1.

Ik was wees

1.


                                                                                                                       

                                                                                                                        Wees voorzichtig
                                                                                                                       met wat je gelooft

                   

                                                                                                                                  – Willy –


Je krijgt niet altijd wat je wilt en dat is soms maar goed ook. Soms krijg je wat je niet wilt en dat blijkt achteraf nog beter. Dat kreeg ik te horen na een huwelijk van iets meer dan vijf jaar. Sarah kon zelfs niet wachten tot de beruchte zeven jaar, het algemeen aanvaarde overstromingsgevaar voor elke verbintenis. Ze wou niet gaan tot het punt waar alle koppels met moeite het hoofd boven water houden. Ze had geen zin om te spartelen. Ze wou verdwijnen. Ook toen we nog getrouwd waren, was Sarah al een tijdje uit het zicht. Ze kwam nog naar huis, ja, dat wel, maar ze zat met haar hoofd ergens anders.
De avond van haar vertrek, nu zes jaar geleden, was ze ijzig kalm. Veel woorden maakte ze er niet aan vuil. Ze pakte haar koffers en gaf me haastig een zoen op de wang. De waterkoker mocht ik houden, zei ze, om me aan het verhaaltje van de gekookte kikker te herinneren. Gooi je een kikker in kokend water, zei ze, dan springt hij eruit. Gooi je een kikker in koud water en verwarm je het water geleidelijk aan, dan blijft de kikker zitten, wordt langzaam gekookt en sterft uiteindelijk. Ik heb gesprongen, zei Sarah, misschien moet ook jij dat af en toe eens doen.
Ik ben geen springer, meer een man van de geleidelijkheid. En van de wetenschap. Dat verhaaltje van die kikker is trouwens pure nonsens. Toch heb ik de waterkoker niet teruggegeven.
Vandaag heb ik af te rekenen met een andere soort vrijpostigheid. Ik zal alles uit de kast moeten halen om de vrouw die zonet mijn woonkamer ingepalmd heeft met de grootste omzichtigheid te benaderen. Die vrouw is mijn moeder.
Ik duw de waterkoker onder de kraan en vul hem met een weinig water. Een beklemmend gevoel bekruipt me tot op het bot. Ik zet het rode, glimmende ding op het onderstel en duw het lipje naar beneden. Gefocust op het lange, smalle venstertje wacht ik tot het water begint te borrelen. Lang duurt mijn concentratie niet. Vele mogelijke woordenwisselingen met mijn moeder wellen in mijn hoofd op. Vast en zeker komt de vraag of ik al een nieuw lief heb. Moeders zijn om duistere redenen vreselijk bedreven in het stellen van pijnlijke vragen. Maar dat is nog het minste. Ik weet dat ze hoopt dat het antwoord negatief zal zijn. Alsof een vrouw in mijn leven alle rampspoed van de wereld niet alleen over mij maar ook over haar zal doen neerdalen.
Ja mama, maar het is niet omdat het met Sarah slecht is afgelopen, dat het met elke vrouw zo zal zijn, dat zal ik tegen haar zeggen.
En zij zal zeggen dat alle vrouwen hetzelfde zijn. Zoals alle mannen hetzelfde zijn.
Ik zal vragen hoe zij dat kan weten.
Mijn moeder zal met een ingehouden ergernis de discussie afsluiten met haar afgezaagde axioma: omdat ik het zeg.
Het water pruttelt zacht. Ik ruk een pak blaadjes van de scheurkalender. Mocht mijn moeder de keuken binnenkomen, dan zal ze zien dat ik toch tenminste de tijd kan bijhouden. De spreuk die me vandaag gelukkig zou moeten maken, is zoals altijd nietszeggend: 'Er is altijd iemand die om je geeft. Misschien zonder dat je het weet.' Als ik ooit nog zo’n drakerige kalender krijg, dan gooi ik hem meteen in de vuilnisbak. De tijd vliegt, hopla.
Het lipje van de waterkoker springt naar boven. Ik schenk het water in een kopje en laat het theezakje als een marionet erin dansen. Mijn hart bonst vlugger dan normaal. Ik betreed het arena van de woonkamer, zet mijn kopje thee op een rood, vierkant Ikea-tafeltje en plof me in de luxefauteuil die er vlak naast staat. Er hangt een monumentale zwaarte in het huis. In de tuin loopt de kat van de buren. Ze gluurt eventjes door het schuifraam en zet vervolgens haar zorgeloze leventje voort. Ik blijf strak voor me uitkijken maar het voelt alsof de blik van mijn moeder me als een gier benadert.
‘Je moet echt niets hebben?’ vraag ik, blij dat ik met deze onschuldige vraag de afschuwelijke stilte kan breken. Ze schudt het hoofd en maakt een afwijzend handgebaar.
‘Heb jij dit allemaal gelezen?’ vraagt ze. Ze tuurt naar een boekenplank met hooguit twintig boeken erop.
‘Sommige zelfs tweemaal,’ zeg ik.
‘Het is lang geleden dat we elkaar nog gezien hebben, is het niet?’ vraagt ze venijnig.
‘Elf jaar. Van mijn trouwfeest,’ zeg ik.
Het waren elf luchtige jaren zonder een veroordelende blik, zonder een aanmanend vingertje, zonder een verstikkende duim die mij klein hield.
‘Heb je Sarah nog gezien?’ vraagt ze.
Ik nip van mijn thee. Mijn tong staat ogenblikkelijk in brand.
‘Het is goed dat je daar vanaf bent,’ zegt ze. ‘Ze was ook veel te jong voor jou.’
‘Negen jaar is geen eeuwigheid.’
‘Nog een geluk dat je af en toe de telefoon opneemt, anders wist ik helemaal niets meer van je.’
Aangetrokken tot het gekraai van een groep vogels slentert ze naar het raam.
‘Was het niet van die irritante vogels, dan woonde je hier wel rustig,’ zegt ze.
‘Dat zijn kauwen. Ze noemen ze geluksvogels,’ zeg ik.
‘Je mag ze noemen zoals je wilt, maar al dat gekwetter maakt niemand gelukkig, daar ben ik zeker van.’
‘Misschien komt het geluk niet altijd op een rode loper?’
‘Ik snap nog altijd niet waarom je in Brugge bent komen wonen,’ zegt ze. ‘Was Oostende dan niet goed genoeg?’
Hoe moet ik haar zeggen dat voor Sarah en mij een afstand van 25 kilometer het absolute minimum was?
Haar blik is gericht op een plantje op de vensterbank. Zonder iets te zeggen, gaat ze ermee naar de keuken en geeft het water.
‘Vetplantjes hebben niet veel water nodig,’ roep ik.
‘Wat weet jij daarvan?’
De kraan loopt overvloedig. Ik vrees het ergste. Ze komt uit de keuken, zet het plantje terug maar niet op dezelfde plaats.
Haar arendsogen zoeken voort in de woonkamer, ogen die even onverbiddelijk zijn als schijnwerpers in een concentratiekamp.
‘Je weet toch dat kaarsen gevaarlijk zijn,’ zegt ze.
‘Ik steek ze ook bijna nooit aan. Het is meer versiering,’ zeg ik.
Ze blijft de ruimte inspecteren op onvolkomenheden, zoals een generaal zijn troepen keurt. Zoals ze ook mij bekijkt, dat gevoel heb ik toch. Alsof er altijd nog iets kan aangepast worden, wat bijgeschaafd, wat gepolijst.
‘Wil je naar buiten, naar de stad, een pannenkoek eten misschien?’ vraag ik. De vraag wat ze hier komt doen, krijg ik niet over mijn lippen. Als ik deze woorden al zou durven uit te spreken, ze zouden ongetwijfeld blaffen als een mitrailleur.
‘Nee, ik heb thuis nog veel te doen,’ moppert ze.
Televisie kijken, dat zal ze bedoelen. Of haar dagelijkse wandeling naar zee en terug. De behoefte om nieuwe horizonten op te zoeken heeft ze jaren geleden opgeborgen. De dag doorkomen zonder al te heftige emoties vindt ze al een hele prestatie. Mijn vader vermijden is daardoor een doel op zich geworden. Deze pijn heeft in haar hart diepe wonden geslagen. Het is tot in haar stem te horen. Veel beterschap is er niet in zicht. Een verborgen wonde geneest het traagst.
