Nieuwe buur

Liza #KoboTalent

Nieuwe buur

Met een snelheid die Tanja niet voor mogelijk had gehouden, vloog ze over het smalle bospaadje dat richting de zandvlakte leidde. Ze dacht dat ze het verleerd zou zijn, zolang had ze haar mountainbike in de schuur laten roesten, maar blijkbaar klopte het cliché dat je fietsen niet verleerde, en snel fietsen ook niet. Ze nam een bocht iets te scherp waardoor ze bijna onderuitging, maar ze hield zich staande en nam de volgende heuvel. Tevreden hijgde ze uit op de top ervan. Het uitzicht benam haar altijd de adem, ook als ze zich niet kapotgetrapt had: de eindeloze bomen, met daartussen de zandverstuivinkjes die als sneeuwvlokken over het bos verspreid lagen. Het warme zonnetje van de late lente verwarmde haar wangen. Ze kon nauwelijks begrijpen dat ze het gevoel niet eerder had gemist. Ze had veel te lang geluisterd naar de paniek van haar ouders.
Het bos was haar leven, realiseerde ze zich nu meer dan ooit. Ze woonde al haar hele leven aan de rand ervan, in hetzelfde huis, dat ook al van haar grootouders was geweest. Ze kende iedereen in het dorpje, en iedereen haar. Anderen vonden dat soms beklemmend, maar Tanja niet. Het was een goed soort vanzelfsprekendheid waar ze altijd naar terug kon keren, na een hectische dag op de middelbare school een paar dorpen verderop, na een ruzie met haar vriendin, na een leuke maar drukke vakantie in het buitenland. Buiten haar vriendelijke dorpje deed ze genoeg ervaringen op, die had ze thuis ook niet nog eens nodig. Zelfs haar ouders vonden dat vreemde gedachten voor een zeventienjarig meisje, maar ze luisterde gelukkig niet altijd naar wat ze zeiden. Dat bewees haar uitstapje van vandaag al.
Ze was net langs de plek gereden waar het gebeurd was, heel onbewust. Ze had het pas door toen ze het rood-witte lint zag en de bloemen die daar door vrienden waren achtergelaten. Heel even had ze zich ongemakkelijk gevoeld, heel even maar, want het gevoel werd overstemd door het gevoel van vrijheid die het bos en haar mountainbike haar gaven. Heel even was ze zelfs boos geweest op het meisje, dat ze híérnaartoe was gekomen om vermoord te worden. Ze wóónde hier niet eens! Ze schaamde zich nu dat ze dat had gedacht, alsof ze er zelf voor had gekozen. Als ze de verhalen mocht geloven, was het vreselijk voor haar geweest, en nog wel vreselijker voor haar ouders. Je zou je kind maar op uitwisseling sturen en haar dan nooit meer terugzien. Nee, ze snapte het gemiep van haar eigen ouders heus wel, maar de neiging om het bos in te trekken was veel te groot. Ze vond er een nog grotere rust dan in haar dorp.
Ze keek nog eenmaal naar de bomen vanaf de heuveltop en stapte toen weer op haar fiets. Ze moest het niet overdrijven. Ze had haar moeder beloofd dat ze niet heel erg lang weg zou blijven. Het viel haar mee dat ze nog niet gebeld had. Dat was namelijk wel dé voorwaarde: dat ze haar telefoon mee zou nemen en áltijd bereikbaar zou zijn. Ze had hem nu ergens diep weggestopt in haar binnenzak, die zou ze niet eens horen afgaan, maar het ging om het idee.
Ze ging de helling naar beneden tot aan de kruising die daar beneden lag en nam toen het heuveltje dat richting het dorp liep en dat ze haast blindelings kende. Het was een fijne helling om vanaf te rijden omdat hij in etappes ging, met flauwe bochten waarbij je niet al te hard in de remmen hoefde. Ze kende het paadje bijna uit haar hoofd. Ze kon haar verstand op nul zetten en genieten van de wind die langs haar gezicht gierde.
Ze zag de man die voor haar liep, veel te laat. Ze moest uitwijken en het smalle zandpaadje laten voor het was. Natuurlijk ging ze vol onderuit. Ze maakte een halve salto en sloeg tegen de grond, haar fiets half boven op zich. Ze bleef versuft liggen.
‘Jezus, is alles in orde?’ hoorde ze iemand zeggen; dat moest die man zijn die ze had ontweken.
Ze keek op. Hij stond naast haar fiets bezorgd naar haar omlaag te kijken. Hij was jonger dan ze van een afstandje had ingeschat, misschien een jaar of tien ouder dan zij was. Hij was helemaal in camouflagekleuren gekleed; hij had zelfs een groen petje op. Geen wonder dat ze hem pas op het allerlaatste moment had gezien. Hij kwam vast uit de kazerne, vijftien kilometer verderop.
