Hoofdstuk 1

Sukkel voor de liefde

Hoofdstuk 1

Lynn


‘Zijn we alleen?’ fluistert hij terwijl zijn lippen langs mijn oor strijken. Wat hou ik ervan als hij dit doet. Ik voel zijn handen aan de achterkant van mijn nek via mijn ruggengraat naar mijn middel glijden.
                Dit is een vergissing. Een grote vergissing. Zijn vingers grijpen het vel bij mijn heupen vast en met een zwaai draait hij me om zodat ik niet meer met mijn rug naar hem toe sta. Hij drukt zijn mond zachtjes tegen de mijne. Er volgt een kus op mijn wang en een paar kusjes op mijn kaak voordat zijn lippen afdwalen naar mijn hals.
                ‘G-geen idee,’ weet ik met moeite uit te brengen. Mijn stem hapert en klinkt schor in mijn oren. Met één oog probeer ik een blik te werpen in de ruimte waar we ons bevinden. De gang van het oude pand is leeg en de situatie lijkt onder controle ondanks het feit dat we gevaarlijk dicht bij de trap staan en er zomaar iemand naar boven zou kunnen komen. Mijn ene hersenhelft maakt zich daar vooral zorgen over terwijl de andere hersenhelft het helemaal niet boeit en me zelfs aanmoedigt om nu spontaan al mijn kleren uit te trekken. Want, ik moet eerlijk toegeven, dit is geweldig. En ik wil alleen maar meer, meer en meer.
                ‘Twijfels? Er komt heus niemand naar boven, Lynn.’
                De combinatie van de manier waarop hij mijn naam uitspreekt en zijn adem die mijn huid streelt, ontketent een lawine aan vlinders in mijn buik. Er ontsnapt een geluidje uit mijn mond dat voor een kreun moet doorgaan.
                In mijn hals, vlak bij mijn sleutelbeen, voel ik hoe zijn lippen omkrullen tot een glimlach. Binnen twee seconden sta ik met mijn rug helemaal tegen de muur gepind, zijn lichaam nog forser tegen me aan. Zijn handen overal en nergens. Ik weet het niet.
                En dan nog die lippen. Die doen het hem pas echt. Mijn hoofd tolt ervan op een manier die me doet twijfelen of ik niet stiekem high ben.
                Toch kan ik het niet laten om nog een keer over zijn schouder te spieken. Ik ga op mijn tenen staan, want hij is net een kop groter dan ik, en ik probeer om een blik te werpen op het trapgat. Wat als er toch iemand naar boven komt? Om iets bij te vullen, of de was te doen. Het zou zomaar kunnen. Voordat ik ook maar iets kan registreren dat enig gevaar zou kunnen vormen, legt hij zijn hand onder mijn kin en tilt mijn gezicht naar hem toe. Hoewel hij voorzichtig probeert te doen, voel ik de ruwheid die als een spanning tussen ons in hangt. Zijn spieren voelen gespannen alsof hij zich met iedere vezel in zijn lichaam moet bedwingen.
                ‘Wat doe je toch met me?’ vraagt Dylan. Zijn duim streelt over mijn onderlip.
                Ik druk me dichter tegen hem aan. Hier staan we dan op klaarlichte dag. In een smalle gang, geklemd tussen de koeling en het washok, op de tweede etage van een eetcafé dat zich bevindt op een van de mooiste pleinen van Nederland. Een belangrijk detail, een heleboel collega’s die ieder moment naar boven kunnen komen om schone vaatdoeken te halen, biefstukken uit te zoeken of citroenen bij te vullen.
                Wat kan er misgaan in dit plaatje?
                ‘Fuck it,’ zeg ik.
               
