Proloog

Gekleurd verleden

Proloog

“Julie, Julie heeft geen pappie,
Haar mammie is een beetje wappie,
Julie, wacht tot ik je roep,
Julie met haar huid als poep!”

Ik concentreerde me op het gele karton op mijn tafel, waar ik een cirkel probeerde uit te knippen. Ik stak het puntje van mijn tong een beetje naar buiten en volgde de potloodstreep die ik er zojuist zo netjes op getekend had. Op het hoekje van mijn tafel lag een groot wit vel, waarop ik twee grote groene bomen en een huisje had geplakt.

“Julie, Julie heeft geen pappie,
Haar mammie is een beetje wappie,
Julie, wacht tot ik je roep,
Julie met haar huid als poep!”

Er zongen nu meer kinderen mee. Ik besloot dat het beter was als ik niet op keek. Ik was klaar met de cirkel en plakte die rechtsboven in de hoek. Wat nog meer? Een olifant! Een olifant naast het huis. Of een leeuw? Ik bekeek de stapel gekleurde vellen die op de tafel voorin de klas lagen en pakte er uiteindelijk een grijs karton uit. Ik pakte mijn potlood en keek even naar het vel voor me, terwijl ik het potlood door mijn vingers liet rollen. Hoe teken je een olifant? Eerst de oren, dat is het makkelijkste. Ik tekende twee halve cirkels op het papier.

“Julie, Julie heeft geen…”
Het zingen hield opeens op. Ik keek op toen ik merkte dat juf Marjon naast me stond. “Julie, hoe gaat het? Wat ben je aan het maken?” Achter me renden twee jongetjes vlug naar hun eigen tafeltje. Ik legde mijn potlood neer en liet het vel met de bomen, de zon en het huisje zien. “En dit wordt een olifant,” zei ik en ik wees op het grijze karton.
“Mooi hoor,” zei juf Marjon. “Maar ik denk dat je de opdracht niet helemaal goed begrepen hebt. Ik wil dat je jouw eigen huis knutselt op papier. Er zijn toch geen olifanten bij jou thuis?”
Ik glimlachte. “Niet bij mij thuis. Maar wel bij mijn papa thuis.” Ik ging weer verder met tekenen.
“O ja?” zei juf Marjon. “Waar is dat dan? Waar woont jouw papa?”
“In Afrika,” zei ik zonder op te kijken van mijn olifant. Juf Marjon pakte de stoel van het lege tafeltje naast mij en ging zitten. Haar benen waren veel te lang voor zo’n kleine stoel. Met haar gele haar en haar spitse gezicht leek ze wel een beetje op een giraf, vond ik. Ze paste goed in mijn tekening.
Juf Marjon legde haar hand op de mijne zodat ik niet verder kon tekenen. “Maar Julie,” zei ze. “Jij hebt toch helemaal geen papa?”
“Echt wel,” zei ik. Ik wilde mijn hand weer terug om verder te tekenen.
“Echt,” zei ik, toen juf Marjon me alleen maar aankeek en niets zei. “Mijn papa is dokter en hij woont in Afrika.”
“Hm,” zei juf Marjon en ze knikte. Toen stond ze op en liep ze weg. Een paar seconden later klonk het alweer fluisterend:

“Julie, Julie heeft geen pappie,
Haar mammie is…”