‘Sorry...’ mompelde ze al.
‘Wat nou sorry? Kom, ik help je overeind, als dat lukt tenminste. Je maakte nogal een smak. Heb je je bezeerd?’
‘Niet echt, geloof ik.’ Ze kreeg een hand en krabbelde overeind. Ze was niet helemaal eerlijk geweest; het voelde aan alsof ze op verschillende plekken schaafwonden had, hoewel haar kleren nog heel leken. Dat ging ze die man echter niet vertellen. Ze veegde wat zand van haar broek en ging in haar hoofd al haar lichaamsdelen af. Nee, ze had niets gebroken of gekneusd of zo. Stomkop die ze was. Ze had haar nek wel kunnen breken. Ze moest niet doen alsof het hele bos van haar was.
‘Ik had beter uit moeten kijken’, zei ze en ze voelde zich rood worden.
Hij zei: ‘Vast, maar ik had je aan moeten horen komen en opzij moeten stappen. Ik mankeer niets, maar jij daarentegen… Weet je zeker dat alles in orde is?’
Ze knikte nogmaals.
‘Gelukkig,’ zei hij, ‘dat kun je namelijk niet van je fiets zeggen.’
Ze volgde zijn blik en zag het meteen. Haar voorwiel was half losgekomen en was gebogen en ook haar zadel leek gebroken.
‘O nee…’ mompelde ze.
‘Moet je ver?’ vroeg hij. ‘Ik denk niet dat je daarmee nog thuiskomt.’
Het was bijna alsof hij het er nog extra inwreef, maar daar keek hij te bezorgd voor.
‘Het lukt wel’, mompelde ze. ‘Al moet ik hem wel laten maken. Ik had gewoon niemand verwacht nu. Kom je uit de kazerne?’
‘Nee, ik ben geen militair, al een tijdje niet meer, tenminste. Ik woon hier.’
‘Je woont hier helemaal niet!’ bracht ze uit en ze begon te blozen toen ze zich realiseerde hoe arrogant dat klonk. Ze voegde er snel aan toe: ‘Dan had ik je wel gekend. Ik woon hier praktisch om de hoek, in het dorp.’
‘Ach ja. Nou, ik woon hier nog niet zolang, bijna twee weken, om eerlijk te zijn, in het Waterhuis, zoals jullie het geloof ik noemen.’
Ze fronste. Het Waterhuis was nogal een begrip. Ze zou het geweten moeten hebben als er iemand naartoe verhuisd was, want het stond al jaren leeg. Dat de roddels haar ouderlijk huis nog niet hadden bereikt, zou een wonder zijn.
‘Het was nogal een snelle beslissing van me’, ging hij alweer verder. ‘De makelaar heeft het allemaal geregeld. Die zei dat hij niet wilde dat ik meteen de eerste dag door een enthousiaste horde dorpelingen werd overvallen.’ Hij grijnsde terwijl hij verderging: ‘Hij zei dat het dorp nogal een kliek was. Een nieuwsgierige kliek. Hij zei dat hij me te aardig vond om me dat aan te doen. Ik denk dat hij het allemaal maar zei omdat hij net heel veel geld aan me had verdiend.’
Ze wist niet zo goed of ze nou beledigd moest zijn of niet. Het was vast waar, maar ze wilde het voor haar dorpsgenoten opnemen. Het was makkelijk gezegd door een buitenstaander. En trouwens, als hij echt het Waterhuis had gekocht, zou hij ook lid worden van de kliek, of hij dat nu wilde of niet.
‘Ik moet maar eens gaan’, zei ze nadat dat allemaal door haar hoofd was gegaan; ze hoopte dat de stilte niet te lang had geduurd. Als ze te lang wegbleef, was dit de laatste keer dat ze het huis zou mogen verlaten. Nou ja, het zou toch even duren tot ze weer in het bos zou zijn, aan de staat van haar fiets te zien.
Je bent tóch gewond’, bracht hij uit.
Ze volgde zijn wijzende vinger en zag dat haar broekspijp rood was van het bloed. Toen ze haar been een stukje optilde, vielen er zelfs druppels naar beneden.
De man aarzelde geen moment meer en pakte haar schouders beet om haar tot een zittende positie te dwingen. Ze was er helemaal perplex van. Voordat ze het wist, had hij haar broek al opgestroopt tot boven haar knie. Die lag helemaal open.
‘Hmm,’ zei hij, ‘dat is een aardige jaap. Ik denk niet dat je ervoor naar een dokter hoeft, maar je kunt hier beter niet mee rond blijven lopen. Ik heb thuis een EHBO-kist. Ik kan het voor je ontsmetten... En ik heb ook nog wel ergens gereedschap liggen. Dan kan ik kijken of ik nog iets aan die fiets van je kan doen, hoewel ik niets kan beloven.’
