen dingen die ik verzameld had.   Ik pakte het op en droeg het naar beneden via de trap. Ik ging terug naar het beekje en waste alles in het heldere water. Eens terug in mijn nieuwe huisje, hing ik uit het raampje en reikte naar een tak waar ik de spulletjes aan kon hangen om te laten drogen. Terwijl die droogden, zette ik mijn spullen op een voor mij gepaste plaats. Nadien ging ik nog eens checken of er al iets droog was en tot mijn verbazing was alles al kurkdroog. Ik hing de gordijntjes dan maar terug alsook de mat en het dekentje. Tijdens het schoonmaken had ik ontdekt dat er een kast was die je kon uitklappen tot een bed. Ik spreidde mijn deken uit over het bed en ging erop liggen om wat uit te rusten. Binnen een paar minuten sliep ik, tot ik gewekt werd door een soort gegons dat alsmaar meer en meer een ritme begon te krijgen. Het vreemde aan dit was dat ik het ritme kon ‘voelen’. Niet gewoon de muziek aanvoelen zoals in een discotheek om te dansen, maar alsof het altijd in me had gezeten en nu pas naar boven kwam. Ik sloop stilletjes naar beneden en toen merkte ik ook de lichtstralen op die het donker van de nacht doorkliefden en tussen de scheuren van de boom schenen. Ik gluurde langs de opening onderaan de beuk en zag tussen de bomen een gedaante staan die omgeven was door licht dat uit de grond leek te komen en ik ‘hoorde’ de vreemde muziek nu ook duidelijker. De figuur stond met zijn rug naar mij toe gekeerd en had zijn armen naar de sterrenhemel geheven. Ik vond het zo fascinerend dat ik mijn ogen niet kon afwenden en alsmaar dichter naar het spektakel toe sloop. Net toen ik heel dichtbij kunnen komen was, stapte ik op een droge tak en een krak klonk zeer luid tussen de muziek door. Onmiddellijk werd ik geruisloos langs achteren vastgegrepen en een hand werd voor mijn mond gehouden.

“Sshht, je mag het ritueel niet verstoren!”, siste de persoon me nijdig toe.

Nog voor ik kon reageren, werd ik met mijn gezicht naar die kerel gedraaid en fluisterde hij: “ Alsjeblieft, wil je naar huis gaan en niemand hierover vertellen? Zelfs je ouders niet?”.

“Dat is het’m nu juist!”, fluisterde ik terug, “Ik heb mijn ouders nooit gekend en heb mijn intrek genomen in die boomhut daar, ik kan niet slapen met al dat licht en die muziek!”. Ik kon zijn gezicht niet zien, maar hoorde hem duidelijk naar adem happen.

“Kun jij ‘zien’ en ‘horen’?”, vroeg hij verbaasd.

“Hoezo, jij niet dan?”, vroeg ik nu op mijn beurt.

“Jawel maar alleen … eh … speciale personen kunnen dat.”, was het antwoord.

“Hoe bedoel je ‘speciaal’?”, vroeg ik.

“Wel euh …” Ondertussen was het spektakel gestopt en een stem klonk tussen de bomen door: “Jona, waar zit je? We moeten vertrekken! Ik heb nu wel genoeg krachten opgedaan!”.  

“Luister, ik moet nu dringend vertrekken!”, zei de jongen die Jona werd genoemd.

Ik greep hem bij zijn arm voor hij kon ontglippen en trok hem terug: “Nu moet jij eens luisteren Jona! Volgens mij weet jij iets over mijn afkomst en ik laat je niet gaan voor ik dat ook weet!”. Met het straaltje maanlicht dat nu op hem viel, zag ik hem op zijn lip bijten terwijl zijn blauwgrijze ogen heen en weer flitsten.

“Of zeg me op zijn minst wat jullie zijn want ik denk niet dat iedereen licht en muziek uit de grond kan halen.”, drong ik aan.

“Wat is hier eigenlijk aan de hand?”. Ik schrok zo erg dat ik Jona losliet en achteruit strompelde. Zo kwam het dat ik over een uitstekende boomwortel viel. Toen ik opkeek, stond er een jongeman van ongeveer twee koppen groter dan mij, donkerbruin haar en helblauwe ogen die mij een beetje geïrriteerd aankeken. Voor ik de kans kreeg om op te staan, was er een felle lichtflits waardoor ik mijn ogen moest dichtknijpen, maar toen ik ze weer opende, waren ze allebei verdwenen. Alle sporen van hen waren verdwenen zodat het leek alsof ik me alles verbeeld had.

“Jij bent nog niet van me af Jona!”, schreeuwde ik tegen het lege , duistere bos. Het was ondertussen al aardedonker en ik zag geen hand voor ogen. Ik probeerde stap voor stap naar mijn boomhut te geraken maar ik viel en vond geen houvast om weer recht te komen dus trok ik mijn knieën op en probeerde wat te slapen in de open lucht.

De ontdekking