Esther Lachmann

Ontwaak zonder mij

Esther Lachmann

Zo diep donkergroen dat het bijna zwart lijkt. Dat zelfs een kleur onheilspellend kan zijn. Die smalle deur, links helemaal achteraan in de gang, waarvan hij altijd kortaf stelt dat de sleutel zoek is. De geheimzinnigheid er omheen is bijna voelbaar. Nog los van die geur, die onbestemde lucht die daar altijd hangt. Dag en nacht. Nu haar man, graaf Henckel von Donnersmarck, voor een paar dagen naar Praag is, heeft ze alle tijd om op onderzoek uit te gaan. Alle mogelijke sleutels die ze in huis kon vinden, heeft ze al eens geprobeerd. Het merendeel bleek te groot en paste niet eens in het slot. Maar deze ochtend pakt ze dat ene boek uit de kast dat niet in een lijn staat van het keurige rijtje overige kaften. La Femme du Claude van Alexandre Dumas fils. Een dikke pil, maar ver komt ze niet. Want zodra ze het boek openslaat, ziet ze het meteen: een kleine sleutel, zorgvuldig vastgeplakt in de kaft. Onmiddellijk weet ze dat dit dé juiste moest zijn.

Ze weegt de sleutel even in de palm van haar hand, alsof ze zichzelf bewust wil maken van het gewichtige moment. Dan draait ze zich resoluut om en loopt gehaast de trap op en de gang door, die typische geur tegemoet. Dat het sleuteltje moeiteloos in het ijzeren smeedwerk glijdt, verbaast haar eigenlijk niet. Maar als ze het om wil draaien, voelt ze alleen maar weerstand. Geen enkele beweging. Ze haalt een paar keer diep adem, probeert rustig te blijven, en doet een nieuwe poging. Maar het lukt niet. Noch naar links, noch naar rechts; het ijzer lijkt muurvast te zitten. Van nervositeit laait de warmte in haar lijf omhoog, haar hart slaat een keer over, een gejaagd gevoel maakt zich van haar meester. Ze probeert haar ademhaling onder controle te krijgen, veegt haar klamme handen af aan haar jurk. En dan - na paniekerig heen en weer gesjor - schiet het sleuteltje opeens los. Maar het mechanisme springt niet open, de deur blijft dicht.

Niet veel later staat ze daar nog een keer. Nu onwennig met een koevoet in haar handen. Nog voordat ze het ijzer tussen de deurpost klemt, hapt ze even naar adem. Hoewel haar mond kurkdroog is, heeft ze de neiging om haar angst weg te slikken. Het levert enkel een zenuwachtig kort kuchje op. Wat als de deur ontwricht raakt? Hoe zou ze de schade later aan haar man verklaren? De gedachte verdwijnt net zo snel als dat hij opkomt. Haar nieuwsgierigheid blijkt zoveel groter dan haar angst. Opnieuw haalt ze diep adem, alsof ze in het diepe moet springen, en dan zet ze vastberaden het zware gereedschap in de sponning. Tot haar eigen verbazing hoeft ze nauwelijks kracht te zetten. Ze hoort een lichte krak, en de deur springt eenvoudig open. 

Haar ogen moeten wennen aan de duisternis in het vertrek maar wat het meest overheerst, is de penetrante geur die als een klamme handdoek in haar gezicht slaat. Langzaam beginnen haar ogen licht van donker te onderscheiden. Dan ontwaart ze de contouren van een bad, wit, midden in de kamer. Voorzichtig stapt ze dichterbij, haar voeten behoedzaam optillend, om niet te struikelen in die vreemde, onpeilbare donkerte. Het is duidelijk dat het bad gevuld is, ze neemt een rimpeling in een wateroppervlak waar. Hoewel water? Het bad is gevuld met een chemische vloeistof, er hangt een onbestemde mist boven. De geur dringt nog nadrukkelijker haar neusgaten binnen, en prikkelt haar slijmvliezen. Die misselijkmakende stank bezorgt haar knikkende knieën, in combinatie met wat ze ziet. Of denkt te zien. Haar ogen weigeren aanvankelijk aan haar hersenen door te geven wat ze registreert. Maar het valt niet langer te ontkennen. Want in het bad - te midden van die bijtende vloeistof - drijft iets. Een lichaam. Een lichaam van een vrouw. Ze wil gillen, en hoewel ze haar mond opent, komt er geen geluid uit haar keel. Dan wordt het zwart om haar heen.

Het gezoem dat ik zojuist nog kon negeren, wordt steeds sterker. Ik word zo gegrepen door dit angstaanjagende verhaal, dat de haartjes op mijn armen overeind zijn gaan staan. Er trekt een siddering door me heen. Het duurt even voordat ik merk dat dat aanhoudende geluid onder míjn papieren vandaan komt. Mijn telefoon ligt onder de archiefstukken en trilt en zoemt nadrukkelijk. Verstoord kijk ik op mijn scherm, geërgerd wie mij zo rücksichtslos naar de 21ste eeuw probeert terug te halen. Maar als ik op het scherm kijk, en daar een gifje zie van een dansend kopje koffie, moet ik glimlachen. "Of vind je dat oud papier leuker dan mij?", staat eronder. Ik leg de archiefstukken over courtisane Esther Lachmann uit de negentiende eeuw terug in de blauwe omslag die de brieven bijeen moet houden, en strik zorgvuldig het lint erom heen vast. Dan laat ik het geheel behoedzaam in de archiefdoos zakken en schrijf mijn naam in blokletters op het briefje dat erbij hoort: NINE VAN DER MEER, LES PAYS BAS. Met het verzoek de stukken morgen opnieuw te mogen inzien.
Morgen meer. Nu vraagt Joseph aandacht. Die is ook leuk. En lekker, ook dat ja.

Rue de Nevers