Als ik vleugels had

Als ik vleugels had

Als ik vleugels had

Als ik vleugels had

En dan droomt ze van verre reizen en mooie plaatsen. Dan droomt ze dat ze vleugels heeft en de wereld rond kan vliegen.

.

Hij houdt van haar. Dat weet ze. Zelfs als hij het niet zegt. Zelfs als hij zegt dat hij haar haat. Dat ze hem niet waard is. Dat ze een hoer is. Dat hij haar zou moeten vermoorden. Ze weet dat hij het niet meent. Ze weet dat hij van haar houdt. En zij houdt van hem.

Hij trekt haar aan haar haren naar beneden, tot ze op de grond zakt. Hij schopt haar in haar ribben, opnieuw en opnieuw en opnieuw tot ze geen adem meer krijgt. Dan in haar gezicht, dat ze tevergeefs met haar handen probeert te beschermen, opnieuw en opnieuw en opnieuw tot ze bloed proeft.

Hij schreeuwt en schopt en slaat tot alles om haar heen langzaam zwart wordt. Tot ze haar lichaam verlaat en ver wegzweeft. En dan droomt ze van verre reizen en mooie plaatsen. Dan droomt ze dat ze vleugels heeft en de wereld rond kan vliegen.

Vanavond landt ze in Parijs. En ze beklimt de eiffeltoren en bekijkt de stad van bovenaf. De mensen lijken op mieren, die haastig door de straten rennen. Wat heeft het voor zin? En ze eet een croissant en drinkt een glas wijn op een frans terras, en ze koopt een roos voor zichzelf van een man met een barret.

Ze blijft daar tot het donker wordt en Parijs begint te vervagen. En dan zweeft ze weg en keert ze terug naar haar eigen lichaam, in haar eigen huis, op haar eigen vloer. Haar hoofd doet pijn en haar longen piepen als ze ademhaalt. Ze brengt haar hand naar haar lippen en voelt opgedroogd bloed. Hoe lang ligt ze hier al?

Ze blijft liggen tot de zon opkomt en door het raam naar binnen schijnt. Ze blijft liggen tot ze de sleutel in het slot hoort draaien en de deur krakend opengaat. Ze blijft liggen tot hij binnen komt en zonder iets te zeggen naast haar neer knielt. Hij neemt haar in zijn armen en tilt haar voorzichtig op.

Hij draagt haar naar bed en maakt met een nat doekje haar gezicht schoon. Hij streelt haar haren en kust haar wang. Ze zegt hem niet dat dat pijn doet. “Het spijt me,” zegt hij. Zie je wel? Zie je wel dat hij van haar houdt? “Het is al goed,” fluistert ze met moeite.

Hij blijft bij haar tot ze in slaap valt. En ze droomt dat ze vleugels heeft. En ze vliegt naar Afrika. Ze landt tussen de giraffes en de zebra’s en de leeuwen. De zon schijnt in een strak blauwe hemel en alle mensen dragen felgekleurde kleding en bijzondere sieraden. En alles is zo mooi.

Ze danst met de Afrikanen om een kampvuur tot de avond valt. De vrouwen zwaaien met hun tamboerijnen en de mannen slaan op hun trommels. En iedereen zingt en lacht en is vrolijk. Ze blijft daar tot ze wakker wordt.

Om drie uur ’s middags staat ze op. De rest van de dag is hij lief voor haar. Hij zet koffie met opgeklopte melk en kaneel, precies zoals ze het lekker vindt. Hij slaat zijn armen om haar heen en kust haar pijnlijke lippen. Hij bestelt Chinees en laat haar een film uitzoeken.

Hij wordt niet kwaad als ze naar bed wil nadat het eten op is en de film afgelopen is, ookal is het nog maar net half negen geweest. Ze wil weg nu het nog kan, voordat hij begint te drinken. Ze wil hem niet zien drinken, niet vanavond, niet nu alles zo goed gaat. Voordat ze de kamer uitloopt, loopt ze naar hem toe en kust ze voorzichtig zijn lippen. “Ik hou van je,” zegt ze. Hij glimlacht. “Ik ook van jou,” zegt hij.

De volgende ochtend is alles anders. Alleen maar omdat ze hem niet heeft zien drinken, betekent nog niet dat het niet gebeurt. En ze probeert voorzichtig te zijn. Ze probeert het hem naar de zin te maken. Ze probeert alles goed te doen. Maar het heeft geen zin.