Hun huwelijk verschaalde al vrij vlug tot een uitgebluste samenlevingsvorm waar alle liefde en samenhorigheid uit geweken was. Als kind al had ik het vreemde gevoel opgevoed te worden door een man en een vrouw die niets met elkaar te maken hadden. Een connectie tussen de twee was ver te zoeken. Behalve dat ze in hetzelfde huis woonden. De kloof tussen hen werd nog dieper toen mijn vader drummer in een lokaal rockbandje werd. Door de jaren heen had hij naar eigen zeggen meer en meer optredens, die altijd langer en langer duurden. Voor middernacht moest je hem niet thuis verwachten, ook al begon zijn concert om 19 uur en was het vlak om de hoek. Mijn moeder ging er niet als een speurhond achterna. Bang dat de waarheid haar op een onschuldig moment bij de kraag zou vatten en haar hoofd in een stinkende kookpot vol spuuglelijke leugens en beeldschone groupies zou duwen. Dan maar liever het deksel op de pot houden.
Als ik mijn vader wou zien, moest ik naar de kroeg of naar de gevangenis. Ik wist zelfs niet eens waar hij werkte, wat hij overdag uitspookte. Het was ergens aan de andere kant van de stad, zei mijn moeder, maar ik heb nooit precies geweten waar. Hij kwam naar huis om te eten en te slapen. Voor de rest deed hij niet veel, behalve als er klusjes te klaren waren. Hij boorde gaten in de muur, ontstopte af en toe het toilet en schoor de haag. Waarschijnlijk deed hij nog veel meer onderhoudswerken, maar dan zonder mij. Hij was een manusje-van-alles. Behalve van de genegenheid.
De laatste keer dat ik mijn vader zag, was in de gevangenis. Ik was 19. De twijfels om te gaan sloegen me als gure wind in het gezicht. Maar het is toch je vader, beet heel de wereld me toe. Maandenlang liep ik rond met een schuldgevoel als een splinter onder de huid.
Je eigen vader in de gevangenis bezoeken is iets wat nooit went. Deuren die achter je in het slot vallen, een cipier als begeleider, een kale kamer, een hol gesprek. Hij zat opnieuw opgesloten voor slagen en verwondingen. En smaad aan de politie. Eerst iemand in elkaar slaan, opgepakt worden en dan de politie beledigen. Dom, dommer, domst. Uiteraard zat hij daar voor nog veel ergere dingen. Waarom anders die glazen wand? Ik durfde hem nauwelijks aan te kijken. Ook al was ik een volwassen kerel, het kostte me moeite om me niet verantwoordelijk te voelen voor alle ellende die hij mij en ons gezin aangedaan had. Een gevoel dat me als kind al nachtmerries bezorgde. Ik moest me blijven voorhouden dat we twee verschillende personen zijn. Alleen verwant door bloed. En misschien zal ook vroegtijdige haaruitval me ooit te pakken krijgen, maar meer ook niet, hoopte ik.
Op zijn grijze T-shirt stond te lezen: je m’en fous. Ook ik was een toevallige passant die nauwelijks bij hem interesse opwekte. Zijn vertrokken gezicht ademde een apathie uit die vanuit een ongekende bron gevoed werd. Alsof een goddeloos monster hem van binnen uit aanstuurde. Zijn woorden waren hardvochtig, zijn ogen koud, zijn lichaam één brok dynamiet. Het stonk er naar kots. Ik kon met moeite een woord uitbrengen, zijn blik hield me in een wurggreep. Achter het masker zat iemand die ik van mijn leven niet meer wou zien. De totale vervreemding met dit schepsel was onherroepelijk ingetreden. Toen ik de ellendige kamer verliet, keek ik nog eenmaal om. Grote, donkere ogen in een kortgeschoren kop.

‘Je mag ook eens naar de kapper. Je bent net een Beatle,’ zegt mijn moeder.
‘Dat is mijn artiestenlook.’
‘Artiest? Een landloper, ja. Mensen gaan denken dat je geen geld hebt om een kapper te betalen.’
Komt het door de gekwelde ogen, door de overdreven gesticulatie of door haar kleding – ze draagt een zwart jurkje tot net onder de knieën, lichtbruine nylonkousen en zwarte schoenen – maar ik zie een evenbeeld van Edith Piaf. Ik ontwaar dezelfde lichamelijke aftakeling, dezelfde verslagenheid, een geëtaleerde dramatiek tot in de hoogste noot. Ook in haar ogen bespeur ik een zwarte schijn. Alsof ze al haar persoonlijke leed in haar donkerbruine kijkers draagt. Maar nooit een traan. Nooit een enkele traan die een uitweg zoekt.
‘Ik ben niet alleen gekomen,’ zegt ze onverwachts. Ze wendt haar blik af en staart naar buiten. Het tolt in mijn rommelige kop.
Ze taxeert me en zegt: ‘Tony, als je het niet wil, hoef je hem niet binnen te laten. Maar hij zou het wel op prijs stellen.’
Ik snap het niet. Ze heeft mijn vader toch niet meegebracht? Hoe vaak al heb ik tegen haar gezegd dat ik niets meer met hem te maken wil hebben? Of heeft ze misschien iemand anders leren kennen? Hoe in hemelsnaam heeft ze die aan de haak geslagen? Ik wist niet eens dat er nog een spaander affectie in haar lijf zat.
‘Het is papa,’ zegt ze. ‘Hij wacht buiten in de auto.’
De grote ogen van mijn vader, meer beelden komen er niet aan de oppervlakte. Geen geluid, geen geur, alleen die ogen. En de donkerte erin. Een loden zwaarte drukt op mijn borstkas. Mijn gedachten glijden naar tijden die ik uit mijn wezen verbannen had. Flarden van herinneringen komen bovendrijven. De gevangenis, de keukentafel, het hok achterin de tuin. De taferelen branden op mijn netvlies. Mijn lijf is met verlamming geslagen. Een doodse kilte klemt zich om mijn hart en trilt door in elke vezel.
Mijn moeder stapt naar het dressoir, kijkt er met een schuin hoofd naartoe en veegt met haar wijsvinger wat stof af. Mijn tanden knarsen, mijn kaken kraken. Ze kijkt me hoofdschuddend aan als een lerares Nederlands die net een dt-fout gevonden heeft. Alweer een slecht punt op mijn rapport. Ze neemt een niet-ingekaderde foto van mij en mijn ouders vast. Een foto als het Lam Gods, een drieluik waarvan het vaderpaneel voor mij al een tijdje verdwenen is, opgelost in mistige herinneringen. Het is een foto die af en toe in een kartonnen doos belandt, maar er om evenveel onverklaarbare redenen weer uitgehaald wordt. Misschien omdat ik toch altijd het kind van mijn ouders blijf.

De deurbel rinkelt. Mijn moeder vertrekt geen spier. Haar gezicht blijft vaal. Het onvermijdelijke resultaat van kleurloze jaren vol somberte en gejammer.
‘Het is toch niet …?’ vraag ik.
Als een beroerde actrice van een B-film veinst ze onwetendheid.
‘Dit wil ik niet,’ zeg ik. ‘Dit is mijn huis en ik bepaal wie er binnenkomt. En … hij hoort daar niet bij. Nu nog niet. Misschien zelfs nooit meer.’
Ik kan nog steeds het woord “papa” niet uitspreken. Ongeveer veertien jaar was ik toen ik ermee gestopt ben. Ik noemde hem vanaf toen bij zijn voornaam. Willy. Mijn moeder noemde ik Ria. Die dag heb ik mezelf uitgeroepen tot wees. Mijn drang naar onafhankelijkheid was ingezet, er was niets tegen me te beginnen. Ook al scholden ze mijn huid vol, ook al vielen er rake klappen, mijn twee huisdictators werden willens nillens omgedoopt tot Willy en Ria.
De deurbel rinkelt een tweede maal.
‘Nee, nee. Ik kan het niet. Ik doe het niet,’ foeter ik.
‘Het is misschien papa niet,’ zegt mijn moeder.
Ik probeer voet bij stuk te houden maar ik bezwijk. Doortrokken van grimmigheid slof ik naar de voordeur. Met een lichte aarzeling open ik de deur. Het is Sarah. Haar ogen staan helder, haar huid heeft een lichte blos. Een kleurrijke sjaal hangt losjes rond haar schouders. Ze groet me met een in frivoliteit gedrenkte glimlach. Mocht ze geen 35 zijn, ik zou het zelfs stout durven te noemen.
