Vriendschap, liefde en de Grande Dame. Mijn reis op het varend icoon van Nederland

Vriendschap, liefde en de Grande Dame. Mijn reis op het varend icoon van NLD

Vriendschap, liefde en de Grande Dame. Mijn reis op het varend icoon van Nederland

Wat is het heerlijk om zomaar aan boord van het SS Rotterdam-V te kunnen stappen voor een hapje en een drankje en een interessante rondleiding. Om de luxe te proeven van velen die een reis maakten met ‘De Grande dame’.  Voor mij was het zeer bijzonder, om weer eens lijflijk aanwezig te zijn op de plaats waar ik als meisje van zestien twee weken lang doorbracht. Het riep bij mij vele dierbare herinneringen op van meer dan vijftig jaar geleden. Herinneringen van vriendschap , liefde en mooie dingen en hele prettige sfeer. Mijmerend liep ik tijdens rondleiding op de Rotterdam door de gangen, de zalen en het dek en mijn gedachten gingen terug naar een zeer bijzondere tijd.   

We woonden op Aruba. De haven van Oranjestad was de geliefde speelplek van mijn broer en ik.      In de jaren zestig was het nog niet verboden voor het publiek om de kade op te gaan waar de schepen lagen.  Soms mochten we zelfs aan boord van een van de schepen.  Onze voorliefde voor schepen was niet zo vreemd,  want onze grootvader  had een zeevaartschool in Den Haag gehad en een oom van ons was machinist geweest op de grote vaart. Vanuit ons huis op de heuvel aan de rand van Oranjestad zagen we de schepen liggen.  Mijn broer en ik probeerden te raden  welk schip er binnen lag. De Statendam herkende we meteen. Het was een van de NASM schepen, de latere HAL, die ons eiland frequenteerden. Zeldzamer was het toen het SS Rotterdam ons eiland een keer aandeed. Meestal lag het schip in de haven van Willemstad op Curaçao. Dat was de thuishaven. We keken op tegen vrienden die een keer op de Rotterdam hadden gevaren.  Wat een avontuur moest dat zij  geweest om twee weken lang  in zo’n luxe en sfeervolle omgeving te vertoeven, mijmerde ik.  Niet wetende dat mij dit geluk ook ten deel zou vallen.

Na twintig dienstjaren koos mijn vader ervoor om naar Nederland repatriëren in plaats van nog vijf jaar door te werken tot aan zijn tropenpensioen.  Met gemengde gevoelens verliet ik het eiland waar ik geboren was. Ik had het gevoel dat ik alles achterliet.  Mijn geboortehuis, de mooie plekjes van het zonnige eiland waar ik ter wereld kwam, mijn jeugd en al mijn vrienden en vriendinnen. Toch vond ik het fijn om naar Nederland te gaan. In Nederland gebeurde immers van alles en het was er moderner. Onze reis ging via Curaçao naar New York. Daar zouden we aan boord gaan van de Rotterdam. Op de Arubaanse prinses Beatrix luchthaven zwaaiden wat  vrienden ons uit. Zouden we elkaar ooit nog zien? We vlogen naar Curaçao waar we ook op Hato vluchthaven van Willemstad afscheid namen van vrienden. Het afscheid van de Antillen was nu wel erg definitief. Maar er was veel moois in het verschiet.

Vanuit het kleine eiland Aruba, met overwegend laagbouw, kwam New York met de geweldig grote wolkenkrabbers overweldigend over. De John  F. Kennedy vluchthaven was groter dan we dachten.  Per greyhoundbus gingen we naar het hotel in  Manhattan dat in een zijstraat van de Fifth  Avenue lag. Na het inchecken wandelden we over de Fifth avenue langs de ‘Public library’. We zagen het Flatiron gebouw, dat men ‘het strijkijzer’ noemt vanwege de smalle vorm en we liepen naar Time square. Op de tweede dag bezochten we de Empire state building van waaruit je op de bovenste verdieping een magnifiek uitzicht hebt over East en West river.  Ik dacht aan de indrukwekkende film ‘West side story’ met mijn idolen George Chakiris en Rita Moreno. Het voelde onwerkelijk om later in West side rond te lopen. Ik herkende de opmerkelijke rode brandtrappen. De dag erna voeren we per ferryboot naar Staten Island. De tocht ging langs het vrijheidsbeeld, dat we vanwege een renovatie niet van dichtbij konden bezichtigen. ’s-avonds  waren we in Radio City Hall en de dag erop was  Battery Park aan de beurt. Daarna  slenterden we langs Harlem en gingen we door naar China Town, waar we in het Mou sing riceshop aten.  Het bezoek aan de kunstenaarswijk  Greenwich village  of ‘The village’ was voor mij het hoogtepunt van het bezoek aan ‘The big apple’. Het is gesticht door Nederlanders die het Groenwijck noemden. Het heeft kleine straatjes met laagbouw, hofjes en tuinen. Washington Square was het centrum van de Boheemse ‘scene’ en de hippiebeweging.  Als tiener ging mijn hart daarnaar uit.  Zou er in Nederland ook  zo’n artistieke sfeer hangen?