Ze ligt op de grond en hij zit bovenop haar borst, een mes tegen haar keel geduwd. “Teef,” schreeuwt hij, “Ik zou je moeten doden!” Doe het dan, zegt een deel van haar. Maak er een einde aan, doe het maar. Maar dat zegt ze niet. “Alsjeblieft,” hoort ze zichzelf smeken. “Alsjeblieft niet, alsjeblieft,” huilt ze.

Ze kijkt in zijn ogen die zijn ogen niet meer zijn, die alleen nog maar uit donkere woede bestaan. Hij haalt het mes van haar keel en steekt het in plaats daarvan in haar handpalm. Een allesoverweldigende pijn stokt haar adem in haar longen. Ze hoort iemand gillen gevolgd door een dichtslaande deur. Ze kijkt naar het mes dat rechtop in haar hand staat en naar het bloed dat langs haar arm naar beneden stroomt.

Rustig blijven, ze moet nu rustig blijven. Ze heeft ergens gelezen dat je het mes nooit uit de wond moet trekken. Haar ademhaling gaat steeds sneller en ze voelt haar hart in haar keel bonsen. Ze grijpt een theedoek van het aanrecht en probeert die om haar hand te binden. Ze moet rustig blijven.

Maar de kamer begint langzaam voor haar ogen te draaien en het wordt steeds moeilijker om na te denken. Ze probeert wakker te blijven maar haar oogleden zakken dicht. Haar maag draait zich om en haar ontbijt komt weer omhoog. Ze moet rustig blijven.

Ze pakt haar telefoon en probeert de cijfers met haar linkerhand te vinden. Eerst een één. Wakker blijven. Nog een één. Haar vingers trillen zo erg dat ze de telefoon bijna laat vallen. Een twee. Dan op het groene hoorntje klikken en de telefoon gaat over. Hij ringt een keer. Dan een tweede keer.

Dan neemt er een vrouw op die bevestigd dat ze met de alarmcentrale spreekt en vraagt naar haar noodgeval. Noodgeval. Wat is haar noodgeval? Even is ze geneigd om de telefoon weer op te leggen om geen antwoord te hoeven geven op die vraag. “Er zit een mes in mijn hand,” fluistert ze.

En dan wordt het zwart om haar heen, en dan vliegt ze weg. Ze vliegt naar een bekende plek deze keer. Ze vliegt naar Schotland, waar ze als kind zo vaak met haar ouders op vakantie ging. Ze vliegt naar de bergen, die ze altijd zo graag beklom.

Vanaf de top van de berg kijkt ze over het landschap. De hoge bergen, de eeuwige sneeuw. De uitgestrekte bossen vol donkere bomen. Ze houdt van de natuur, maar ze houdt nog meer van de stilte. Het is nergens zo stil als op de top van een berg. Ze is al op zoveel plekken geweest. Ze is al naar zoveel plaatsen toe gevlogen. Nog steeds houdt ze het meest van de bergen.

Na een tijdje nemen haar vleugels haar weer mee, brengen ze haar terug naar haar lichaam. Ze wordt wakker in een vreemd bed. Alles om haar heen is wit. Ze kijkt om zich heen maar hij is er niet. Ze voelt zich plotseling eenzamer dan in de Schotse bergen, waar in de verste verte geen mens te bekennen was.

Aan de rand van haar bed zit een vrouw met kort blondgeverfd haar en felroze gelakte nagels. Mama. “Ben je wakker lieverd?” fluistert ze. “Meisje toch. Mama is hier. Hoe voel je je?” vraagt ze. “Wat doe jij nou hier?” vraagt ze. “Ze konden je man niet bereiken, dus hebben ze mij gebeld,” zegt haar moeder, zonder daarbij aan te geven wie ‘ze’ zijn. Bij het uitspreken van de woorden ‘je man’ fronst ze haar wenkbrauwen en trekt ze haar bovenlip op als blijk van walging.

Ze heeft hem nooit gemogen, haar moeder. Zelfs niet voordat hij begon te drinken, voordat hij begon te slaan. Maar ze begon hem pas te haten toen ze voor het eerst de blauwe plekken zag. Ze belde de politie en ze waarschuwde de huisarts. En toen zijn ze verhuist. En toen zag ze haar niet meer.