Twee weken geleden heb ik haar voor het eerst na de scheiding opnieuw gezien. Op een concert van Stef Bos in Beernem zat ze een rij voor me. Als ik het wou, kon ik zomaar op haar schouder tikken. Maar ik deed het niet. Na zes jaar had ik vrede genomen met haar vertrek, waarom zou ik me dan opnieuw in dezelfde mesthoop gooien? Haar lange, blonde haren had ze korter geknipt. In haar oor bengelde een hangertje met een zilveren engel. Aan haar rechterzijde zat een oudere man, aan de andere zijde een rijzige dame. Toen het zaallicht uitging en Stef Bos het toneel betrad, betrok mij een schemerig gevoel van opluchting. Sarah had niet eenmaal omgekeken. De zanger palmde met warmhartige verhalen en zoetgevooisde liedjes de hele zaal in. Ongeveer halfweg het concert zong hij het succesnummer “Papa”. Bij de eerste tonen gleed er een vreemde nervositeit door de zaal. Alsof de gevoelige snaren zich opspanden, zich schrap zetten om opnieuw door deze woorden geraakt te worden. Al kende waarschijnlijk bijna iedereen in de zaal de tekst uit het hoofd, toch vielen emoties van gemis en verdriet nog onverwacht voor de voeten. Ook bij mij.
Tussen de liedjes door zwol het zaallicht soms wat aan. Ik kon het niet laten af en toe een blik op Sarah te werpen. De uitdrukking op haar mollige gezicht was zacht. Ik vroeg me af of ze een kind had en nu wel gelukkig was.
Pas als hij het laatste liedje inzette, voor de traditionele bisnummers, drong het tot me door dat ik bij het verlaten van de zaal door Sarah opgemerkt kon worden. Hoe zou ze reageren? Ik herinnerde me de woorden van Stef Bos: je moet van twee kanten komen om elkaar te ontmoeten. Ja, maar je moet ook van twee kanten komen om elkaar in de haren te vliegen.
Uiteraard volgde er een staande ovatie. Alle ogen waren gericht naar het podium waar hij uitermate buigzaam het denderende applaus over zich heen liet komen. De zaallichten schenen feller en feller. Als ze nu langs de andere kant weg zou gaan, dan zou ik hier nog wat kunnen talmen, dacht ik. Sarah stond op, nam haar handtasje, draaide zich een kwartslag en keek achterom. Ze keek pal in mijn ogen. Ik stond vastgenageld.
‘Tony,’ zei ze verbaasd alsof dit de laatste plek op de wereld was waar ze me zou kunnen tegenkomen. Was het niet van het gewonnen ticket, ik had dit optreden inderdaad links laten liggen.
‘Dag Sarah,’ zei ik. Ik probeerde een zweem van verwondering in mijn stem te leggen.
Zowel Sarah als ik volgde in onze eigen rij de menigte.
We zeiden niets. We keken elkaar ook niet aan.
Haar rij vorderde sneller dan die van mij zodat ze in de gang enkele meters voor me uitliep. Ik vertraagde nog meer mijn pas en liet enkele mensen voorbijgaan. Ook op de trap deed ik het langzaamaan. Beneden in de hal stond een meute kakelende kippen. Een reden te meer om hier zo snel mogelijk te verdwijnen, dacht ik. Op weg naar de vestiaire voelde ik getrek aan mijn arm.
‘Hoe gaat het?’ vroeg Sarah.
‘Goed,’ zei ik maar ik wist dat hiermee de kous niet af was.
‘Zin om iets te drinken?’ vroeg ze.
‘Ik ben wat moe,’ zei ik en wriemelde me tussen de mensen door op zoek naar mijn jas.
‘Woon je nog altijd in hetzelfde huis?’ vroeg Sarah die net achter me stond.
Ik deed alsof ik het niet hoorde.
‘Woon je nog altijd in ons huis?’ vroeg ze opnieuw, nu iets luider, met de nadruk op “ons”. Alsof ik haar het huis had uitgetrapt, hoewel ze zelf was weggegaan. Maar dat kon ik niet in een oogwenk uitleggen. De beschuldigende blikken van de omstanders persten het laatste beetje zelfrespect uit mijn lijf. Ik draaide me om, keek haar aan en knikte. Dat ik belangrijke informatie prijsgaf kon me op dat moment geen moer schelen. Ik nam mijn jas aan en vluchtte weg naar buiten. Geen Sarah te bekennen. Maar in mijn hoofd had ze vrij spel.

‘Dag Tony,’ zegt Sarah.
Ik glimlach verdwaasd.
‘Ben je niet blij om me te zien?’ vraagt ze.
‘Wat doe jij hier?’
‘Ik mag toch eens langskomen? Of niet?’
‘Ik heb bezoek. Mijn moeder.’
Ze glipt langs me heen, hangt haar jas en sjaal aan de kapstok en stapt in een fiks tempo de woonkamer binnen. Met een dikke zoen en een krachtige omhelzing begroet ze mijn moeder die deze aanval van beminnelijkheid nauwelijks waardeert. Ze kijkt me aan alsof ik haar erin geluisd heb.
‘Ik heb Sarah twee weken geleden opnieuw ontmoet,’ zeg ik.
Ze bekijkt Sarah als een ordinaire indringster die niet alleen dit delicate moment komt stelen maar ook nog eens de waardigheid van haar zoon onderuit haalt.
Vast en zeker is ze gechoqueerd dat Sarahs rokje tot ver boven haar knie komt. Haar korte, dikke beentjes maken de sfeer er niet beter op. Sarah is op zes jaar tijd zeker meer dan twintig kilogram bijgekomen maar schaamt zich blijkbaar totaal niet. Elk grammetje vet wordt als ambachtelijke vleeswaren in een kwaliteitsslagerij trots uitgestald. Mijn moeder zit duidelijk niet te wachten op deze wulpse vertoning, er zijn nu andere katten te geselen.
‘Ik ga een Cola halen,’ zegt Sarah. ‘Je hebt toch Cola in huis?’
‘Ik ben nog altijd verslaafd, ja.’
Ze dartelt onbezwaard naar de keuken.
‘Het huis lijkt weer van haar,’ zegt mijn moeder.
‘Ze heeft hier ook vijf jaar gewoond.’
‘Je gaat toch niet weer iets met haar beginnen?’
‘Absoluut niet.’
‘Als jij in je ongeluk wilt lopen, dan doe je maar. Maar zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.’
Je hebt me altijd al voor ongeveer alles gewaarschuwd. Het is een wonder dat ik nog buiten durf te komen.
‘Gaat ze lang blijven? Je vader, weet je wel,’ fluistert ze.
‘Wat kan ik doen? Haar de Cola bij de buren laten opdrinken? Of in de auto, bij hem?’
Ze kauwt driftig op haar onderlip.
‘Dat is lang geleden,’ zegt Sarah die ongemerkt weer op het toneel verschenen is. Ze bekijkt mijn mokkende moeder die geen enkele moeite doet om haar oprechte weerzin te verbergen.
‘Op bezoek?’ vraagt ze vrolijk.
Mijn moeder negeert haar volledig.
‘Papa wacht nog altijd in de auto,’ zegt mijn moeder en kijkt me stuurs aan.
‘In de auto?’ vraagt Sarah.
‘Ja, in de auto. Hij wacht.’
‘Op wie?’
Met een simpele hoofdknik wijst ze me aan. Als een beschuldigde in een rechtbank, zo voel ik me nu. En dadelijk zal Sarah het oordeel vellen, vrouwen aan de macht, wacht maar af.
Sarah heeft mijn vader nog nooit ontmoet. Zelfs toen we op het punt stonden in het huwelijksbootje te stappen, moffelde ik hem als een verstekeling weg. Ik repte er met geen woord over. Haar nieuwsgierigheid blokkeerde ik telkens vakkundig met ‘ik wil hem nooit meer zien’, gevolgd door een lege blik. Ook bij de tafelschikking van ons huwelijksfeest was er voor mijn vader geen plaats voorzien, hoewel Sarah er sterk op aandrong. Ze heeft in de jaren nadien nog geprobeerd de brokstukken tussen mij en mijn vader te lijmen – ook al wist ze de ware toedracht niet – maar dat bracht niet veel zoden aan de dijk.
‘Waarom mag je vader niet binnenkomen?’ vraagt Sarah.
Daar heb je het al, het verhoor is begonnen.
Ik haal mijn schouders op, op dezelfde manier als mijn moeder het altijd doet, met de bijhorende blik van onschuld.
‘Is hij gestraft misschien?’ vraagt Sarah luchtig. ‘Heeft hij iets gedaan wat niet mocht?’
‘Ja, zo zou je het kunnen stellen,’ zeg ik.
Ik aarzel om mijn vader in de vernieling te praten, ook al doemen er opnieuw beelden van vroeger op. Onterende taferelen die me nu nog kippenvel bezorgen. Ik zou al die verschrikkelijke herinneringen een voor een willen fusilleren maar mijn geest schiet met losse flodders.
