De afbouw van de ‘ss Rotterdam’, een gelukkige tijd

De afbouw van de ‘ss Rotterdam’, een gelukkige tijd

De afbouw van de ‘ss Rotterdam’, een gelukkige tijd

Een mooie periode voor het gezin, waarin ik opgroeide, was de winter van 1958/1959, toen hoefde mijn vader, die baas timmerman was op de ‘ss Nieuw Amsterdam’ bijna een jaar niet naar zee.

Op 13 september 1958 werd het nieuwe grote passagiersschip de ‘ss Rotterdam’, die was gebouwd op de werf van de RDM op de Heijplaat, te water gelaten. In de ochtend stonden mijn broertje en ik  nog bij de verzamelde schoolkinderen ter hoogte van het Karel de Stouteplein naar koningin Juliana te zwaaien, die met haar volgauto’s de Maastunnel uit kwam rijden. De tewaterlating die zij later op de middag verrichtte was jarenlang een item in het Polygoonjournaal en op de televisie zie je bij documentaires over de opbouwjaren van Nederland ook steeds deze tewaterlating in beeld. Ons hele gezin stond erbij.  

Als baas timmerman aan boord van de ‘ss Nieuw-Amsterdam’ was mijn vader de geschikte man om tijdens de afbouw van het schip namens de Holland Amerika Lijn de werkzaamheden te volgen en te keuren. Eindelijk een functie aan de wal. De afbouw van het schip duurde een jaar, toen het schip bijna klaar was, zijn we met het gezin naar de Heijplaat gegaan en heeft mijn vader ons rondgeleid, fantastisch. Mijn vader werd baas timmerman op de ‘ss Rotterdam’ en de maidentrip was op 3 september 1959 naar New York met kroonprinses Beatrix aan boord. Toen was de mooie tijd weer voorbij dat mijn vader de hele tijd thuis was, in de ochtend naar het werk en in de avond weer thuis en zowaar steeds elk weekend vrij. Het afwisselende zeemanspatroon werd na dat jaar weer opgepakt.
 
Mijn vader was met de  ‘Nieuw-Amsterdam’ en daarna dus met de ‘Rotterdam’ rond de winter meer dan 7 maanden weg. Eerst een paar cruises in het Caraïbisch gebied en vervolgens tweemaal vanuit New York een ’reis om de wereld in 80 dagen’. De leus en de reisduur van 80 dagen waren ontleend aan de titel van het beroemde boek van Jules Verne. Mijn moeder had een intensieve briefwisseling. Er werden lange brieven geschreven, deze brieven werden meegegeven met schepen die onderweg in dezelfde plaats aanmeerden als het vlaggenschip. Later werden hele dunne velletjes beschreven die via de Holland Amerika Lijn per luchtpost werden verstuurd. Er was een schema voor welke datum voor welke haven de brief bij de Holland Amerika Lijn moest zijn. Met Kerst werd er door mijn vader via ‘Scheveningen Radio’ een taart besteld. Soms kwamen er telegramberichten binnen, ook via ‘Scheveningen Radio’. Een keer heeft mijn vader zelfs opgebeld, dat was uit Monaco, het schip lag daar en mijn vader had in het casino een geldbedragje gewonnen. Verder kwamen uit heel de wereld de ansichtkaarten, de lage glazen tafel in de huiskamer werd een kunstwerk, de kleurige ansichtkaarten werden netjes onder het glas geschoven. Een tafelblad van ansichtkaarten, waar je lang naar kon kijken. Zo kwam een beroemde steile kronkelstraat in San Francisco, toen ik daar later ter plekke was, mij heel bekend voor.