“Het gaat goed mama,” zegt ze. “Ik voel me goed.” Dat is niet waar, maar ze zegt het toch. “Wanneer mag ik weg?” vraagt ze. “De dokter zegt dat hij je nog een nachtje wil houden,” zegt haar moeder. “Morgen mag je gaan.” Haar moeder streelt haar gezicht met haar rechterhand. Ze kijkt naar haar eigen rechterhand, volledig verpakt in een groot wit verband. “Ga met mij mee naar huis morgen,” zegt haar moeder. Er staan tranen in haar heldere blauwe ogen. Ze schud haar hoofd, bijna onmerkbaar. “Ik wil naar huis,” zegt ze.

“Waarom?” vraagt haar moeder met schorre stem. “Waarom toch? Dit is toch geen leven voor je? Zo kun je toch niet gelukkig zijn?” Maar haar moeder weet het niet van haar vleugels. Ze weet niets van haar reizen en de avonturen die ze beleeft, telkens als ze haar ogen sluit. Haar moeder weet niet wat haar gelukkig maakt. En ze weet niet hoeveel hij van haar houdt.

“Ik ga nu slapen,” zegt ze. “En ik wil niet dat je hier nog bent als ik wakker word.” Ze sluit haar ogen. Ze ziet niet hoe de tranen over haar moeders gezicht rollen. Ze ziet niet hoe ze opstaat en zich omdraait. Ze ziet niet hoe ze naar buiten loopt en de deur achter zich sluit. Ze ziet niet hoe ze haar kwijtraakt.

Ze veegt de tranen van haar wangen met haar linkerhand. Dan komt er een man in witte doktersjas binnen. “Goedemorgen mevrouw,” zegt hij. “Hoe voelt u zich?” Ze schraapt haar keel voordat ze kan antwoorden. “Ik voel me prima,” zegt ze. “Wanneer mag ik weg"

De dokter glimlacht. “Als alles goed gaat kunt u morgenochtend weer gaan,” zegt hij. Hij maakt een afspraak om over twee weken het verband om haar hand te verwisselen. Ook laat hij haar beloven om vanwege drie gebroken ribben twee maanden lang niets te tillen en geen zwaar werk te doen.

“Mevrouw,” zegt hij. “Wilt u me vertellen wie dit gedaan heeft? We kunnen u helpen.” Er gaat een lichte schok door haar lichaam. “Het was een ongeluk,” fluistert ze. “Mevrouw,” begint hij. “Het was een ongeluk,” zegt ze weer. “Waar is mijn man? Heeft u mijn man gesproken?”

“Het spijt me mevrouw,” zegt de dokter. “We hebben uw man nog niet kunnen bereiken.” Hij draait zich om en loopt naar de deur. “U kunt aan het rode koord trekken als u iets nodig heeft,” zegt hij zonder om te kijken voor hij de kamer uitloopt.

Als ze eindelijk in slaap valt nemen haar vleugels haar mee op een nieuwe reis. Ze landt ergens midden op de Stille Oceaan deze keer, op een grote houten boot. Ze voelt de wind en de zoute zeelucht in haar gezicht en ze ademt diep in zonder pijn te voelen. Ze hangt over de reling en kijkt naar het kolkende zwarte water en de schuimende golven die hoog tegen de boeg opspatten.

In de verte ziet ze hoe het donkere water aan de horizon overgaat in een blauwe hemel. Ze blijft ernaar kijken totdat de zon ondergaat, en langzaam in het water verdwijnt. Dan wordt het donker om haar heen, en dan brengen haar vleugels haar weer terug naar de werkelijkheid.

Als ze haar ogen opent kijkt ze recht in de zijne. “Het spijt me,” zegt hij. “Het is al goed,” zegt ze. Hij streelt haar wang met zijn hand en kust haar voorhoofd. “Ik hou van je,” zegt hij dan. Het moment is zo perfect dat ze bijna niet durft te antwoorden. “Ik ook van jou,” fluistert ze.

Dan komt de verpleegster binnen om hen te vertellen dat het bezoekuur afgelopen is en dat meneer naar huis moet gaan. “Ik kom je morgenvroeg halen,” belooft hij en hij kust haar lippen ter afscheid. Dan staat hij op en loopt hij naar buiten.

De volgende ochtend zit ze om acht uur aangekleed en klaar op de rand van haar bed. Om half negen wordt ze door de dokter ontslagen. Maar hij is er nog niet. Om negen uur komt er een verpleegster binnen. “Moet ik een taxi voor u bellen mevrouw?” vraagt ze op vriendelijke toon. Ze schudt haar hoofd. “Hij komt wel,” zegt ze.