 Ik stak de sleutel in het slot en moest twee keer draaien voor de deur openging. Oja, mama moest werken vanavond. Ik liet mijn tas in het halletje vallen en liep naar de woonkamer. Er lag een briefje van mama. Er stond eten in de koelkast en mevrouw van Leeuwen van hiernaast was thuis, als er iets was of als ik iets nodig had. Liefs en een kus, mama.
Ik had een hekel aan mevrouw van Leeuwen. Ze keek altijd chagrijnig als ik haar zag en haar stem was heel hard en schel. “Dametje koffie verkeerd”, noemde ze me altijd. Ik snapte niet zo goed waarom ze dat zei, maar ik voelde me van binnen altijd een beetje naar als ik het hoorde. Vooral omdat ze de nadruk altijd op het woordje ‘verkeerd’ legde.
Ik pakte een rol koekjes uit de kast en maakte thee voor mezelf. Daarna ging ik op de bank liggen. Het liedje van vanmiddag zat nog in mijn hoofd. “Julie, Julie heeft geen pappie…” Het was een nieuw liedje. Freek uit groep zes was er een paar weken geleden opeens mee begonnen en nu zong iedereen het. De nieuwe hit op school. Ik stond weer op en liep naar de boekenkast. Ik pakte het krukje uit de keuken en reikte naar de bovenste plank, waar een oude schoenendoos stond waar mama’s pumps in hadden gezeten. Ik ging met de doos aan tafel zitten. Voor papa, stond erop het deksel. Een voor een haalde ik de spulletjes eruit. Een tekening van mij met mama en papa naast mij. Een asbak, gekleid en beschilderd. Een boekenlegger met ‘papa’ erop. Een dassenhouder gemaakt van wasknijpers. Nog een tekening. En nog een. Op een dag gaan we alle cadeautjes naar papa brengen, zei mama elk jaar als ik weer met een vaderdagcadeautje van school thuis kwam. De cadeautjes pasten al bijna niet meer in de doos. Ik haalde het vel dat ik vanochtend had geknutseld uit mijn tas. De olifant was goed gelukt. Ik pakte een stift en schreef ‘voor papa’. Toen vouwde ik het vel dubbel, stopte hem in de doos en borg hem weer op.

“Julie!” Mama stond bij de deur te roepen. Ik zuchtte, legde mijn bibliotheekboek weg en kwam overeind. “Kom op, we gaan naar de bakker. Je mag wat lekkers uitzoeken!” Mama hield mijn jas voor me. Ik slofte naar de voordeur en liet mijn armen door de mouwen vallen. Mama deed mijn rits dicht. “Kan ik zelf wel hoor,” ze ik. Mama lachte. “Service van de zaak,” zei ze. “Wat wil je: een croissantje of een chocoladebroodje?”
“Een chocoladebroodje!” riep ik en ik rende de trappen af naar beneden. Voor de deur van onze flat stond mevrouw Van Leeuwen naar haar sleutels te zoeken. Ik deed de deur voor haar open.
“Dametje koffie verkeerd,” begroette ze me, terwijl ze een stap naar binnen zette. “Dat is heel vriendelijk van je. Je moeder doet haar best om je goed op te voeden, niet? Zal niet makkelijk zijn met jouw genen.” Ze bekeek me van top tot teen en keek toen naar mijn moeder, die achter me de trap af kwam.
“Dag mevrouw Van Leeuwen,” zei ze.
“Goedemorgen.” Mevrouw van Leeuwen pakte haar boodschappentas. “Ik zei net tegen je dochter dat je haar goed hebt opgevoed.”
Mama knikte. “Goed om te horen. Prettige dag nog.”