De dag erop vertrokken we per taxi naar de kade waar het de Rotterdam aangemeerd lag. Dat we  in New York aan boord gingen was natuurlijk vanwege de band die ‘De grande dame ‘ had met deze stad. Ze was toen zeven jaar in de vaart. Ik zag de prachtige gestroomlijnde vorm en de twee rookkanalen al uit de verte.  Een golf van opwinding en blijdschap welde in me op toen ik op 12 oktober 1966 de eerste stap op de treeplank van het SS Rotterdam zette. Ik voelde al dat het iets geweldigs zou worden. We moesten ons aanmelden bij de receptie. Vanuit de grote hal met de mooie donkerblauwe vloerbedekking en de warme houten wanden  zag ik het prachtige trappenhuis. Mijn vader had een voorliefde voor schepen en kunst.  Als architect wist hij ook veel over binnenhuis architectuur. Hij vertelde ons dat veel van het interieur ontworpen was door Johan van Tienhoven. De koperkleurige leuning stak prachtig af bij de donkerblauwe vaste vloerbedekking. Ik bewonderde de kleurige glazen wanden van Wilhelmus Akkemans. Ik zag er vogels,  vissen, zeesterren,  anemonen en koralen in. Het stelde het geheel voor van de zee tot de kosmos. Er waren prachtige bronzen beelden die refereerden naar ‘Tempest’ van William Shakespeare, het toneelstuk dat begint bij een schip tijdens een storm op zee.  Aan de  wanden hingen wandkleden van Gisèle  d’Ailly en in de La Fontain eetzaal waren reliëfs van keramiek, die ontworpen waren  door Nico Nagler. Ze stelden fabels van de la Fontain voor. Mijn vader sprak over de half miljoen landverhuizers die vanaf 1872 naar Amerika vertrokken, naar ‘de nieuwe wereld’.

 

De sobere inrichting van onze werd ruimschoots goed gemaakt door al die prachtige zalen aan boord. Mijn favoriete plaats werd ‘The place’. Dat was een ruimte, speciaal ingericht voor de tieners.  Het had comfortabele zitjes, een jukebox en een dansvloer. Mijn jongere boer en zus moesten wel naar de kinderkamer om ongelukken te voorkomen. Op een schip van 228 meter lang en de 28 meter breed  is dat niet ondenkbaar.  In de kinderkamer  waren volop speeltuigen, spelletjes en speelgoed aanwezig, zodat ook de kleintjes zich niet hoefden te vervelen. Af en toe zocht ik mijn broer en zus op. Het was leuk om te zien hoe fijn de leidsters met de kinderen omgingen. Het leek me een droombaan om als kinderjuf mee te mogen varen op dit schip. Overdags heerlijk bezig zijn met kinderen en ’s-avonds volop entertainment. Ik ben later inderdaad de jeugdzorg ingegaan. Maar het is helaas anders gelopen in mijn  leven dan waar ik toen van droomde. De droombaan is er helaas nooit gekomen.  Wat had ik graag willen varen, zoals al mijn voorvaderen.