Een half uur later komt hij binnen. “Het spijt me, “ zegt hij, “ik heb me verslapen.” Hij legt zijn hand op haar schouder en kust haar wang. Zijn pupillen zijn klein en ze ruikt alcohol op zijn adem, maar de geur is zwak en ver weg. Hij heeft een kater, maar hij is niet meer dronken. Ze haalt opgelucht adem.

Na haar ziekenhuisbezoek gaat het een tijdlang goed. Hij drinkt nauwelijks en hij lacht weer zoals vroeger, hij houdt haar in zijn armen zoals hij deed voordat ze getrouwd waren, voordat hij veranderde, voordat hun levens zo’n puinhoop werden.

Twee avonden na haar thuiskomst zet hij muziek op, klassieke muziek, waar hij vroeger zo van hield. Hij neemt haar linkerhand in de zijne en glimlacht ondeugend. “Mag ik deze dans van u?” vraagt hij. Ze lacht en schudt haar hoofd. “Ik heb toch nooit kunnen dansen,” zegt ze.

“Wat kan dat nou schelen?” zegt hij terwijl hij haar naar het midden van de kamer trekt. Hij slaat zijn armen om haar heen en legt zijn handen op haar rug. Voorzichtig legt ze haar armen om zijn middel en haar hoofd op zijn borst. Zijn lippen kussen de bovenkant van haar hoofd terwijl ze langzaam heen en weer wiegen op de maat van de muziek. “Ik hou van je,” fluistert hij.

En het voelt alsof ze vleugels heeft. Betere en mooiere dan in haar dromen. Maar ze vliegt niet weg.

De volgende dag is het afgelopen. Ze weet het als hij de keuken binnenkomt. De schouder van zijn jasje is gescheurd en er hangt een walm van dranklucht om hem heen. Zijn ogen staan verwilderd, woedend, op zoek naar een slachtoffer.

“Waar is het?” schreeuwt hij. “Waar is mijn whisky?” De fles die ze vanmorgen heeft omgestoten. Het ging per ongeluk, maar dat zal hij niet geloven. “Het spijt me,” fluistert ze. Zijn handen sluiten zich om haar nek. “Waar is het?” schreeuwt hij nog een keer. Ze hapt naar adem, maar zijn vingers knijpen haar luchtweg dicht.

Pas als ze zwarte vlekken begint te zien laat hij los. Hoestend valt ze op de grond. Hij trekt haar aan haar linkerarm omhoog en duwt haar met een klap tegen het aanrecht aan. Ze voelt haar ribben kraken. “Stop,” smeekt ze. “Alsjeblieft.”

Ze voelt zijn adem in haar gezicht en zijn donkere ogen staren recht in de hare. “Ik vermoord je,” fluistert hij. “Alsjeblieft,” zegt ze weer. “Kijk dan naar me, ik ben het toch. Ik hou toch van je. Jij houdt toch van mij.”

Hij brengt opnieuw zijn handen naar haar keel. Zijn grip sluit haar longen af van kostbare zuurstof. Ze snakt naar adem en haar hoofd begint te bonsen. En ze weet dat dit het einde is. Ze weet dat ze dood gaat.

Met haar linkerhand grijpt ze een zware steelpan van het aanrecht achter haar en in één vloeiende beweging slaat ze hem tegen zijn hoofd. Ze hoort een luide, misselijkmakende klap en voelt de vingers om haar keel verslappen. Hij zakt door zijn knieën en valt voorover met zijn hoofd tegen haar borst. Ze haalt met diepe teugen adem. Haar luchtpijp voelt als schuurpapier en de zuurstof als vuur in haar longen.

Ze laat de pan los en ze vallen samen op de grond. Ze kijkt recht in zijn wijdopengesperde ogen. “Het spijt me,” fluistert ze. Maar hij zegt niets. Ze brengt haar linkerhand bibberend omhoog en streelt zijn gezicht. Maar hij reageert niet.

“Nee. Word wakker,” zegt ze tegen zijn slappe lichaam. Tranen rollen over haar wangen en ze trekt aan zijn schouder in de hoop hem wakker te schudden. Ze brengt haar oor naar zijn mond maar ze voelt geen adem meer.

Zijn ogen zijn leeg. Hij is er niet meer. Hij is weggevlogen.

“Weggevlogen,” fluistert ze. “Het is oke,” zegt ze dan. “Het is goed.” Ze streelt zijn haren. Hij heeft ook vleugels gekregen. En hij is weggevlogen, naar een mooiere plek hier ver vandaan. Hij zal er wel gelukkig zijn. Hij zal er wel zichzelf weer zijn. “Ik hou van je,” fluistert ze.