Proloog

De regen fluisterde haar naam

Proloog

In tegenstelling tot de slanke, afgetrainde meiden in de boekjes bij de tandarts, ben ik allesbehalve slank en sportief. Vroeger danste ik weliswaar, maar ik was niet in topvorm. Een dansles van anderhalf uur kon ik maar net volhouden, om vervolgens in een zweetuitbarsting terecht te komen. Mijn souplesse zat ergens in het midden op een schaal van gekookte spaghetti tot een tak.

Toen mijn zus overleed, heb ik me voor het eerst de benen onder het lijf uitgelopen. Niet gejogd, maar gesprint. Urenlang, tot ik besefte dat ik de waarheid onder ogen moest zien.

Mijn zus was enkele dagen voor haar dood in het ziekenhuis opgenomen en zowel mama, papa, als ik hielden constant de wacht bij haar.

Op het moment dat ik even weg was om te eten, stopte ze met ademen en ik was te laat om nog vaarwel te zeggen. Mijn ouders zaten sprakeloos naast haar bed.

Daar stond ik, met een donut in de hand. Eentje met roze glazuur en witte hagelslag. Die had ik voor haar gekocht in de cafetaria. Ik wist dat ze er zo gek op was. Ik weet nog dat ik dacht dat dit misschien alles goed zou maken, dat ze met de donut weer even energie zou hebben.

Ik keek rond in de kamer, wachtend tot iemand me iets zou meedelen, maar mijn beide ouders keken naar Louise. Niemand zei iets en zo kwam ik er achter: mijn zus was dood. Mijn lieve zus.

Het leven zoals ik het tot zover kende, stopte in een fractie van een seconde. Op dat moment dacht ik maar aan één ding: ik moet hier weg. Mijn lichaam kwam in beweging en ik begon te lopen, weg uit de kamer, weg uit het ziekenhuis. Zo ver mijn benen me konden dragen. Ik rende tot het pijn deed en ik steken in mijn zij kreeg. Tot ik dacht dat mijn hart ging exploderen, omdat het zo hard moest pompen. Ik kwam er pas later achter dat deze pijn, deze godsgruwelijke hartpijn, de pijn van het verlies was.  

Mijn zus haar longen hadden het begeven en haar hart was bijgevolg gestopt. Ze was zo verzwakt en mager geworden dat ik haar zelfs niet herkende op de laatste dag. Het is net dat gezicht dat me achtervolgt. Het zijn die holle, donkere ogen en de bleke, vervelde mond die ik zie wanneer ik mijn ogen sluit. Wanneer ik droom dat ze er nog is. Maar ik weet het zeker, dat is niet mijn zus.

Mijn zus, Louise, had zich er druk om gemaakt telkens ze zichzelf in de spiegel zag. Ze had veertig graden koorts, was al dagenlang ziek en het enige wat mijn zus dacht was: ik ben niet langer mooi. Op dat vlak week ze geen millimeter af van het stereotype beeld van een meisje-meisje. Het was hartverscheurend.

Haar eens zo lange, glanzende haren waren dof geworden en ik kon begrijpen dat mijn zus haar eigen aanblik niet meer wilde zien. Ze was ook niet om aan te zien. Dat zeg ik omdat het de waarheid is, niet omdat ik onbeleefd ben. Want mijn zus was altijd een prachtig kind geweest. Golvende, bruine haren die op haar schouders op- en neerdeinden als ze stapte met een kleine huppel. Ze had een Mary Poppins-aura om zich heen hangen. En ze zong constant. Onder de douche, op de fiets, voor we aan tafel gingen, tijdens het eten en erna tijdens de afwas. Ik werd er gek van. Ontelbare keren heb ik tegen haar geschreeuwd dat ze haar bek moest houden, omdat ik helemaal doordraaide van haar gezang.

Nu wens ik maar één ding: haar horen zingen. Dat ik haar stem nog één keer zou mogen horen. Maar ik weet dat ik dat niet verdien.

Hoofdstuk 1