‘Je kind telkens opnieuw in de steek laten, is dat strafbaar volgens jou?’ vraag ik aan Sarah.
De pretlichtjes in haar ogen zijn op slag gedimd. Haar lippen wringen zich in een vreemde krul.
‘Weet je hoe moeilijk het voor me was, als kind, om een vader in de gevangenis te hebben?’
‘Zwijg daarover,’ zegt mijn moeder, ‘dat zijn haar zaken niet.’
‘Waarom heb je me dat nooit gezegd?’ vraagt Sarah.
‘Wat had je dan gedaan? Het besproken met je goeroe?’
‘Waar bemoei jij je mee?’ vraagt mijn moeder aan Sarah. ‘Misschien is het beter dat jij opnieuw naar huis gaat,’ zegt ze en ze neemt Sarah onbeschaamd bij de arm.
‘Sarah blijft hier,’ zeg ik fel. Mijn stem klinkt harder dan ik verwacht. ‘Dit is mijn huis, ik beslis wie hier blijft en wie hier weggaat.’
Sarah kijkt mijn moeder smalend aan en rukt zich uit haar greep los. Ze gaat ostentatief op de sofa zitten, gooit haar ene been over de andere en kruist uitdagend de armen.
‘Het is beter dat je nu gaat,’ zeg ik tegen mijn moeder.
‘Ik? Ik ben wel je moeder. En haar, een wildvreemde, laat je hier zitten.’
‘Zo vreemd ben ik niet voor je zoon,’ zegt Sarah, vergezeld van een vette knipoog.
‘Ik heb hier geen zin in,’ zeg ik tegen mijn moeder. ‘Ik ben moe. Kom op een andere keer terug.’
Ze schudt haar hoofd.
‘En papa dan?’ vraagt ze met een beheerste stem.
‘Ja, en papa dan?’ herhaalt Sarah.
De manier waarop ze papa zegt, ook niet ‘jouw’ papa maar gewoon papa, ontlokt een hatelijke grijns op het gezicht van mijn moeder.
‘Het is jouw papa niet,’ snauwt mijn moeder.
‘Die van jou ook niet,’ zegt Sarah plagerig.
Zo veel tegenspraak is mijn moeder niet gewend. Er werd bij ons thuis ook nooit gediscussieerd, iedereen ging zijn eigen gangetje zonder de ander in de weg te lopen. Spanningen werden door de tijd onderhuids verteerd en uitspattingen waren al helemaal taboe. Niet dat er nooit eens een kwaad woord viel, maar dat vond al vrij vlug een plaatsje in de rottende ondergrond waar ook mijn wortels welig tierden. Ieder had er zijn plaats en ieder had er zijn rol, bijna minutieus afgemeten. Vader was de persoon die de schommel in elkaar stak, terwijl moeder mij een duwtje in de rug gaf. Vader was diegene die de zijwieltjes van mijn allereerste fiets demonteerde, terwijl moeder de eerste meters naast me liep, klaar om me op te vangen. Niet uit liefde, denk ik nu, maar omdat het zo hoorde. Of omdat de buren meekeken.
‘Ik vind dat je jouw papa nog een kans moet geven,’ zegt Sarah.
Die ene haarlok die steevast voor haar linkeroog hangt, ergert me mateloos. En laat in hemelsnaam dat stom halskettinkje nu eens vijf minuten los!
‘Waarom is dat voor jou zo belangrijk? Jij hebt hier toch niets mee te maken?’ vraag ik.
Een rode blos kleurt haar wangen. Haar lichtvochtige ogen maken haar gezicht op slag somber. Onverwacht als een plensbui op een zonovergoten strand, zo acuut kan haar stemming omslaan. Soms floepen de woorden als een waterval uit haar mond, soms kijk je alleen nog naar een ingetogen, bijna abstract schilderij. Dan graven haar gedachten zo diep dat ze er in haar eentje nauwelijks uitgeraakt. Het enige wat ik dan nog kan doen is wachten, wachten tot het overwaait.
‘Je hebt maar één vader,’ zegt Sarah. ‘En er komt geen tweede. Nooit meer.’
De aangewakkerde compassie neemt mijn zin voor verzet weg. Al voel ik de capitulatie dichterbij komen, het valt me zwaar als eerste toe te geven. Ik weet dat het nu nog een kwestie van tijd is. Hoe groot ook de strijd, elke weerstand die door slechts één persoon gedragen wordt, brokkelt mettertijd af en legt zich uiteindelijk in zijn eigen nietige schaduw neer.
‘Ze heeft gelijk,’ zegt mijn moeder, al is het niet van harte. ‘Mag ik hem halen?’
De donkere ogen van mijn vader grijpen me bij de keel. Ogen die smeken om gered te worden.
‘Vandaag niet,’ zeg ik. ‘Het is niet het juiste moment.’
‘Juiste momenten zijn zeldzaam,’ zegt Sarah die een zakdoekje uit haar rode handtas haalt.
‘Dit is nochtans niet het juiste moment om zomaar binnen te vallen,’ zeg ik.
Ze schrikt zichtbaar van mijn harde toon.
‘Wat heb ik jou misdaan?’ vraagt ze.
Ik krijg het warm. Mijn keel snoert langzaam dicht alsof een imaginaire stropdas elke minuut strakker en strakker wordt aangespannen.
‘Niets. Ik weet het niet. Het is hier te druk aan het worden.’ Ik drentel wat onbeholpen rond alsof ik verdwaal in mijn eigen woonkamer.
‘Ik heb frisse lucht nodig,’ zeg ik en pak mijn dikke trui van de stoel. Ik ga de tuin in en laat mijn ogen dwalen over het achterliggende, uitgestrekte maïsveld. Nooit gedacht dat ik zoveel behoefte zou hebben aan een open zicht.
Ik baal ervan als Sarah heel de situatie naar haar hand zet. Ze is daar verschrikkelijk goed in en ik tuin er telkens opnieuw in. Zo ook de allereerste keer dat we elkaar ontmoetten, twaalf jaar geleden. Zij was 23, ik 32. Ik wou haar eerst online leren kennen, lekker veilig achter het scherm van mijn computer. Zij wou meteen afspreken in real life. Het was een koude decemberavond. We hadden om acht uur afgesproken in een kleine bistro. Ik was er twintig minuten te vroeg, Sarah veertig minuten te laat. Ik bestelde een gin-tonic aan de bar. Vanuit die positie kon ik de deur nauwlettend in de gaten houden. Elke vrouw die alleen binnenkwam, screende ik onmiddellijk en vergeleek het in mijn hoofd met de foto die ze me had doorgemaild. Ik voelde me een politieagent die een robotfoto vergeleek in een database van criminelen. Alleen was zij geen gevaarlijke crimineel, ze zou alleen mijn hart stelen. En dat is voorlopig nog niet strafbaar.
Toen ze binnenkwam, sloeg mijn hart over. Doodnerveus volgde ik elke beweging. Ze droeg een witte winterjas en een donkerblauwe, strakke jeans. Ze keek zelfbewust rond, geen greintje ongemak. Alsof ze dit elke avond deed.
Ik stak schichtig mijn hand op. Ze wandelde met besliste tred op me af.
‘Jij moet Tony zijn,’ zei ze.
‘En jij Sarah?’ vroeg ik.
‘Had je dan nog iemand anders verwacht?’
‘Nee, absoluut niet. Hoe is het?’ vroeg ik.
‘Goed,’ zei ze overtuigend.
‘Gaan we daar zitten?’ vroeg ik.
Ze knikte instemmend.
Ik nam mijn glas mee naar een tafeltje in de hoek. Ik vroeg wat zij wou drinken.
‘Een glas witte wijn,’ zei ze.
Ik wenkte de ober en gaf de bestelling door.
Ze tikte met haar wijsvinger op de tafel, traag maar regelmatig, als door een klok gestuurd. Eén tik per seconde.
‘Ben ik je type?’ vroeg ze.
Ik dacht dat ze grapte.
‘Na zeven seconden moet je het al weten,’ zei ze. ‘Vind je me fysiek aantrekkelijk?’
Ze bleef me penetrant aankijken. Ik wist dat elke aarzeling in mijn nadeel speelde.
‘Ja. Natuurlijk.’
‘Wat is er daar zo natuurlijk aan?’
‘Je bent een mooie vrouw. Ja, je ziet er gewoon goed uit.’
‘Gewoon goed?’
‘Meer dan gewoon goed. Ja, je bent echt mooi.’
Haar gezicht lichtte op.
Na een paar minuten kwam de ober aangelopen en bediende haar met een kleine buiging.
