De geboorte van het 'SS Rotterdam'

De geboorte van het 'SS Rotterdam'

De geboorte van het 'SS Rotterdam'

Onlangs las ik dat het ruim 60 jaar geleden is dat het pronkjuweel  van  Katendrecht, het ss Rotterdam,  te water werd gelaten en in 1959 haar maidentrip naar New York maakte. In Rotterdam wil men daar in 2019 aandacht aan besteden. Verhalen zullen worden verzameld  over de zestigjarige  ‘levensloop’ van dit prachtige schip.

Over die  periode zou ik geen verhaal kunnen schrijven, wèl over de bouwtijd  van het schip daarvoòr……………..

Onwillekeurig  gaan mijn gedachten terug naar die tijd. Zo lang  geleden al weer:  1956. Ruim anderhalf jaar voor de tewaterlating van de  ‘Rotterdam’.

 ’Arie, ga je mee naar de werf ? Ik wil je wat bijzonders laten zien.’

‘Wat dan, pa?’   ‘Dat zul je daar wel zien. Maar stel je er nog niet te veel van voor.’

‘Oké, ik ga mee hoor. Ben wel benieuwd wat je me wilt laten zien.’

Het was op een zaterdagmiddag. Mijn vader had zaterdagmorgen, net als de rest van Nederland, nog tot twaalf uur gewerkt. Een vrije zaterdag bestond nog niet. Maar nu was het weekend toch echt begonnen. Net als voor de overige drieduizend arbeiders van de RDM, de grote scheepswerf op  de Rotterdamse wijk Heijplaat.

 Het  was doodstil toen we daar liepen.  Mijn vader kende  de hoofdportier, zodoende  mocht hij met mij, een jongen van veertien,  ongehinderd de scheepswerf oplopen. Onder werkenstijd mocht dat beslist niet!

We bezochten eerst de timmerloods, waar mijn vader werkte,  en hij wees mij op een cirkelzaag, waar een oom van me mee werkte en die met dat apparaat drie  halve vingers had verspeeld. Daarna nog de machineloods. Hoog en zeer indrukwekkend met al die prachtige, naar olie en smeer ruikende machines. ‘Nu gaan we naar het plekje dat ik je speciaal vandaag wilde laten zien.’    Vanuit de loods liepen we naar de hellingen waar de nieuwe schepen werden gebouwd. Toen we bij Helling VII waren  zei mijn vader:  ‘Kijk goed, Arie.  Hier gaan wij wat groots maken. Die paar stalen platen daar, dat wordt Nederlands grootste passagiersschip. Een paar weken geleden hebben ze de kiel daarvoor gelegd.’  Dat was december 1956. Ik meen op de 14e.                                                           
‘Let op mijn woorden, Arie, dit schip gaat een mooie toekomst tegemoet want het wordt gebouwd op Helling VII, het geluksgetal.’

Voorlopig zag ik alleen maar wat bruinroestige platen omhoogsteken. Verder niets. Bijna niet te begrijpen dat dit de geboorteplaats was van een toekomstige oceaanreus.                                                                                                       
‘Zullen we nog wat verder de werf opgaan, pa ? Kan ik je zeggen waar we dicht bij koningin Juliana en die keizer stonden, toen hij schepen voor zijn land kwam inspecteren.’

‘O, je bedoelt Haile Selassie. Maar dat is al weer twee jaar geleden !  In ’54.’

‘Ja, dat is zo. Ik zat in klas zes van de Lagere School en toen zijn we op de werf blijven plakken om de keizer te zien. Een klein mannetje met allemaal krulletjes. Prins Bernhard liep met ferme passen mee te lopen en grinnikte nog naar ons. Juliana liep naast de keizer. We waren heel de school vergeten. Toch durfden  Go, Nico, Jan en ik  niet gelijk naar huis te gaan hoewel het al bijna twaalf uur was. Schoorvoetend  ging het richting school in de Letostraat. Stond de bovenmeester ons in de schoolingang op te wachten, tilde ons  bij ons nekvel op en schopte ons zo de school binnen. Ik vertelde het aan ma en ze zei: “Eigen schuld. Had je maar niet moeten spijbelen!”