‘Ik weet het niet, hoor. Ik zou eigenlijk naar huis moeten gaan.’
‘Het is echt niet ver, maar dat zal je wel weten als je hier zo dichtbij woont. Je moet echt even naar die wond kijken. Ik bijt niet, hoor.’
Nee, bijten niet...
‘Ik ben Pieter’, zei hij. Hij stak zijn hand uit. ‘Pieter Zwartsluis.’
Aarzelend schudde ze zijn hand. ‘Ik heet Tanja.’
‘Aangenaam, Tanja. Het is zo gebeurd. Als je eerst iemand wilt bellen…’
Hij wist precies waarom ze zo aarzelde. ‘Nee’, zei ze snel. Als ze nu ging bellen dat ze met een wildvreemde man naar zijn huis ging… ‘Dat is niet nodig. Ik weet waar het Waterhuis is. Dat ligt praktisch op de route naar huis.’
‘Goed zo. Laten we gaan. Zal ik je fiets dragen?’
Ze was blij dat hij dat had aangeboden, want ze merkte dat ze hinkte en dat elke stap pijn deed. Ze had het nóóit gered in haar eentje. Dan had ze haar vader moeten bellen of hij haar tegemoet was komen lopen.
Pieter wees een pad in, wat ze natuurlijk al wist, en ze gingen in de richting van zijn huis.
Waarom het Waterhuis het Waterhuis heette, wist niemand meer, maar waarschijnlijk omdat er ooit een meertje of beekje bij had gelegen. Daar was niets meer van te bekennen. Het huisje was eeuwenoud maar standvastig. De stenen waren ruw en onregelmatig en half overwoekerd door klimplanten. Iedereen zei dat het er spookte. Ze vroeg zich af hoe die makelaar dit had gevonden, en nog belangrijker: hoe hij hier een koper voor had gevonden. Die Pieter dus. Zelfs zíj zou niet zover gaan en zoiets als dit kopen.
Daar doemde het al op. Ze was al een tijdje niet op het erfje geweest en er was meer veranderd dan ze had gedacht. Pieter had een nieuw hek laten plaatsen en de verwilderde tuin in orde gemaakt of laten maken. Het huisje zelf was niet echt veranderd, behalve een nieuw likje verf op de houten kozijnen en her en der een nieuw raampje. Er was een nieuwe houten schuur, bijna net zo groot als het huisje zelf. Dat was ook waar de man heen ging. Hij zette de fiets tegen de muur en wees toen op een bankje.
‘Ga zitten. Ik pak de spullen even.’
Hij ging de schuur in en kwam uiteindelijk terug met in zijn ene hand een gereedschapskist en in de andere een EHBO-koffertje. Hij begon natuurlijk met haar. Hij had het overduidelijk eerder gedaan, want haar knie was binnen de kortste keren schoongemaakt, gedesinfecteerd en verbonden. Hij keek er een paar seconden tevreden naar en draaide zich toen om naar haar fiets.
‘Waarom ben je eigenlijk hier komen wonen?’ vroeg Tanja om een gesprek op gang te krijgen.
Hij antwoordde: ‘De rust. Ik heb een nogal hectische periode achter de rug en dit leek wel goed voor me.’ Hij trok haar wiel recht en zocht naar iets in zijn gereedschapskist. ‘Dat kun je je vast niet goed voorstellen. Er is hier zeker weinig te beleven?’
‘Nee, dat klopt, maar dat vind ik niet erg. Ik snap je helemaal. Ik vind het ook fijn hier in het bos, en vooral aan deze kant van het dorp. De meesten gaan de andere kant op, richting het meer, maar hier zie je bijna niemand, behalve herten en wilde zwijnen dan.’
‘En mannen die in de weg staan’, grapte Pieter. ‘Ik had de rust ook al opgemerkt. Je bent geloof ik de derde of vierde persoon die ik ben tegengekomen.’
‘Ja, het is erg stil en dat is eigenlijk alleen maar erger geworden sinds…’
‘Sinds wat?’
Ze wist niet zo goed wat ze moest zeggen, óf ze wel iets moest zeggen. Hij was nieuw hier en had waarschijnlijk van alle commotie niets meegekregen. Het was vast niet het welkom waar hij op zat te wachten.
Toch zei ze: ‘Misschien heb je het op het nieuws gezien of zo, maar er is een meisje vermoord, hier vlakbij, in het bos. Liza heette ze. Liza Johnson. Ze zat bij mij op school, in mijn klas zelfs bij sommige vakken. Ze was een uitwisselingsstudent uit Engeland.’
‘Wat is er gebeurd?’
‘Dat weet ik niet, dat weet geloof ik niemand. Ik weet niet eens wat ze hier in het bos deed, want volgens mij hield ze niet eens van de natuur.’