Ik hief mijn glas en proostte.
‘Gezondheid,’ zei ik.
‘Gezondheid,’ zei ze.
Ik zette het glas neer en zoog aan mijn rietje.
‘Drink jij met een rietje?’ vroeg ze smalend.
Proestend trok ik mijn mond weg van het rietje.
‘Dit komt nogal vrouwelijk over, is het niet?’ vroeg ik.
‘Inderdaad,’ zei ze.
‘Dit is geen goede eerste indruk zeker?’ vroeg ik schuchter.
‘Niet echt, nee,’ zei ze.
‘Wil je ook iets eten?’ vroeg ik.
‘Ja, dat is goed.’
Er lag één menukaart op tafel en gaf die aan haar. Ik keek rond in de bistro, zag een andere liggen en haastte me ernaartoe.
‘Ik kan niet zo goed beslissen,’ zei ze. ‘Kies jij maar voor mij.’
‘Wat?’
‘Ja, kies jij maar voor mij. Wat je maar wilt.’
Ze klapte haar menukaart dicht en keek me uitdagend aan. Ik kreeg het warm.
‘Dat is een grote druk op mijn schouders,’ zei ik.
Ze hield haar hoofd een beetje schuin, gniffelde terughoudend en wachtte af.
‘Is dit een test?’ vroeg ik.
‘Dit is geen test,’ zei ze maar ik wist meteen dat ze loog.
Mijn ogen gleden over de gerechten. Ik sloeg een vervelende vlieg van me af.
‘Een snack of mag het iets meer zijn?’ vroeg ik.
‘Jij beslist,’ zei ze.
Ik dook opnieuw met mijn neus in de kaart. Aarzelend vroeg ik: ‘Iets met pasta?’
‘Koolhydraten? Voor mij? Dit lijf heb ik niet zomaar gekregen. Ik heb er hard voor gewerkt. Ik wil het houden zoals het is, dus nee, geen dikmakertjes voor mij.’
Zonder verpinken wenkte ze de ober.
Ik lachte zenuwachtig en ontweek haar blik door opnieuw de kaart te bekijken.
‘We zouden graag iets eten,’ zei ze tegen de ober.
‘Wat mag het zijn?’ vroeg hij.
‘We weten het nog niet,’ zei ik. ‘Ik moet voor haar kiezen en ik geraak er niet uit. Het is een test.’
‘Het is geen test,’ zei ze scherp.
‘Voor mij een spaghetti bolognaise, zonder kaas, en voor haar … voor haar … eu … een slaatje geitenkaas.’
Mijn gezicht was naar de ober gericht maar ik probeerde vanuit mijn ooghoeken Sarahs reactie te zien.
‘Nee, ik geef het op. Ik weet het niet. Beslis jij maar,’ zei ik tegen haar.
‘Een slaatje geitenkaas is voor mij oké,’ zei ze vriendelijk tegen de ober.
Ik keek gefixeerd naar de vlieg die net op tafel was geland, vlak naast mijn hand.
‘Wat doe je voor werk?’ vroeg ze.
‘Technisch tekenaar.’
‘Je bent dus intelligent.’
‘Waarschijnlijk wel. Toch een beetje.’
‘En verdient dat goed?’
‘Ik mag niet klagen.’
‘Wat zijn je hobby’s?’
Het leek alsof ze al haar vragen opgelijst had en ze een voor een afvuurde. Standaardprocedure.
‘Voetbal, tv kijken, cinema.’
Ik hoopte dat de ober vlug ging komen. Maar geen verlossing te zien. Elke seconde op dit slachtveld duurde eindeloos. Wat zijn vrouwen toch goed in het vertragen van de tijd, dacht ik.
‘Ik wil ooit stand-up comedian worden,’ zei ik.
‘Jij? Echt?’
Ze zette grote ogen op.
‘Wat zijn jouw hobby’s?’ vroeg ik.
‘Ik was vroeger cheerleader, bij Sunair Oostende. Dat is basketbal.’
‘Ja, ik weet wat een cheerleader is,’ zei ik, blij dat het nu eventjes over haar ging. ‘Wat droeg je toen?’ vroeg ik.
‘Niets speciaals, een geel T-shirtje. En een blauw rokje. Probeer dit niet te seksualiseren.’ Ze stak een dreigend vingertje omhoog.
‘Dat doe ik niet,’ zei ik. ‘Heb je dat rokje nog?’
‘Ja, ik heb dat rokje nog. Wil je het eens passen misschien?’
‘Nee, dank je. Blauw is niet mijn kleur.’
Ik nipte van mijn glas. Daar was die verdomde vlieg weer. Pijlsnel sloeg ik haar morsdood. De luide knal denderde door de zaal.
‘Zeg sorry tegen Boeddha,’ zei Sarah vol wrok.
‘Wat?’
‘Zeg sorry tegen Boeddha!’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Boeddha vraagt om geen levende wezens dood te slaan, is dat zo moeilijk?’
‘Hij werkte behoorlijk op mijn zenuwen.’
‘En als ik op je zenuwen begin te werken, ga je mij ook doodslaan?’
Ik dronk nogmaals een slokje van mijn gin-tonic en spoelde mijn ongemak weg.
‘En?’ vroeg ze.
Ik zocht naar woorden om haar aantijgingen op een zachtaardige manier af te ketsen.
‘Ga je je nu nog excuseren of niet?’
‘Sorry, maar daar doe ik niet aan mee. Ik ken Boeddha niet. En die vlieg al helemaal niet. Het is toch geen familie van jou?’
Sarah rolde met haar ogen. Ze zweeg. Eindelijk. Ik dacht aan twee dingen. Ten eerste, hoe zou het zijn om met haar te vrijen? En ten tweede, hoe zou het zijn om niet met haar te vrijen? Om met haar samen te leven, samen tv te kijken, samen ruzie te maken. Zou ik met haar oud willen worden, oud willen zijn en alleen nog kunnen praten met haar? En wat als ze zelfs dat niet meer kan, als ze dement wordt en alles vergeten is, ook wie ik ben, zou ik haar dan nog graag zien? Zou ik haar verzorgen, zou ik aanwezig kunnen zijn en toch zo goed als niets betekenen voor haar? Zou ik mezelf zo kunnen opofferen? Voor haar?
‘Hoe laat sta jij op zondag op?’ vroeg ze.
Ik wiebelde ongemakkelijk op mijn stoel.
‘Och, ik kan zeker tot … eu … tot … ja, tot twaalf uur in mijn nest liggen.’
Ze wendde haar gezicht af en sloeg haar ogen neer.
‘En jij?’ vroeg ik.
‘Elke zondagmorgen ga ik fitnessen. Om negen uur.’
‘Om negen uur? Op zondag?’
Ze keek me verwijtend aan.
‘Hoe verloopt dit gesprek volgens jou?’ vroeg ze en ging met die vraag weer in de aanval.
‘Hoe verloopt het volgens jou?’ kaatste ik terug.
‘Je kunt geen vraag met een andere vraag beantwoorden,’ zei ze.
‘Volgens mij gaat het goed,’ zei ik.
‘Wil je kinderen? En hoeveel?’ vroeg ze.
‘Tja, daar heb ik nog niet over nagedacht.’
‘Nog niet over nagedacht? Je bent 32.’
‘Ik ben de juiste vrouw nog niet tegengekomen. En zonder vrouw lukt het niet, hé?’
Om een nieuwe vraag te ontduiken, pakte ik mijn glas vast en bewoog het naar mijn mond. Was het van de zenuwen, ik weet het niet, maar toen ik het glas aan mijn lippen zette, morste ik enkele druppels.
‘Je hebt gemorst,’ zei ze.
‘Nee, dat heb ik niet.’
‘Jawel, je hebt gemorst. Ik heb het gezien.’
Ik zette vlug het glas op de tafel neer, voor er nog meer ongelukken gingen gebeuren. Het grootste ongeluk zou me een jaar later te beurt vallen. Ja, ik weet nu dat het mijn eigen schuld is, dat ik de tijd had moeten nemen om haar beter te leren kennen. Ja, ik had niet halsoverkop met haar mogen trouwen, maar ik had nu iemand gevonden die met mij de grote sprong wou wagen, eindelijk, na zoveel liefdeloze jaren, dan kun je toch zo iemand niet laten schieten? Zij wou zo snel mogelijk een gezinnetje stichten, ik wou zo snel mogelijk niet meer alleen zijn. Haast en spoed … En als het waar is dat je beter trouwt met je tegenpool, dan had ik de best mogelijke keuze gemaakt.