Eenmaal beneden in de zaak gooi ik snel mijn haren in een staart en trek ik mijn schort recht voordat ik met trillende handen een dienblad naar buiten breng. Ik ben nog niet voorbij het voorterras en heb al het idee dat ik een of ander parcours aan het afleggen ben. Kinderwagen hier, bejaardenwandelstok daar en nog een snoekduik over die vele voeten die onder de tafels uitsteken. Hoera, het is weer zo een dag. In mijn ooghoek zie ik alleen Melissa lopen, Evi heb ik zojuist afgelost en ik heb het vermoeden dat er niemand meer komt. Ik ben bang dat ik genoodzaakt ben om te gaan gillen als er nog meer mensen plaatsnemen aan de tafeltjes met die foeilelijke blauwe kleedjes.
                Als ik de weg ben overgestoken zonder aangereden te worden door een fietser, trilt mijn hand zo heftig dat het voelt alsof ik nog straalbezopen ben van de avond ervoor. Dan ook nog die wangen die gloeien, als het hele terras niet kan zien dat ik in een of andere roes verkeerd dan weet ik het ook niet. Vaarwel lief meisjes imago dat me normaal gesproken al die fooien bezorgd, vaarwel.
                Ik schaam me kapot. Zo snel als ik kan verzamel ik alle lege glazen, probeer ik opdringere zwaaiende handjes met portemonnees te negeren en loop ik met knikkende knieën weer naar binnen. Wat een afgang. Het liefst zou ik een rechtsommekeer naar huis maken, maar ik moet nog de hele avond. Zoals meestal het geval is aan het begin van een dienst, razen mijn gedachten alle kanten op. Tijdens het werk ben ik nooit helemaal zen omdat ik de helft van de tijd aan het bedenken ben hoe ik mijn tijd beter had kunnen spenderen. Nu is er natuurlijk een ander ding waar ik de hele tijd aan denk, of beter gezegd een ander iemand. Gelukkig is er altijd wel iemand die intens geniet van mijn verhalen. Het liefst zou ik haar nu meteen een appje sturen, maar dan moet ik weer helemaal naar boven terwijl het hele terras vol zit. Ik wil niet het risico lopen dat alles helemaal in de zeik loopt omdat ik zo nodig mijn beste vriendin moet appen. Een zucht ontsnapt aan mijn lippen.
                Ralph staat achter de bar, zelfs hij kan het tempo van de speciaal bieren die getapt moeten worden nauwelijks bijhouden. Terwijl ik op mijn volgende rondje met drankjes wacht om naar buiten te brengen, werp ik een blik de keuken in. Gelukkig staat de chef Maurits aan de warme kant wat betekent dat hij net om het hoekje achter het fornuis staat waardoor hij mij niet kan zien. Dylan daarentegen staat aan de koude kant bij de saladebar waardoor hij alle zicht heeft op de zaak, en dus ook op mij, maar hij lijkt niet in de gaten te hebben dat ik contact met hem probeer te zoeken. Ik vraag me af of Maurits eigenlijk in de gaten heeft wat er speelt. Of misschien iemand anders.
                ‘Gaat het wel? Je hebt toch geen koorts hé?’ vraagt Ralph terwijl hij een aantal Wieckse Witte op mijn dienblad zet. ‘Je hebt zulke rode wangen.’
                ‘Niks aan de hand,’ antwoord ik snel voordat ik mijn dienblad optil en wegloop. Tijdens mijn tweede terrasronde valt mijn walk of shame gelukkig alweer mee en trilt mijn hand niet meer zo extreem.
                Na een paar rondjes ben ik alweer de oude en valt dat verrekte terrasparcours gelukkig alweer mee. Het enige wat niet meevalt is Dylan die nog steeds doet alsof ik er niet ben, zelfs als ik zijn aandacht probeer te trekken door met mijn lege dienblad tegen de achterkant van het buffet te stoten, reageert hij niet. Negeert hij me nou of is hij zó druk aan het werk? Bij mij heeft nog niemand eten besteld, alleen bitterballen en daar hebben ze geen twee man voor nodig in de keuken. Ik besluit het maar te laten voor wat het is, misschien verbeeld ik het me wel. Dylan is sowieso vrij paranoia en we hebben al vaker ruzie gehad over het feit dat niemand over ons mag weten. Ten slotte ben ik hier ook gekomen om te werken, niet om me zorgen te maken over mijn liefdesleven.
                Een paar uur later sta ik bij het koffiezetapparaat om een koffierondje te maken voor een tafel die al de hele avond op het terras hangt. Naast me kwakt Melissa haar dienblad neer. ‘Heb je tafel 41 al gezien?’
                ‘Hoezo?’
                ‘Niet normaal. Kijk zo maar eens.’ Ze gniffelt en plaatst twee koffieschoteltjes op haar dienblad.
                Ik druk alvast voor Melissa op een knopje van het koffiezetapparaat, plaats mijn laatste cappuccino op het schoteltje en leg overal een noga bij. Op het moment dat ik mijn dienblad wil oppakken, roept een stem vanuit de keuken: ‘Melissa, wat is er nou met tafel 41?’
                Ik trek een wenkbrauw omhoog en schud zo onopvallend mogelijk mijn hoofd terwijl mijn ogen op de cappuccino’s rusten. Ongelooflijk van iemand die al de hele avond doet alsof er aan deze kant van de zaak niets te beleven valt en met zijn hoofd bij die verrekte bitterballenparade zit. Voordat ik naar buiten loop, werp ik een blik over mijn schouder. Mijn hart krimpt een beetje als ik merk dat hij dwars door mij heen kijkt en alleen maar oog heeft voor Melissa die vertelt over een iets té klef stel op haar deel van het terras. Dylan gaat het spelletje weer zo spelen.
                Net als altijd.

Hoofdstuk 2