De mannen van het ss Rotterdam, de mouwen opgestroopt, geen gezeik

De mannen van het ss Rotterdam, de mouwen opgestroopt, geen gezeik

De mannen van het ss Rotterdam, de mouwen opgestroopt, geen gezeik

 

Het schip ss Rotterdam ligt nu te pronken in een supermoderne stad Rotterdam. Schepen worden nu overdekt gebouwd. De ss Rotterdam werd in de late jaren vijftig gebouwd. In de open lucht. Van veertig graden Celsius boven nul tot min twintig graden Celsius. Alles met blote handen, gewichten sjouwend boven de twintig kilogram. In weer en wind.

Ik hoop jullie een leuk kijkje te geven in de mogelijke omstandigheden, waarin dit schip werd gebouwd.

Ik, die als achttienjarige jongen aan boord kwam.

'Morrie', zei de man, die me als maat aangewezen was. Daarbij wees hij naar de kist, ten teken, dat wij hem samen naar boord zouden dragen. Ik sjokte achter hem aan. Een hand aan de zware kist, de andere aan de wiebelende touwen van de loopplank. Nauwelijks in staat om gewoon over deze loopplank te lopen. Struikelend over laskabels, luchtslangen en andere kabels. Eenmaal aan dek gekomen, liep hij naar de reling en zei: 'Lekko.' en liet de kist los. De rest van de dag had ik last van mijn scheen. ‘We lullen hier Engels’ , verklaarde hij later ‘(let go) betekent “laat maar los”

Ik keek om me heen en zag overal water, kranen. Waar waren die duizenden stoere kerels gebleven. Ik zag ze toch echt voor mij aan boord gaan. Een rilling ging door me heen en niet alleen door die miezerige wind op het hoge dek. Ik voelde als in een soort trance. Wat ik zag was kolossaal. Aan de overkant de vele havens. Ze lagen vol schepen en scheepjes. Veel werden er toen nog met de hand gelost en geladen, wist ik. Zakken met meel op de schouders.  Als ’s morgens een schip aanmeerde, stond er binnen een mum van tijd een grote groep mannen te wachten. De baas stond op een verhoging en wees degenen aan, die hij die dag kon gebruiken om het schip te lossen. De uitverkorenen stroopten hun mouwen op en gingen aan boord. De rest van de mannen hadden deze dag geen loon en vertrokken weer. De mannen, die wel werk hadden, kregen aan het eind van de dag, of als het langer duurde, aan het eind van de week, hun loon. Zo verdienden ook hier aan boord sommige mannen per dag. Ze werden ’s morgens door koppelbazen aangewezen. Of niet.

Het loon zat in een klein papieren zakje, met het bedrag er handgeschreven op en het geld er in. Veel van hen liepen direct naar een van de strategisch opgestelde kroegen. Ze dronken er een, twee of meer biertjes. Vaak was er nog geld over voor de vrouw, zodat deze nog brood voor de kinderen kon kopen. Mijn vader ging nooit naar de kroeg en droeg keurig al het geld aan mijn moeder over, die het in haar portemonnee stopte en in haar huishoudboekje noteerde.

'He, wat sta je daar nou te dromen?' hoorde ik mijn maat roepen. Ik kon me niet losscheuren van de verschrikkelijke indruk, die dit kolossale karwei op mij maakte. Mijn gedachtes stopten niet.

Mijn maat kwam aan het eind van de dag op mij af en zei:'Hoe heet je eigenlijk?'

'Jan Willem.'

'Jij heet Jan. Dubbele naam ken niet.’

Met smerige handen kwam ik na werktijd van boord. Ik vroeg aan mijn maat, waar ik mijn handen hier kon wassen. Hij wees naar het water in de haven. Stinkend en ongewassen stapte ik in een tram. En viel er niet op.

De volgende dag mochten mijn maat en ik ons omkleden in een barak. We kregen een vaste plek op de werf. Als vaste arbeidskrachten. Van spanning moest ik een plas. Mijn maat wees me de wc aan. Vier naast elkaar, met halve deurtjes ervoor. Als er onder die deurtjes een overall op de werkschoenen te zien was, zat daar iemand. De deurtjes konden niet op slot. Als je zo’n wc binnen stapt, zie je achterin een soort lage goot, waar water door stroomt. Daar ga je boven op de rand zitten om te poepen. 'Maar pas op.' zei mijn maat nog net op tijd. 'Soms pleurt de een of andere idioot in het begin van de goot een brandende lap. Die drijft dan van de ene naar de andere wc. Als je dat niet in de smiezen heb, ken je de hele dag op de brandblaren zitten.’

Het schip werd zo groot, dat er veel werkzaamheden zich gingen herhalen. Ik moest vijftig lampen ophangen en had er steuntjes voor laten oplassen. Dat ging zo. Mijn maat kon een beetje bakken, zo noemde ze het als je slecht kon lassen, maar het bleef wel hangen. Hij bakte de steuntjes op de goede plaats en schreef er met krijt “las” onder. De lasploeg, die steeds langs kwam en laste het dan goed vast. Vaak deden we dat tegen de avond en konden we ’s morgens de lampen ophangen. Maar je moest wel oppassen. Er waren ook wel grapjassen, die er met krijt “hak” onder schreven. Als de hakploeg dan langskwam hakte die de steuntjes weer los. Dan konden we alles weer opnieuw maken.