De kauwen zijn allemaal verdwenen. De kale boom van de buren heeft iets onrustwekkends, iets van verval, iets van doodbloeden. Zou deze ontredderde boom evenveel afzien als ik? Zou hij het nu ook koud hebben, zo zonder bladeren? Hoe nauwkeuriger ik kijk, hoe meer kwetsuren ik zie. Verdikkingen, knobbels, korsten, vergroeiingen, littekens voor het leven. Verlangt deze boom ook zo naar de zomer? Of naar een vader? De tijd heelt alle wonden, zegt men, maar niet bij deze boom. Hoe ouder, hoe meer kringen. Net als bij mijn moeder. De kringen rond haar ogen verraden meer dan ouderdom. Ze is een verwaarloosde boom die onzichtbaar huilt. Te veel groeipijnen. Ik ben jammer genoeg een van haar dorre takken. Zou stamboom van boomstam komen? Vreemd hoe woorden ontstaan. Wie heeft voor het eerst gezegd, dit gaan we een boom noemen, en dit een tak, en dit de regen?
Met veel tegenzin slenter ik terug naar het huis.

Mijn moeder en Sarah zitten gespannen naast elkaar op de sofa, alsof de messen al geslepen zijn voor een gevecht van leven op dood. Ze kijken me koelbloedig aan.
‘Wil je dat ik wegga?’ vraagt Sarah.
‘Ja … nee. Ik weet het niet, ik weet het echt niet. Ik heb mijn eigen leven, snappen jullie dat dan niet?’
‘Ik wel,’ zegt mijn moeder.
Ja, inderdaad, zij kent de behoefte om afstand te nemen, om zich af te zonderen, om letterlijk op adem te komen, ver weg van de dagelijkse waanzin. Dan ging ze steevast enkele uren aan zee wandelen, omdat ze vond dat alleen immens veel water haar dorst naar innerlijke rust kon stillen.
‘Het is beter dat je gaat,’ zegt mijn moeder tegen Sarah. Een simpele hoofdknik richting deur onderstreept haar ingebeelde dominantie. Zo jaagt mijn moeder mensen naar buiten, zonder woorden, zonder emotie, zonder schuldgevoel. Eén enkele hoofdbeweging en de wereld moet maar naar haar pijpen dansen.
‘Jij moet niet zeggen wat ik moet doen,’ zegt Sarah. ‘Ik ben niet jouw hond die je zomaar op straat kunt zetten.’ Ze leunt achterover op de sofa. ‘Ik blijf hier. En ik wil je papa eens zien’, zegt ze en richt opnieuw haar pijlen op mij. ‘Ik zou het heel moedig vinden mocht je je vader binnenlaten. Echt waar. Je zult je er achteraf veel beter door voelen. Wrok is een raar beestje. Het vreet je ziel mondjesmaat op, tot er alleen nog een zwart gat overschiet’.
Mijn moeder haalt haar handtas boven, een zwarte uiteraard, neust erin rond om uiteindelijk een pakje sigaretten tevoorschijn te halen. Ze steekt een sigaret op.
‘Hier in huis wordt er niet gerookt,’ zeg ik.
‘Nu wel,’ zegt ze. Ze gaat naar de keuken, opent enkele kasten en haalt een klein bordje eruit dat dienst moet doen als asbak. Ik zet ondertussen het vetplantje opnieuw op zijn plaats, netjes in het midden tussen de twee cactussen. De lucht wordt donkerder, de regen benevelt de tuin als een ragfijn traliewerk.
Mijn moeder gaat op de sofa zitten. Het is potsierlijk hoe ze poseert met een veel te lange sigaret tussen twee magere vingertjes. Ik kijk angstvallig toe of er geen as op het leder valt.
‘Ik ga even naar het toilet,’ zegt Sarah.
Als Sarah uit het zicht is, breekt de preek los.
‘Ze is niet goed voor jou,’ zegt mijn moeder. Twee verticale groeven in haar voorhoofd, vlak boven haar neus, leggen een waas van treurnis over haar gezicht.
‘Hoe kun jij dat weten?’
‘De manier waarop ze naar me kijkt. De manier waarop ze spreekt. Ze is nog geen sikkepit veranderd. En dan dat vertoon met die dikke benen, komaan zeg.’
‘Je hebt haar nog maar één keer gezien en je weet al dat ze niet veranderd is?’
‘Dat is meer dan genoeg. Ik kan goed mensen inschatten, dat weet je.’
‘Ja, daarom ben je met … met hem getrouwd. Of was dat een vergissing?’
‘Hou je vader hier buiten. Het gaat hier over jouw toekomst.’
De as van haar sigaret dreigt te bezwijken aan de zwaartekracht. Ongetwijfeld zal dit klein stukje as straks een eeuwig spoor op mijn sofa nalaten.
‘Ik heb het ook niet gemakkelijk. Dat heb ik je toch al verteld,’ zegt ze.
‘Omdat jij ongelukkig bent, daarvoor hoef ik het nog niet te zijn.’
Ze gaat opnieuw aan het raam staan, haar rug naar me toe gekeerd. Zo ziet de achterkant van jarenlange eenzaamheid eruit.
‘Het wc-papier is bijna op,’ zegt Sarah die net is binnengewandeld en zich in een hoekje van de sofa nestelt.
‘Heb je geen last van die boom bij de buren?’ vraagt mijn moeder. ‘In de zomer neemt het toch wat zonlicht weg, of niet?’
‘Zo’n mooie boom ga je toch niet wegdoen?’ vraagt Sarah.
‘Jij hebt hier niets te willen,’ zegt mijn moeder met een bitse stem.
Sarah begint te kolken. Ik herken de eerste tekenen: de mondhoeken omlaag, dreigende ogen, versnelde ademhaling.
‘De boom blijft,’ zeg ik om Sarah te bedaren. ‘En als we hem zouden omkappen, dan hebben we wc-papier voor een heel jaar.’ Hoewel beide dames er de grap niet van inzien, vermijd ik toch de uitbarsting van Sarah. Het vuur is voorlopig gedoofd.
‘Weet je wat ik het liefst van al zou willen? Dat we die papa van je binnenlaten,’ zegt Sarah.
‘Misschien heeft mijn moeder gelijk. Jij hebt hier inderdaad niets te willen,’ zeg ik.
‘Doe niet zo kinderachtig, wat heb je te verliezen?’ vraagt Sarah.
‘Wat weet jij daar nu van?’ vraag ik.
‘Meer dan je denkt,’ zegt Sarah. Ze wordt bleek, haar stem klinkt zwak. ‘Meer dan je denkt,’ herhaalt ze en kijkt dromerig voor zich uit. Alsof ze in een kampvuurtje staart.
Het blijft me verbazen hoe ze à la minute van emotie kan veranderen, alsof ze simpelweg een nieuw jasje aantrekt.
Mijn moeder tikt haar as op het schoteltje.
‘Weet je hoe pijnlijk het voor me was om in de gevangenis tegen mijn vader te moeten liegen dat je hem niet kon bezoeken omdat je zogezegd naar het buitenland was? Of omdat je ziek was. Of omdat het niet paste. Ik heb moeten liegen van jou. Liegen tegen mijn eigen vader. En ik was nog maar een kind.’
De verbetenheid jakkert door heel mijn lijf.
‘En jij brengt hem nu mee naar hier, waarom? Dat begrijp ik echt niet.’
‘Ik … ik kan het niet zeggen. Laat je vader het uitleggen.’
‘Je gaat hem toch niet verdedigen? Of alles goedpraten? Daar is het nu toch een beetje te laat voor.’
‘Je papa buiten laten staan, brengt niets op,’ zegt Sarah zacht.
‘Als je niet naar mij wilt luisteren, luister dan naar haar,’ zegt mijn moeder.
Ik kijk de andere kant uit.
‘Straks kan het trouwens niet meer,’ zegt mijn moeder.
‘Hoezo, straks kan het niet meer?’
‘Je papa is ziek. Heel erg ziek,’ zegt ze. Haar stem breekt, haar onderlip trilt.
‘Ziek?’
Heel haar lichaam staat op instorten. Voorovergebogen verstopt ze haar hoofd in haar handen. Als ze al zou wenen, dan zal niemand het zien. Sarah kruipt dichterbij en legt haar hand op mijn moeders frêle rug terwijl ze me beschuldigend aankijkt. Deze krachtmeting kan ik niet winnen. De blonde Sarah en de zwarte moeder als een bedisselde entiteit. Hoewel twee mensen niet meer zwart-wit kunnen zijn, lijken ze een stilzwijgende loyaliteitsverklaring afgesloten te hebben.
