De blauwe kamer

De blauwe kamer #SweekStars2018kort

De blauwe kamer

Ze doet het gordijn nooit helemaal dicht. Ze laat altijd een kiertje open. Soms komt het kiertje in mijn gedachten als ik van mijn werk naar mijn huis loop. Opeens is het er tussen al mijn andere dagelijkse gedachten, over het eten, over mijn patiënten van die middag en de dakgoot die gerepareerd moet worden. Als het kiertje in mijn gedachten is, gaat het er niet meer uit. Het enige wat ik dan wil, is naar huis. Kijken of ze al thuis is. Als ik op tijd ben, kan ik net zien hoe ze de gordijnen sluit en het licht aandoet. Ze doet het licht in haar kamer altijd aan als het nog niet donker is.

Terwijl ik achter mijn fornuis truffelsoep maak, volg ik haar silhouet en de bewegingen die ze maakt. Ze eet op de bank haar afhaalmaaltijd en doet een rekoefening. Tijdens de afwas zie ik hoe ze zich uitkleedt, eerst tergend  langzaam, met aandacht, dan steeds sneller, alsof haar leven er vanaf hangt. Ik vraag me af of ze het bewust doet. Of ze het een opwindend idee vindt, dat iemand haar ziet. Ik weet dat ze van provoceren houdt.

Overdag is het kiertje er niet. Overdag zijn ze gewoon open, de gordijnen. Ze zijn wit en doorschijnend. Door het raam kan ik haar hele kamer zien. Er staat een groot wit bed, een kledingkast en een klein keukenblokje. Op de vensterbank staat een ouderwetse transistorradio en een metalen wekker die je kunt opwinden. Op het nachtkastje ligt een aangebroken pakjes zakdoekjes. Overdag zie ik ook de muren. Ze zijn eigenlijk te blauw naar mijn smaak. Ze zijn helblauw, niet het blauw waar je van tot rust komt. Ik zou haar graag vertellen, dat het haar rust niet bevordert, zo’n kleur. Dat ze gebaat is bij een zachter blauw. Aan de muur hangt een uitvergrote foto van New York. Het is haar lievelingsstad. Ze heeft er een tijdlang gewoond, toen het nog goed met haar ging.

Ze is bang in het donker. Als er geen licht aan is, durft ze niet naar bed te gaan. Ik weet dat ze soms verstijfd in bed kan liggen, alleen maar omdat het zo stil is. Ze vindt stilte onheilspellend. Soms kan ze denken dat ze dood gaat alleen maar door de stilte.

Twee maanden geleden kwam ze bij me. Ze had angsten, vertelde ze me. Ze kon vaak niet slapen. Het ging haar leven meer en meer beheersen. Het was een hele stap voor haar, om bij me te komen, vertelde ze. Ze hield niet van psychiaters. Ze vertrouwde ze niet. Ik kon het haar natuurlijk niet vertellen. Dat ik haar zie. Elke dag. Vanuit mijn keukenraam. Dat ik naar haar kijk, al langer dan een jaar. 

Het is me zomaar overkomen, terwijl ik zat te eten aan de keukentafel. Ik zag een licht aangaan, terwijl het nog helemaal niet donker was. Mijn ogen werden getrokken naar dat licht, naar de handen die de gordijnen sloten, naar dat kiertje dat overbleef. Ik kon ze er niet meer vanaf houden. Ik wilde weten wie ze was. Ik wilde weten wanneer ze ging slapen. Ik wilde haar bewegingen zien. Het werd een ritueel. Het werd de reden om naar huis te gaan.

Ik had haar natuurlijk kunnen weigeren. Ik had kunnen zeggen dat ik een wachtlijst had. Ik had haar kunnen doorverwijzen naar een collega. Maar ik kon het niet. Ze is prachtig. Ze heeft krullend zwart haar en ijsblauwe vlammende ogen. Ik geef haar ieder keer netjes een hand als ze bij me binnenkomt. Zoals ik doe bij al mijn patiënten. Ik weet dat obsessies sluipend en geleidelijk kunnen ontstaan. Het lijken onschuldige handelingen die niemand kwaad doen en nemen steeds meer bezit van je. Zij weet het niet. Zij weet niet dat ik over haar waak. Elke avond. Dat ik elke avond zie dat ze er is en dat het veilig is. Ze hoeft niet bang te zijn. Ze hoeft nooit meer bang te zijn. Ik zou willen dat ik het haar kon vertellen.