In de pauze werd ook in de barak gegeten. Koffie kon er gekocht worden. In een nauwelijks gewassen stenen beker. De koffie werd uit een grote ketel geschept. Door een dove man, die door zijn doofheid niet geschikt was om aan boord van een schip te gaan. Met een druipende neus van de kou, stond hij boven de ketel hete koffie. Compleet met veel suiker en melk. Daarna ging ik tussen de mannen met opgerolde mouwen zitten. Grote monden, luid gelach. Zware shag en behaarde armen. Echte man-mannen. Ik mocht er bij zitten, maar de meeste grappen ontgingen mij. Maandag was de werf en heel Rotterdam een gons over Feyenoord. Ik maakte een toppunt mee. Feyenoord-Sparta. Frankie, mijn jongere collega was er natuurlijk geweest. Feyenoord kwam bij hem in bijna elke zin voor. Net als een vloek, trouwens. Hij had er die dag voor gezorgd voor werktijd de eerste in de kantine te zijn. Hij had een plekje in de hoek uitgekozen. Op deze maandag. Hij zat uitgebreid achter de opengevouwen krant. De voorpagina was voor de rest van de collega’s goed te zien. Daar stond  een foto op, waarop een hand de pet van de trainer van Sparta afpakte. De hele kantine wees er naar. Tot Frankie de krant liet zakken en met de pet van die trainer op zijn hoofd zat. Gebruld werd er: ‘Die hand was van Frankie.’

Na werktijd stonden de mannen bij ronde wasbakken hun handen te wassen. Schouder aan schouder. Koud water met zandzeep. Werking; zo hard mogelijk in je handen wrijven en schuren. “Boerenleen” zorgde voor toilet en sanitair. Hij was, zoals zovelen vroeger boer geweest en liep nog op klompen en had een alpinopet op.

De zeep was op en mijn maat riep hem: 'Boerenleen, zeep.'

Je hoorde Leen op zijn klompen wegklossen.

'Komp er an.', riep hij en je hoorde hem op zijn klompen wegklossen.

Mijn maat wilde graag naar huis, dus hij riep: 'Ken het niet sneller?'

Dan staat Boerenleen toch snel achter hem en zegt: 'Pak maar an.'

Mijn maat doet een hand naar achteren en begint als in een automatisme de “zeep” met beide handen te wrijven. Al snel voelt hij, dat de anders zo koude zeep nu wel erg warm is en ruikt. Hij kijkt en ziet in zijn handen in een dikke warme drol. Weer gebrul: ‘wat een stank.’

 

vroeger

vroeger was alles beter

boten van hout

mannen van staal

douches koud

 

Grapjes werden er gemaakt, maar er werd vooral keihard gewerkt. Onder omstandigheden, waar nu niemand meer tegen zou kunnen. Nieuwbouwboten op een helling in de open lucht. Bij vorst was het staal kouder dan ijs. De oostenwind koelde je de hele dag af. Tot mannen zelfs ’s nachts in bed niet meer op temperatuur kwamen. Toch hebben deze mannen, met opgestroopte mouwen, het land na de oorlog weer herbouwd. Van tien tot twaalf uur per dag hard werken.

In mijn eerste winter was het soms zo koud, dat ik ook in de avond niet meer warm werd. Niet na een warme douche, niet bij de kolenkachel, niet in bed. ’s Nachts had ik aan mijn vrouw zelfs niet voldoende warmte en moest ik schudden om het een beetje minder koud te krijgen. Een soort onderkoeling, omdat ik de hele dag op het hoogste dek in de ijskoude vrieswind had gewerkt. Ik had me zelfs een paar keer ziek gemeld en dat ging toen niet eenvoudig.

Een harde werker, Rinus, werkte vele late avonden tot laat door. Op verzoek van zijn baas Joop, die de wind er flink onder had. Vele avonden was Rinus de klos. Hierdoor zat de vrouw van Rinus vele avonden alleen. Baas Joop wist er wel wat op en troostte de vrouw wat. De hele werf wist dat, behalve Rinus zelf. Tot iemand het hem in zijn oor fluisterde. Rinus pakte een eind pijp, vloekte alle vloeken, die er zijn en ging woest achter baas Joop aan. Over de hele werf hoorde je het getier en gevloek.

Buiten de menselijke onhandigheden en conflicten, waren er ook vele gevaren tijdens de arbeid. Die heb je niet de eerste dag door, maar je leert snel om te overleven. Enkele voorbeelden. Er werd zonder enige waarschuwing boven je hoofd gelast. Een plotselinge fontein van vuur zette je overall bijna in brand. Zeker als je zelf op een ladder stond.

Dekken werden verhit om ze recht te krijgen. Je moest er niet je blote hand op leggen.

Als je “van onderen”, hoorde roepen, zoek dan dekking, want dan viel er wat of liet iemand wat vallen. Er werden nog geen helmen gedragen en er werd veel op steigers gewerkt. Met losliggende steigerplanken. Ook de rommel op de steigerplanken viel vaak naar beneden.

 

De passagiers, die later aan boord kwamen, hadden geen idee van de prestatie, die deze mannen hadden geleverd. Ze waren wel degelijk trots op de arbeiders, maar je weet pas wat koud is, als je het zelf heb gevoeld. Je weet pas hoe koud staal is, als je er de hele dag mee moet werken. Je weet pas hoe zwaar een kleine motor is, als je hem op je schouder aan boord hebt moeten dragen. Ik voel de kou nog, ruik de lasdampen of het gisteren was, maar ben ook verschrikkelijk blij, dat ik dit heb mogen meemaken.

Laten we trots blijven op het schip de SS Rotterdam, maar laten we hierbij vooral denken aan die mannen…zij die dit schip met hun blote handen hebben gemaakt. Kijk naar het staal en besef, dat het met de hand en simpele middelen is gebogen. Op andere plaatsen juist kaarsrecht gemaakt. Geen Arbo-wet, die hen beschermden. Geluk, alertheid en doorzettingsvermogen. Handen opgestroopt. Het zit nog in de gene van elke Rotterdammer.