Mijn pa en ik liepen verder.  ‘Hier komt de ‘Rotterdam’ te liggen, Arie,  als hij afgewerkt  gaat worden. Maar dat duurt nog wel even, hoor.’

 In de maanden die volgden werd op het dorp Heijplaat de bouw van het schip met meer dan gewone  interesse gevolgd.  Thuis vertelden de arbeiders die er aan werkten trots over de vorderingen. Iedereen leefde mee. Mijn vader vertelde dat ze het in de timmerloods ontzettend druk hadden. Allerlei soorten hout werden verwerkt voor luxe bars, parketvloeren voor de danszalen, maar ook eenvoudiger hout voor de hutten en kooien. In de machinehal  heerste vanzelfsprekend topdrukte. De RDM kon al het werk alleen niet aan en  kreeg hulp van scheepswerf De Schelde uit Vlissingen en een aantal onderaannemers uit Nederland. De twee bronzen schroeven kwamen, geloof ik, helemaal uit Duitsland. Prachtig, zoals ze lagen te glanzen op een spoorwegwagon !

 Maar ook tonnen van het kankerverwekkende asbest, goed materiaal voor de brandveiligheid,  werden in het schip verwerkt. Maar ach, daar hoorde je toen bijna niemand over. De meeste arbeiders, en zeker ons, schooljongens uit de jaren vijftig, zei dat weinig of niets. Maar de  ellende die dàt spul  jaren later zou veroorzaken onder RDM’ers  was totaal onvoorstelbaar. Uiteindelijk werd  tijdens de renovaties tussen 2005 en 2008 ruim 4500 ton asbest uit het schip verwijderd.

Dit was duidelijk een onbekende schaduwzijde bij de bouw van het schip, waar in de jaren van euforie totaal overheen gezien werd.

Toen het eerste puntje van de boeg boven de huizen in het dorp begon uit te steken was dat het gesprek van de dag. En dat puntje werd steeds iets hoger.

Als wij van de ULO op Charlois  langs de Waalhaven naar huis fietsten, (1957) zagen wij dat ook. Dat kostte mij en mijn vriend Nico Kroon nog een keer strafwerk. Op een ochtend, toen we naar school reden, keek Nico een keer achterom en zag boven de huizen de kraan naast het schip met een grote stalen plaat zwaaien. Bedoeld voor de romp van het schip.                                        

‘Even kijken, hoor!’                                                                                                                        
We stopten, draaiden onze fietsen en keken. Bleven kijken……. en zagen hoe het er in de verte aan toeging.

‘Moeten we ook niet een keer naar school?’, zei ik ineens. Bleken we daar al twintig minuten te staan. Mijnheer Smallegange, hoofd van de ULO, had al te veel smoesjes over te laat komen aangehoord, dus wij kregen gewoon  straf. Van Nico weet ik het niet meer, maar ik moest het vuil onder de ligusterhaag rondom het schoolplein verwijderen.

Op  zaterdag 13 september 1958 was het  zover. Het toekomstig vlaggenschip van de  HAL zou te water worden gelaten door koningin Juliana.

Heel Heijplaat zinderde van de spanning, alle zijstraten in het dorp werden aangewezen als parkeerruimte voor de vele auto’s, touringcars, enz. Uit het hele land kwamen  genodigden en nieuwsgierigen naar ons dorp.                 

Uiteindelijk kwamen er zo’n dertigduizend belangstellenden naar de werf om de tewaterlating van deze oceaanreus te zien. Lengte 228 m, 28 m breed, 61 m hoog en een diepgang van 9 meter. Ruim 38.000 bruto registerton lag daar op de helling. Ook aan de overzijde van de Maas, in Schiedam, stonden duizenden mensen vol spanning te wachten tot het schip in zijn element zou glijden.

De plannen voor de ‘Rotterdam’ dateerden al uit 1938. Het moest het zusterschip van  die andere prachtboot worden, de  ‘Nieuw Amsterdam’, gebouwd in 1937. Maar de oorlog had die plannen gedwarsboomd.