We stonden in de rij bij de bakker. Ik keek naar de mand met chocoladecroissantjes. Er lag nog een hele berg. “Mama,” begon ik. “Waarom noemt mevrouw van Leeuwen me koffie verkeerd?”
De mevrouw die voor ons stond keek om.
Mama haalde diep adem en zei toen: “Niet hier, Julie.”
Ik bleef mama aankijken. “Waarom niet?”
“Daarom niet.” Mama’s mond was opeens een klein horizontaal streepje geworden. Ze keek recht voor zich uit. De dame voor ons keek weer achterom. Ze nam de tijd om me even te bekijken. Toen lachte ze en keerde zich weer om.
“Maar…” zei ik.
“Later,” zei mama. “En nu houd je er over op. Anders kopen we alleen een halfje bruin en krijg je niets.”
Even later liepen we over het dorpsplein naar het park. Ik hapte in mijn chocoladecroissantje. Mama had een croissantje met jam genomen. Het was mooi weer. We gingen op een bankje aan de rand van de vijver zitten. Mama had vaak dienst in het weekend en dan was ik de hele zaterdag alleen thuis. Maar vandaag was ze vrij. Ik keek naar de eendjes in de vijver en twijfelde of ik een stukje van mijn croissant zou afbreken om aan het kleinste eendje te geven.
“Eendjes houden niet van chocolade,” zei mama, alsof ze wist waar ik aan dacht. Ik nam de laatste hap en veegde de kruimels van mijn schoot. Een duif pikte ze tussen mijn voeten vandaan. “Duiven wel,” zei ik.
Mama lachte. Ze knikte.
“Ik heb gisteren een tekening voor papa gemaakt,” zei ik. “We moesten ons eigen huis knutselen. Maar ik heb papa’s huis gemaakt. Met een olifant!”
Mama glimlachte en zuchtte. “Dat moet een heel mooi huisje zijn. Vond de juf het ook mooi?”
Ik haalde mijn schouders op. “Juf Marion zei dat ik geen papa heb. Maar ik heb toch wel een papa?”
Mama streek over mijn hoofd. Ze pakte een plukje krullen uit mijn gezicht en probeerde dat achter mijn oor te schuiven. Het sprong meteen weer terug. “Natuurlijk heb je een papa,” zei ze toen. “Jouw papa is een heel belangrijke man. Een dokter. Hij maakt heel veel mensen beter. Er zijn heel veel zieke mensen waar hij woont en hij maakt ze allemaal beter. Daarom heeft hij het heel druk.”
“Komt hij daarom niet hierheen?” vroeg ik.
Mama knikte. “Maar op een dag gaan wij naar hem toe. Dan kun je zien wat een belangrijke en lieve man jouw papa is.”
“Wanneer gaan we dan?” vroeg ik.
“Binnenkort,” beloofde mama. Ik keek naar haar gezicht. Het was zachter dan anders. Haar ogen stonden een beetje dromerig. Ze glimlachte naar me. “Dan zal ik je laten zien hoe het daar is. De bergen, de bossen, de aapjes in de tuin... Wist je dat we aapjes in de tuin hadden? Ze liepen zo over ons terras! Niks geen dierentuin, gewoon in het wild. En de zon, de warmte, de geuren… Het is daar zo prachtig. Ik wil zo graag dat je het ziet.”
“En olifanten?”
Mama knikte. “Ook. Niet in de tuin natuurlijk, maar wel even verderop, in de omgeving.”
“Ik wil erheen,” zei ik. “Wanneer is binnenkort?”
Mama glimlachte, maar ze gaf geen antwoord. In plaats daarvan zei ze: “Elke ochtend stonden we vroeg op, als het nog maar net licht was. Dan was het nog lekker koel buiten. Ik liep dan meteen vanuit mijn slaapkamer naar buiten en ging even zitten op het terrasje voor ons huis. Dan keek ik hoe de wereld wakker werd, luisterde hoe de dieren geluiden maakten, hoe de planten en bomen bewogen in de wind. Met een kopje thee in mijn handen, alleen maar even kijken en luisteren. Genieten van alles om mij heen. Dan naar het ziekenhuis, mensen helpen, mensen beter maken. Jouw papa was daar heel erg goed in. Iedereen kende jouw papa. Mensen kwamen van ver weg, liepen soms bijna een hele dag, om te worden behandeld door zo’n goede dokter. Ik hielp hem bij de operaties, de medicatie, het verzorgen van wonden… We waren een goed team, jouw papa en ik.”
“Waarom ben je dan weggegaan, mama?” vroeg ik.
Mama knipperde met haar ogen. Haar dromerige blik was weg. Ze schudde haar hoofd. “Een andere keer, Julie.” Ze stond op. “Kom, we gaan.”

Die andere keer kwam niet. Later kwam ook nooit. Mama bleef zwijgen. En nu is ze dood.

Hoofdstuk 1: Julie