In ‘The place’ maakte ik kennis met de Amerikaanse Mia, die ook zestien was. Ze was vlot , had een sprekend gezicht en prachtige blonde krullen. Ik vond mezelf niet zo knap en daardoor voelde ik me soms niet op mijn gemak. Maar door Mia’s hartelijke persoonlijkheid voelde  ik me geen mindere. Tieners waren niet verplicht om in de tienerroom te verblijven, maar we waren er graag.  We konden de jukebox aanzetten wanneer we dat wilden en we dansten dan op de gogo- en beat muziek. Bij mooi weer speelden we shuffelboard op het sundeck, waarbij we afwisselend wonnen. Onze moeders deden soms mee en dan was het een wedstrijd van de dochter tegen de moeders, alles in goede harmonie. Mijn moeder was  tijdens de reis jarig en met andere jarigen zaten we bij kapitein Auke de Jong aan tafel. De jarigen kregen veel persoonlijke aandacht, want na het diner werd er een grote taart aangesneden. Er waren Nederlandse beroemdheden aan boord, zoals de actrice Ellen Vogel, de acteur Albert Mol en de schrijver Godfried Bomans. Ook couturier Ernst-Jan Beeuwkes reisde ook met ons mee. Zijn sierlijke modellen gaven aan boord een paar prachtige modeshows in de Queens lounge. We waren in een ludiek gezelschap. Voorts zagen we een schokkend optreden van Johnny van Doorn, alias ‘Johnny the selfkicker’. Onder gebrabbel, wat op een gedicht moest lijken,  bond hij zij arm af met een zakdoek en stak hij zichzelf met een dolk in zijn arm.  Mensen uit publiek gilden van afschuw.  Voordat er bloed ging vloeien werd Johnny door zijn assistente de zaal uitgewerkt. Ondanks het vele experimenteren met kunst in die tijd, scheen dit niet de bedoeling te zijn geweest.  Achteraf bleek, dat het door zijn drugsgebruik kwam. Ik kon het niet zo waarderen. Mijn interesse ging uit naar een veel mooier persoon: de vibrafonist Dave Pike, die met zijn ‘Dave Pike set’ aan boord optrad met Latijns-Amerikaanse muziek  en Jazz. Mia en ik vonden het een knappe man. We hadden zijn posters al zien hangen. Hij had een tenger lijf,  donker haar,  mooie ogen, volle lippen en een mysterieuze glimlach. We gingen naar zijn voorstelling  en ik werd een beetje verliefd op Dave.  Ik had al wel een vriendje gehad, maar dit was me nog niet overkomen. Het kwam vast door de magische omgeving.     

De dag na het optreden van Dave  zwierven Mia en ik door het schip. De vloer was zo warm en zacht, dat we op blote voeten liepen. In een hoek van de eetzaal zagen we Dave zitten. Hij zat te werken aan zijn muziek.  We zagen onze kans schoon om hem van dichtbij te benaderen. We vroegen of we bij hem mochten zitten. Dat was goed en hij maakte ons complimentjes over onze schoonheid, waarbij hij vooral naar Mia keek. Mia was zo enthousiast,  dat ze achter elkaar praatte.  Ik had door, dat Dave dat er na een tijdje wat genoeg van had. Zacht zei ik, dat we hem maar weer met rust moesten laten, anders kwam hij niet aan werken toe.  Met een diepe blik, die ik nooit zal vergeten, zei hij: ”You are zo soft, so  gentle”. Ik was zo beduusd van zijn compliment, dat ik me voornam om voor de rest van mijn leven zachtaardig te blijven. Ik was toen zeer geïnspireerd door deze muzikant die ik adoreerde. Ik hoopte dat het me zou gelukken. We liepen de eetzaal uit en gingen naar de bioscoop waar de film The Hustler’ met Paul Newman en Pipier Laurie draaide. Het was een film met een trieste afloop, maar veel verdrietiger vonden we het, dat het onze laatste avond was aan boord. We voeren voorbij de Azoren. Europa kwam steeds dichterbij en daarmee ook het einde van de reis. We deden eerst La Have aan en in Southampton stapte Dave en zijn set van boord. Ik zou hem nooit meer zien.  Het was triest om te vernemen dat in 2015 is overleden aan longemfyseem.                  

Hoek van Holland kwam in zicht. Via de Nieuw waterweg voeren we naar  Rotterdam. Het was of de oevers ervan me omarmden en verwelkomden.  Het schip meerde aan de Wilhelminakade aan, waar grootvader ons kwam afhalen. Mia en ik namen afscheid. In een korte tijd waren we bevriend geraakt. We hadden elkaar gezelschap gehouden op deze avontuurlijke reis. Nu moeten we afscheid nemen en we wisten dat we dit alles zeer zouden gaan missen.

Dat ik me dit alles na meer dan vijftig jaar nog kan herinneren, duidt aan hoeveel indruk deze reis op ‘De Grande dame’  op me heeft gemaakt.  Dat ik deze eenvoudige, doch dierbare jeugdherinnering zo levendig kon ophalen, dank ik aan de ‘Stichting vrienden  van de Rotterdam’ die zich ervoor hebben ingezet om het SS Rotterdam-V te behouden.  Ik ben hen daar zeer erkentelijk voor.