Sarah kijkt me aan en knikt hoofdschuddend naar de deur. Ik heb geen zin in nog meer ruzie, bang dat de weerhaken van mijn koppigheid mijn zielenrust spijkerhard zullen verscheuren. Voor altijd.
Ik schrijd als een geprogrammeerde robot naar de gang. Met een klein hartje open ik de voordeur. In een van de geparkeerde wagens merk ik mijn getormenteerde vader op. Met stramme benen slenter ik naar de auto. Ik doe het portier open en steek mijn hand uit naar een man, getart door de tijd en hopelijk verteerd door de schuld. Ik schrik van zijn dunne armen, van zijn ontvleesde handen.
‘Kom maar,’ zeg ik en ondersteun hem zo zacht mogelijk, beducht om iets te breken.
Eenmaal binnen bied ik mijn vader de relaxfauteuil aan. De vage glimlach zal waarschijnlijk als dank bedoeld zijn.
Ik neem een stoel en ga naast hem zitten. Sarah en mijn moeder kijken me aan als twee leden van een orkest die nerveus wachten op de eerste zwaai van de dirigent. Maar ik verroer geen vin. Als een standbeeld zit ik gebetonneerd op mijn stoel.
‘Wil je een glas water?’ vraagt mijn moeder aan hem.
Hij knikt. Mijn moeder kijkt me bazig aan.
In de keuken laat ik het water in het glas stromen. Dit moment van relatieve rust doet me goed. Ik kijk door het grote raam.
‘Ik wil ook iets te drinken,’ roept mijn moeder vanuit de woonkamer.
‘Ook een glas water?’
‘Doe maar iets sterkers.’
‘Sterk water dan?’ vraag ik schertsend.
Ze gaat er niet op in. Sarah ook niet.
‘Ik heb heel weinig alcohol in huis. Nog een fles rode wijn, maar die hou ik liever voor speciale gelegenheden.’
‘Ben ik niet speciaal genoeg?’
‘Je begrijpt best wat ik bedoel. Ik zal thee zetten. Is lavendelthee goed?’
‘Oké.’

Enkele minuutjes later kom ik terug met een glas water en een dampend kopje thee. De ruimte voelt nog steeds zwaar aan.
‘Het is bijna twaalf uur,’ zegt Sarah. ‘Doe je mee?’
‘Aan wat?’ vraag ik.
‘Aan de minuut stilte. Voor de aanslagen van gisteren, in Brussel.’
‘Ik weet niet of het veel zal helpen. Ik wil gerust een minuut zwijgen maar je haalt er niemand mee terug.’
‘Het is ook niet een kwestie van alleen maar te zwijgen,’ zegt Sarah. ‘Het is meeleven met de familie en vrienden van de slachtoffers.’
‘Door te zwijgen?’
‘Jij weet echt niet wat medeleven is.’ Sarah kijkt me verontwaardigd aan.
‘Hij heeft gelijk,’ zegt mijn vader. Het zijn de eerste woorden die hij uitspreekt. Ik ben niet alleen verbaasd over het feit dat hij iets zegt, maar ook wat hij zegt. Ik ken hem niet als de man die zich mengt in politieke of ethische kwesties. Het enige wat hem interesseerde was de voorraad bier in de koelkast.
‘Hij heeft gelijk,’ herhaalt mijn vader. ‘Een minuut stilte is nergens voor nodig. Wat gebeurd is, is gebeurd.’
Zijn schorre, bijna plechtige stem brengt een ongezien respect in de woonkamer. Alsof de koning zijn onderdanen toespreekt.
Geen van ons weet of het al twaalf uur is, maar niemand durft iets te zeggen. Sarah al helemaal niet omdat zij haar minuut stilte hoe dan ook wil respecteren.
Mijn moeder houdt haar kopje thee met beide handen vast.
In de verte luiden de kerkklokken. Het moet dus al enkele minuten over twaalf uur zijn.
‘Je moet meer lezen, jongen,’ zegt mijn vader en kijkt neerbuigend naar het armtierige boekenplankje. ‘Weet je wie dat tegen mij gezegd heeft? Een cipier. Kun je geloven dat ik boeken ben beginnen te lezen in de gevangenis? Maar het heeft mij erbovenop geholpen. Mijn ogen geopend, zoals ze zeggen.’
‘De ogen geopend, grappig dat jij dat zegt. Je hebt er in je leven al zo veel dichtgeslagen en nu begin je over ogen te openen. Trouwens, waarom denk je dat ik erbovenop moet geholpen worden? Is er iets mis met me? Of met mijn ogen?’
Hij verschanst zich achter een minzaam masker wat het nog stuitender maakt.
‘Kijk eens rond je. We zitten hier met drie mensen die je graag zien. En wat doe jij? Je stoot ze af. Ik zou haast durven te zeggen dat je vlucht voor de liefde,’ zegt hij.
‘Vlucht voor de liefde. Waarom zou ik dat doen?’
‘Om dezelfde reden waarom mensen vluchten voor de stilte.’
‘En dat is?’
‘Omdat ze bang zijn dat ze zichzelf gaan tegenkomen. In de liefde, jongen, en in de stilte leer je jezelf kennen. Van de goede kant en van de minder goede kant. Vooral dat laatste is soms zwaar om te dragen. Daarom vluchten ze.’
‘Gaan we het nu over mij hebben? Heb je enig idee hoe het voor mij was toen ik telkens weer te horen kreeg dat je in de gevangenis zat? Maak me niet wijs dat dat alleen voor slagen en verwondingen was. Daarvoor zit je misschien één nacht in de cel, of een week maar niet al die jaren. Gaan we eens daarover beginnen? Weet je dat ik als kind zelfs ontzettend boos op de politie was omdat ze jou opgesloten hadden? Misschien had je toen wel een moord gepleegd? Of iets met drugs, weet ik veel.’
Hij nipt van zijn glas water en slikt moeizaam. Hij kijkt star voor zich uit.
‘Weet je dat ik zo blij was als je weer vrij kwam? Omdat we jouw verjaardag dan thuis konden vieren. En dat je dan een paar maanden later het toch weer niet kon laten om iemand in elkaar te slaan. En ik me afvroeg of je aan me dacht tijdens je vechtpartij. Of je wist wat je aan het kapotslaan was.’
Hij zet voorzichtig het glas water op het tafeltje naast hem.
‘Ik ben kwaad geweest, heel kwaad,’ zeg ik. ‘En ik heb verdriet gehad, omdat ik je zo gemist heb. En nu weet ik het niet meer. Ik heb het gevoel dat ik je nooit gekend heb. En ik weet niet of ik het nu nog wil.’
Het bloed dendert onstuimig door mijn aderen.
‘Je weet toch dat ik soms heel erg bang voor je was?’
Hij fronst zijn wenkbrauwen en wrijft met zijn hand over zijn voorhoofd.
‘Al die slagen … je bleef maar slaan … alsof je mijn hersens uit mijn kop wou kloppen. En dan had je nog niet eens gedronken. Je wist goed wat je deed. Of niet?’
Hij aarzelt.
‘Je mag boos zijn op mij,’ zegt hij, ‘heel erg boos. En ontgoocheld. En ja, ik was niet de perfecte vader voor je, integendeel, ik heb het verkloot. En dat spijt me verschrikkelijk. Maar gooi je eigen leven niet weg omwille van mij. Je hebt nog een heel leven voor de boeg. Ik niet.’
Mijn moeder zet trillend haar kopje thee op het onderschoteltje.
‘Misschien had je daar eerder aan kunnen denken. Mijn kindertijd is wel voorbij hé. Ook voorgoed.’
‘Het is nooit te laat … het is nooit te laat voor een gelukkige jeugd,’ zegt hij bedaard.
‘Ach, stop toch met die onzin. Heb je dat ook ergens gelezen in een van je boeken?’
‘Ja … Willem de Ridder.’
Willem De Ridder, die naam alleen al, net een stripfiguur. Mijn misprijzen jeukt in heel mijn lijf.
Sarah staat op, haar gezicht is rood aangelopen. Ik volg haar argwanend.
‘Geef je vader een hand, dat zou al een goed begin zijn. Ik vraag echt niet om een mirakel,’ zegt ze.
‘Je weet dat ik daar niet in geloof. We zitten hier trouwens ook niet in Lourdes,’ zeg ik. ‘Maak je dus maar geen illusies.’
‘Kijk, ik zal eens tonen hoe gemakkelijk het is,’ zegt Sarah met een vastberaden stem.