Maar nu, ruim twintig jaar later, was zij er toch!

Om een uur of vier in de middag, - na het verstommen van het doffe gebonk, veroorzaakt door de ploegen die de keggen en kielblokken onder de kiel hadden weggeslagen en het schip door niets meer werd tegen gehouden op de helling,-  sprak koningin Juliana, met de haar zo karakteristieke stem, de volgende woorden:   ’Ik  noem  u  Rotterdam,  en  wens  u  behouden  vaart.’                 

Met een zilveren bijl hakte zij de zilveren draad door waar de champagnefles aan bungelde. Deze spatte kapot tegen de scheepshuid,  ondertussen gaf een pneumatische hamer het schip een geweldige stoot. Nog even lag het doodstil op de schuine helling, trilde licht en begon toen te glijden. Geen macht ter wereld had het nu nog kunnen stoppen! Op de Maas begonnen tientallen schepen te loeien en te toeteren, op de werf juichten de duizenden en klapten enthousiast in hun handen. De ontlading was groot !

Voortaan was er, als we uit school naar huis fietsten, een leegte rondom de huizen , waar wij bijna een jaar de romp van het schip bovenuit hadden zien steken.

Aan de afbouwkade was de werf nog een jaar bezig om alles spic en span te krijgen. Met mijn vader ben ik toen een keer aan boord geweest.

Hij liet me de prachtige, nu afgewerkte  Carltonbar zien, de wandschilderingen in de Grand Ballroom. De luxe maakte een geweldige indruk op mij. Mijn vader wees me op het geweldig  grote trappenhuis met daar vlakbij  de verschuifbare panelen.                                                                                                                                
‘De directeur van de HAL, mijnheer De Monchy wilde dat’, zei hij. ‘Mochten er ooit slechtere tijden komen in de passagiersvaart,  dan schuiven ze die panelen opzij en de 1e en de 2e klasse voor de gasten worden teruggebracht  naar één.’  Dat bleek in latere jaren een vooruitziende blik.

Ook de bijzondere schoorstenen, eigenlijk de rookkanalen, mocht ik met mijn vader bekijken. Veel mensen in ons dorp vonden dat in het begin helemaal niks, een boot zonder echte  pijpen, maar later sloeg de stemming  om. Het hoorde echt bij  ‘ons’ schip.

Toen de Rotterdam haar eerste proefvaart maakte, ging mijn vader, als scheepstimmerman,  mee, voor eventuele kinderziektes.                

 20 Augustus van dat jaar kwam koningin Juliana nogmaals naar de werf. De officiële overdracht aan de HAL vond plaats. Nu geen duizenden belangstellenden, maar toch nog vele  honderden.                                                                                                                                                             

Op 3 september 1959  maakte zij haar maidentrip, bestemming New York. Het echte leven van de oceaanreus was begonnen. De trots van Heijplaat, van Rotterdam,wellicht van heel scheepvaartminnend  Nederland. Op  de werf kwam ze  nog sporadisch voor een onderhoudsbeurt of reparatie , des te meer keren natuurlijk naar de Wilhelminakade in de stad.

Nu, 60 jaar later, echoën de woorden die mijn vader december 1956 tegen me zei, na in mijn hoofd en ik denk dat hij gelijk heeft gekregen. Hoewel het schip in de loop der jaren een totaal andere functie heeft gekregen, is het er, na een onstuimig bestaan met veel ups en downs, helemaal bovenop gekomen.                  

In volle glorie. Andere Nederlandse oceaanreuzen, zoals de Nieuw Amsterdam, - gesloopt in 1974,-  ergens ver weg in Taiwan, en de Willem Ruys, - in 1992 een roemloos einde vindend voor de kust van Somalië - , waar zij zonk, zijn bij het grote publiek bijna in de vergetelheid geraakt. Maar de ‘Rotterdam’  ?  Vol levenslust is  zij  aan haar  nieuwe levensfase begonnen.

‘Dit schip zal een gelukkig en lang leven krijgen, Arie, omdat het op Helling VII gebouwd wordt.’