Als mijn vader na die ruim 7 maanden op zee in het voorjaar terugkwam, had hij 2 á 3 weken verlof. Het was altijd feest: speelgoed, indianenpakken, revolvers, hippe kleding, origineel snoep uit New York en de eerste elektronica uit Japan, het hield maar niet op. Een ideaal deeltijdgezinnetje met mijn vader als middelpunt. Na het ‘grote verlof’ waren er tot de volgende 7 maanden winterperiode de 3 wekenreisjes Rotterdam-New York-Rotterdam. Elke 3 weken hetzelfde ritueel, zaterdagochtend kwam het cruiseschip in Rotterdam aan, een ideaal lang weekend, maar ook weer elke keer het afscheid. Op dinsdagmiddag hoorde je over Rotterdam de fluit van het grote passagiersschip aan de Wilhelminakade, de reis stond op het punt te beginnen. Nadat de school uitging om halfvier haastte ik mij met mijn broertje en mijn moeder naar de drie steigers (verschillende hoogten, gebruik afhankelijk van de waterstand) op het Charloisse Hoofd, waar meneer de Jong, een kennis van de familie en oud kapitein, zich ook vaak bij ons voegde. Op de steiger werd met witte zakdoekjes naar het schip gezwaaid, mijn vader stond als verantwoordelijke voor het ophalen van het anker op de voorpunt van het schip. Meestal was het anker op tijd opgehaald en kon hij het zwaaien met zakdoeken met zijn eigen witte zakdoek beantwoorden. Dat zakdoek zwaaien was nodig omdat op deze afstand personen niet echt te herkennen zijn. Mijn broertje en ik riepen hard over het water: ‘Pappa, pappa’. Dat was hoorbaar op het schip, bij de bemanningsleden die het hoorden, schoten volgens mijn vader, vaak de tranen in de ogen.

Toen ik ouder was heb ik zelf op 18- en 20- jarige leeftijd nog een paar 3 weken reisjes naar New York gemaakt als liftboy, loopjongen voor het pursersoffice en deckboy. Weliswaar niet met de ‘ss Rotterdam’, maar haar voorganger als vlaggenschip de ‘ss Nieuw Amsterdam’, ja om nou op hetzelfde schip als je vader te varen. Maar ik had wel een unieke en onvergetelijke ervaring van het leven dat mijn vader altijd leidde op zo’n cruiseschip. Zeven uur per dag werken, zeven dagen per week.  Na 2 dagen was de maatschappij aan de wal al bijna uit mijn bewustzijn verdwenen. De verbinding per schip tussen New York en Rotterdam had nog echt een levendige functie, op de Wilhelminapier werden de grote Amerikaanse auto’s, die de passagiers meenamen naar Europa, op de kade gezet. Tijdens  de reisjes die ik in de zomer maakte, gingen hele groepen Amerikaanse studenten mee, zij hadden als beloning voor het afstuderen op de highschool een cultureel reisje Europa van hun ouders aangeboden gekregen. Passagiers namen ook vaak hun honden mee, mijn vader had de hondenkennel onder zich, hij vond het fantastisch met de honden om te gaan, het was ook heel lucratief, in die tijd deelden de passagiers nog persoonlijk de fooien uit aan de bemanningsleden. Aan het eind van de reis gingen ze met de rolletjes bankbiljetten rond. Ook voor mij was vooral de liftboy functie lucratief geweest, traliehekje open en dicht en naar welke verdieping wilt u.  Mijn vader had als één van zijn taken naast het vele timmerreparatiewerk aan boord het sluiten van de patrijspoorten als er storm dreigde, met hulp natuurlijk van de 2een 3etimmerman. Een mooi verhaal dat ik van een paar bemanningsleden over mijn vader hoorde was het feit dat de timmerlieden de taak hadden tijdens de reis overleden passagiers te kisten. Als ondersteuning van dit voor leken toch wat enge karweitje, kregen de timmerlieden een paar flinke borrels, het scheen dat mijn onberispelijke vader dan toch wel uit zijn rol viel.

De reisjes over de Atlantische oceaan werden verdrongen door het vliegtuig en vanaf 1970 zagen we de Rotterdam niet meer aan de Wilhelmina pier, het werd voor honderd procent cruisevaart vanuit New York. Maar ik zie de  ‘ss Rotterdam’ nog steeds voor mij, als ik op het Charloisse Hoofd sta.

William Bonte