‘Stop toch eens met te zeggen wat ik moet doen,’ schreeuw ik. Vanuit een reflex sta ik op en pak haar stevig vast. ‘Ga terug zitten!’ Ze spartelt fors tegen. Ik duw haar op de sofa. Ze ademt verbazend snel in en uit, alsof ze elk moment een epileptische aanval kan krijgen. Ik ga naast haar zitten en hou haar hand stevig vast. Misschien iets te stevig.
‘Gaat het?’ vraagt mijn moeder.
‘Nee,’ zegt Sarah, ‘het gaat niet. Ik begrijp niet dat je je eigen vader zo kunt negeren. Je zou moeten blij zijn dat je nog tegen hem kunt praten, dat je hem nog kan zien, dat hij er nog is.’
Ze friemelt aan haar nagels. Met betraande ogen richt ze zich naar mijn moeder. ‘Toen ik vier jaar oud was, is mijn vader gestorven. Hij was op zakenreis in Frankrijk. En ik heb niet eens afscheid van hem kunnen nemen.’
‘Waarom heb je me dat niet gezegd, Tony?’ vraagt mijn moeder.
Ik haal mijn schouders op.
Sarah barst in snikken uit. Wankelend staat ze op en vlucht schichtig naar de keuken. Mijn lichaam verstart, het maakt geen aanstalten om achter haar aan te gaan. Mijn hoofd draait zot, kortsluiting in mijn hersenpan. Mijn moeder gaat de keuken binnen.
Ik kijk mijn vader confuus aan. Mijn vader. Ergens diep in mij schuilt een kinderlijk verlangen om hem papa te noemen. Ik hoor het woord echoën in mijn hoofd. Maar het klinkt als een soldaat die na uren marteling de naam van de missie verraadt. Alsof ik een deel van mezelf verraad. Verloochen.
‘Je hoeft niets te zeggen, jongen,’ zegt hij.
Hij moet de vertwijfeling in mijn ogen zien.
‘Mag ik eens een verhaaltje vertellen?’ vraagt hij.
‘Jij een verhaaltje vertellen? Dat zou ook de eerste keer zijn.’
‘Er was eens een man die nog net op het laatste nippertje zijn trein haalde. Hij sprong een wagon binnen en toen de deur in het slot viel, zag hij dat hij in een diepvrieswagon zat. In het volgende station hebben ze hem teruggevonden, doodgevroren. Iedereen was stomverbaasd want de diepvries stond helemaal niet aan.’
‘En?’
‘Zie je, wat je gelooft wordt jouw realiteit. Wees dus voorzichtig met wat je gelooft.’
Ik probeer er me iets bij voor te stellen, maar het lukt me nauwelijks. De hectiek in mijn hoofd verbrijzelt elk greintje logica.
‘Wat geloof ik dan?’ vraag ik en gooi zo de bal terug in zijn kamp.
‘Als je wilt weten wat je gelooft, kijk dan eens goed naar het soort leven dat je nu leidt.’
Op dat moment schrik ik op door het gekletter van brekend servies uit de keuken. Het helse lawaai kwakt me helemaal terug op aarde. Sarah komt woedend uit de keuken gerend en zonder een woord te zeggen, vliegt ze naar de voordeur.
‘Wacht,’ roep ik.
Ze graait haar sjaal en jas van de kapstok en opent de deur.
‘Sarah.’
‘Ik heb hier geen zin in.’
‘Je weet hoe mijn moeder is.’
‘Jij nam het toch ook niet voor me op.’
‘Misschien moeten we nog eens praten. Ergens anders. Wat denk je?’
‘We zien wel.’
Ze wikkelt haar sjaal om haar hals en knoopt haar vest dicht.
Ik kijk haar na als ze naar de auto loopt. Ze kijkt nog even over haar schouder. Ik glimlach met opeengeklemde lippen.

Mijn moeder ziet er schijnbaar rustig uit. Ze zit fier rechtop als een generaal op zijn paard. Het mag duidelijk zijn dat ze denkt dat zij de veldslag gewonnen heeft, in welke stupide oorlog dan ook.
‘Wat een aansteller is dat,’ zegt ze uit de hoogte.
‘Wat is er gebeurd in de keuken? Ik dacht dat je haar zou troosten?’ vraag ik.
‘Ik heb haar eens goed mijn mening gezegd. Hopelijk komt ze nooit meer terug.’
‘Dat beslis ik wel,’ zeg ik.
‘Deze vrouw is niet goed voor jou,’ zegt ze. ‘Die naam alleen al.’
‘Wat is er met haar naam?’
‘Sarah, is dat niet de patrones van de zigeuners?’
Ik ben te verbaasd om te reageren.
‘En dat verhaaltje over haar vader in Frankrijk, dat geloof je toch zelf niet?’
Mijn gebalde vuisten spannen zich op. Mijn vingernagels snijden in mijn handpalm. Haar bijtende klanken probeer ik weg te laten vloeien als vuil afwaswater in de gootsteen. De vrouw die nu voor me zit, is definitief opgehouden mijn moeder te zijn.
‘Als je wilt, kan ik hier eens komen schoonmaken. Of komen strijken. Ik kan ook eens lekker voor je koken,’ zegt ze.
‘Schoonmaken? Koken? Je bent bijna 70!’
‘Hola, hola, 63 is bijlange nog geen 70. En ik kan best nog mijn mannetje staan. Ik wil het wel nog eens opnemen tegen die Sarah. Hoe oud is zij? 45?’
‘Ze is 35.’
‘En dan breng ik ook een kadertje mee voor die foto hier. We staan er toch mooi op met zijn drietjes?’
Ik kijk naar de foto en zie een driekoppig monster. Ik weet dat er één kop ontbreekt.
‘Het is misschien het moment niet, maar we moeten nog iets zeggen,’ zegt ze.
Ze kijkt naar mijn vader die zijn vermoeide ogen dichtslaat en zachtjes zijn hoofd schudt.
‘Het gaat over Peter,’ zegt ze.
Het uitspreken van de naam alleen al verplettert me. Ik heb de laatste jaren met het afstand nemen van mijn ouders ook mijn jongere broer in een vergeetput gestopt. Ook hij paste niet meer in het plaatje. Ik had andere doelen in mijn leven dan voor hem oppas te spelen.
‘Peter heeft veel zorg nodig,’ zegt ze.
Alsof ik voor de zoveelste keer op deze vermaledijde dag een nieuwe dreun op mijn kop krijg.
‘Als je vader er niet meer is, dan wordt het voor mij moeilijk. Heel erg moeilijk.’
Ik weet al welke vraag er gaat komen. En het antwoord ligt ook al klaar.
‘Ik zal er in mijn eentje niet meer voor kunnen zorgen. Ik word ook al oud,’ zegt ze.
‘Maar hier komen schoonmaken, dat kun je wel nog?’
‘Als het zover is, en ik kom er alleen voor te staan, zou jij dan …’ Ze ontpopt zich als een bedelend kind.
‘En je hebt toch niets te doen,’ voegt ze er pinnig aan toe.
Ik weet me met moeite te beheersen. Ik haat het als mensen werkloosheid associëren met luiheid, met lamlendigheid, met profiteurs. En dat mijn eigen moeder dat spelletje dan nog eens meespeelt ook!
Ik weet niet hoe ik haar duidelijk moet maken dat dit echt niet kan. Ik schud mijn hoofd, net als mijn vader deed daarstraks. Misschien zijn we beiden goed in het ontlopen van verantwoordelijkheid.
‘Of het wordt een instelling,’ zegt ze.
Ja, gooi nog wat olie op het vuur, maak het allemaal nog wat erger. Waarom moet jij altijd slecht nieuws brengen?
‘Denk er nog eens over na,’ zegt ze, ‘weet het me volgende week te zeggen. Vrijdag ben ik hier toch. Er is echt heel veel te doen.’ Om haar argumentatie kracht bij te zetten, blaast ze wat stof van de boeken.
‘Tot volgende week,’ zegt ze.
‘Nee,’ zeg ik. Mijn stem klinkt hard en meedogenloos. Als ik van een iets zeker ben, dan is het dit. ‘Nee, dat gaat niet. En ik wil het niet.’
‘Doe haar dat niet aan,’ zegt mijn vader. ‘Ze meent het goed.’
‘Ik kan best mijn eigen zaken regelen. En het huishouden is daar een van. Het is me tot nu toe goed gelukt, het zal me volgende week ook wel lukken.’
Mijn moeder is pisnijdig. Het vuur schiet uit haar ogen. Ze draait haar rug naar me toe en verdwijnt in de gang.
‘Ik bel je nog,’ zeg ik.
Ze neemt mijn vader mee als een doos oud krantenpapier.