De vrouw zonder gezicht

De vrouw zonder gezicht

De vrouw zonder gezicht

Over tien dagen zou ik dertien worden, maar die verjaardag heb ik nooit gevierd. Nog kan ik mijn moeder uittekenen, zoals ze voor me staat. Ze lijkt op de filmsterrenplaatjes die ik spaar. Zo anders als op de dagen waarop ze in haar onderjurk op de bank ligt. De grote rode bloemen spatten bijna van de enkellange zomerjurk af. Rozen of klaprozen misschien. Nog voel ik haar beide handen om mijn gezicht. Ze streelt mijn haar, daarbij de wispelturige lok verschikkend voor een enkel ogenblik.

‘Zul je een goede jongen zijn? Geef je moeder eens een grote zoen.’

Ik wil haar niet op de felrood gestifte lippen zoenen. Ik kus haar vluchtig op haar wang, waarbij mijn lippen haar huid nauwelijks raken. Nog berouw ik die ingetogen reactie van mijn puberbrein. ’s Avonds is mijn moeder zomaar verdwenen.

 

Over vier dagen zou ik mijn dertiende verjaardag vieren. Er ligt een vrouw bij de rivier. Waar het nooit druk is staat nu een menigte. Men verdringt zich om een glimp op te vangen van de drenkelinge. Het is duidelijk dat de sensatiezucht het wint van het voorgewende afgrijzen. Ik zie alleen witte benen, schaamteloos bloot tot haar onderbroek. De rok is omhoog geslagen en bedekt haar gezicht. Een gezicht met rode bloemen. Klaprozen, denk ik toch.

 

Op mijn dertiende verjaardag staat er een kist op de eettafel in plaats van taart. Een kist bedekt met rode bloemen. Voor de spiegel strijk ik mijn lok recht. Zo zou ze het graag gezien hebben. Zachtjes kus ik het bleke gezicht dat me aankijkt.

 

Over tien dagen word ik drieënveertig en ik schilder een vrouw zonder gezicht in een witte jurk met rode vlekken. Ik heb deze vrouw al zoveel keer geschilderd dat het mijn handelsmerk is geworden. De zwakte van de herhaling wordt herkend als mijn kracht. Ik herken mijn zwakte in de leemte van mijn leven.

Het besluit is daar, een vreemde nostalgie heeft zich van me meester gemaakt. Ik ga op bedevaart, naar het huis van mijn jeugd, waar ik sinds mijn vader verhuisde, niet meer ben geweest. Schildersdoek, verfspullen, lunchtrommel mee. Het voelt als een schoolreis. Het gevoel dat er iets te gebeuren staat, verovert mijn lichaam. Het oude huis is onherkenbaar veranderd. Ik zie kinderen spelen in de tuin. Een leuke jonge vrouw zit op een bankje. Ik twijfel of ik zal vragen of ik binnen mag kijken. Ik weet al dat dit me niets zal brengen. Het begrip thuis schrap ik uit mijn woordenschat. Ook de school brengt geen herinneringen. Het nieuwe gebouw lijkt in niets meer op het oude. Ik besluit om gewoon wat in de omgeving rond te rijden. Voordat ik er erg in heb ben ik bij de rivier. Ik parkeer mijn auto op het gras en stap uit.

 

Dertig jaar geleden zit ik ’s avonds met mijn vader aan tafel. Hij heeft gekookt, zoals zo vaak op de dagen dat mijn moeder alleen maar op de bank kan liggen. Ik zie zijn onrust.

‘Mama is uitgegaan. Ik denk dat ze met de bus naar tante Aleida is.’

‘Dat denk ik ook. Ze was vanmorgen zo mooi.’ Mijn vader knikt, om zichzelf te bevestigen. De onrust in zijn ogen wijkt echter niet.

‘Ja, ze was mooi vanmorgen.’ We eten zwijgend verder.

 

Over tien dagen word ik drieënveertig. Na dertig jaar ben ik weer bij de rivier, waarvan ik het bestaan uit mijn gedachten heb verdrongen. Langzaam loop ik de rivier in. Tot mijn knieën. Dan sta ik stil. Voor me staat een vrouw, met de rug naar me toe. Zal ik haar roepen, zal ze zich omkeren, zal ze me volgen? Ik roep niet. Ik draai me om.

Op mijn drieënveertigste verjaardag heb ik afgesproken met mijn vader. Ik haal hem op bij zijn kleine woning. Hij zit al klaar en verwacht dat we samen gaan lunchen, zoals ieder jaar op mijn verjaardag. Ik bezoek hem veel te weinig. De dood van mijn moeder heeft het leven uit mijn vader gezogen. Mijn jeugd bracht ik door in stilte met hem en ik was blij dat ik op mijn achttiende het benauwende huis kon verlaten. Ik hield me voor dat hij niet paste in mijn leven van kunst, vriendinnen en vertier.

We staan bij de rivier. Ieder met zijn eigen gedachten. Wachtend wie het eerst het zwijgen zal verbreken.

‘Hier hebben ze je moeder gevonden zes dagen nadat ze verdwenen was. Ze was die ochtend van haar verdwijning prachtig.’

‘Ja, ik herinner me nog hoe mooi ze was. Ze leek op de filmsterrenplaatjes die ik toen spaarde. Ik weigerde een zoen toen we afscheid namen.’

Dit is de eerste keer dat we er over spreken. Mijn vader zwijgt.

 

Over tien dagen zou ik dertien worden, maar die verjaardag heb ik nooit gevierd. Na een vluchtige zoen op mijn moeders wang, sla ik op weg naar school af naar de rivier, zoals zo vaak. Vooral op de dagen dat mijn moeder onrustig is, zoals mijn vader dat noemt, ben ik te ongedurig om op school de rust te vinden. Bij de rivier pak ik mijn schetsboek en teken ik alles wat ik zie of wat ik in mijn hoofd verzin. Vele bladen vol. Ik lig op mijn buik en ben net bezig een kever te tekenen, als ik een vrouw de rivier in zie lopen. De rok van haar jurk bolt op in het water. Als zij tot haar middel in het water staat drijft de rok met rode bloemen als een groot plompenblad om haar heen. Ik zie een tekening in mijn hoofd. Ik maak me zo klein mogelijk en hoor nog in mijn hoofd ‘Zul je een goede jongen zijn?’ Mijn angst om ontdekt te worden is zo groot dat ik de eigenaardigheid van de situatie niet tot me door laat dringen. Stap voor stap loopt ze verder, steeds dieper. Dan pas begrijp ik dat er iets niet klopt. Ik kan mezelf niet meer bedwingen en spring op.

‘Mama!’

Haar beweging verstart, haar hoofd draait om richting het geluid. Haar starre ogen zien me. Ze herkent me, zie ik.

‘Mama, wat doe je in het water?’ Haar ogen worden groot, te groot in haar witte, magere gelaat. Ze opent haar roodomrande mond. Er is niets meer te vinden van de liefde van net. Ze gilt, ze krijst. Ik pak mijn spullen en ren weg. Misschien verwacht ik dat ze me achterna zal komen. Bij het pad kijk ik om. Maar nee, nog staat ze daar. Haar ogen neergeslagen, draait ze zich weer van me af en loopt verder het water in. Stap voor stap verdwijnt ze onder water. Ik merk op dat haar jurk nog steeds drijft. Rode bloemen drijven op het water. Klaprozen.