Haar haar

Haar haar

Haar haar

Ik liep hem tegemoet. De lege kruk wachtte. Hij wuifde. Zoals alleen loofbomen dat kunnen. Begreep mij. Zoals alleen een baobab dat kan. Hij en ik, allebei ondersteboven van een wereld die op z’n kop stond.

Ik had onder zijn bladerkroon gestaan. Achter een kruk op drie poten. Ik knipte haar. Niet dat ze veel had. De laatste tijd steeds minder. Het knippen van haar was het knippen van lucht geworden. Haar knippen ons laatste intieme ritueel.

Dan zat ze voor me. Gammel als de kruk. Het laken om haar heen geslagen. Als een voorbode van wat komen zou. Zachtjes neuriënd. Maar hoorbaar voor mij die achter haar stond. Haar voeten bungelend tussen hemel en aarde. Soms bewoog ze haar hoofd. Niet op de melodie maar om iets meer schaduw te kunnen vangen. Haar haar beschermde haar hoofdhuid niet langer.

De ziekte voelde als een belegering. In het begin konden we nog lacherig doen over boterhammen ‘met beleg’. Maar het droog brood dat daarop volgde noemden we huilend ‘apenbrood’. Steeds meer uitval. Manmoedig verzet mondde uit in capitulatie.

Ik had haar toegedekt. Het laken als lijkwade. Haar onder de boom begraven. Zodat hij haar met zijn vertakte wortels kon omarmen. Opnemen. Zij door zijn houtvaten zou gaan stromen.

Eens zou ik mij met opgevouwen knieën tegen zijn bast neervlijen. Dicht tegen haar aan. Zodat ze mij met haar stroom kon meevoeren. Roerloos. Als een papieren bootje.

Maar tot die tijd bleef ik knippen. Haar in gedachten.