‘Wat erg’, mompelde Pieter. ‘Kende je haar goed?’
‘Nee, niet echt, ze was een beetje afstandelijk. Soms denk ik dat ze het helemaal niet zo leuk vond bij ons op school.’
‘Hoezo dat?’
‘Nou ja, dat weet ik niet precies. Ik kan het me best voorstellen. Niet iedereen vindt het leuk om zo afgelegen te wonen. Ik vond haar meer een type voor de grote stad.’
Hij zei even niets meer; hij was te druk bezig om haar fiets weer in het gareel te krijgen. Tanja vroeg zich af wat hij van dit alles vond, of hij niet binnen de kortste keren zijn biezen zou pakken. Hij was niet de enige; een aantal vaste gasten op de camping had hun vakantie al geannuleerd, had ze van de buurvrouw gehoord. Ze vond het nogal drastisch, want over een paar weken zou je er niets meer van merken, maar het ging natuurlijk om het idee.
‘Hoe is het met je knie?’ vroeg Pieter nu.
‘Het brandt als een gek,’ zei ze, ‘maar ik geloof dat het goed gaat komen. Waar heb je leren verbinden?’
‘In het leger.’
‘O ja. Je zei dat je geen militair meer was.’
‘Klopt. Ik heb ontslag genomen. Ik had geen zin meer in al dat gedoe.’
‘Wat doe je nu dan?’
‘Nu nog niets. Over twee weken begin ik bij mijn volgende baantje. Ik ga aan de slag bij Staatsbosbeheer.’
‘O, ben je boswachter?’
‘Nou, nee, niet echt, hoewel dat wel leuk zou zijn. Ik doe meer de klusjes rond het informatiecentrum. Je weet wel, dingen snoeien, schoonmaken, opruimen, niet zo heel erg bijzonder. Ik had zin in iets rustigs na mijn vorige baan.’
Hij ging daar verder niet op in en sleutelde vrolijk verder aan haar fiets. Uiteindelijk deed hij een stap naar achteren en zei hij: ‘Ik geloof dat je een professional in moet schakelen. Je zal hem in ieder geval niet hoeven tillen.’
‘Bedankt voor de poging. Toen ik de schade zag, was ik daar al bang voor.’
Pieter grijnsde. ‘Soms overschat ik mezelf een beetje. Ik ben geloof ik minder technisch dan ik denk. Ik heb ook nog steeds een paar lampen die niet helemaal doen wat ik zou willen.’
‘Er woont een elektricien in het dorp. Jan de Jong heet hij.’
‘Bedankt voor de tip. Is ‘ie een beetje goedkoop?’
‘Hij geeft je vast een goed prijsje. Je hoort nu immers bij ons dorp.’
Er begon iets te glinsteren in zijn ogen. Tanja vond hem aardig; hij was vast een goede aanwinst voor het dorp.
‘Hoelang denk je dat ze erachterkomen dat ik hier woon?’ vroeg hij.
‘Niet heel erg lang. Als mijn moeder het straks weet, weet morgen iedereen het.’
‘Haha, dan had die makelaar helemaal gelijk.’
‘Vind je het erg dat ik het haar vertel?’
‘Nee hoor, totaal niet.’
‘En je vriendin? Of vrouw? Of…’
‘O nee, die heb ik niet. Ik woon hier helemaal alleen.’
Die gedachte was niet eens in haar opgekomen en opeens voelde ze zich heel erg ongemakkelijk. Pieter had dat niet door, want die was al verdergegaan: ‘Nou ja, niet helemaal alleen. Mijn kat moet hier nog ergens rondlopen, maar die vindt geloof ik het bos interessanter dan het huis.’
‘Ik moet nu echt gaan’, kapte Tanja hem af.
‘O? Oké. Het was leuk je te ontmoeten, Tanja, beter dan door een horde dorpelingen onder de voet gelopen te worden. Red je het allemaal? Ik bedoel, met je been en je fiets?’
‘Ja, ja, dat lukt wel’, zei ze snel. ‘Ik moet nu echt gaan. Ik had beloofd niet te lang weg te zijn. Mijn moeder is vast bezorgd.’
‘Dan moet je haar zeker niet laten wachten. Als je zeker weet dat alles in orde is…’
Ze knikte en begon te lopen, haar mountainbike aan de hand. Ze keek achterom en zag dat hij zijn hand opstak en in zijn huisje verdween. Ze wist niet zo goed wat ze van deze ontmoeting moest denken. Ze wist in ieder geval wél dat ze niets tegen haar ouders ging vertellen. Die zouden flippen. Die zouden haar verbieden ooit nog eens op haar mountainbike te stappen en dat moest ze zien te voorkomen.

Wijze raad