DEEL 5: VERSTEKELINGEN AAN BOORD

HET IS GEDAAN [deel 5 en 6 van 6]

DEEL 5: VERSTEKELINGEN AAN BOORD

Verstekelingen zijn een nachtmerrie voor elke kapitein. Zolang deze lieden aan boord zijn is de rederij verantwoordelijk voor hun welzijn. Na vaak lange procedures lukt het uiteindelijk wel om ze terug te sturen naar hun eigen land. Tot het zover is, komt het voor dat verstekelingen meer dan een jaar aan boord blijven. Er zijn schepen geweest die zeven of meer verstekelingen aan boord hadden. Met een kleine bemanning was dat gevaarlijk, want door de meerderheid bestond het gevaar dat verstekelingen gewelddadig werden. Of dat ze probeerden bemanningsleden te gijzelen om hun eisen kracht bij te zetten. Vooral in het begin worden verstekelingen vaak opgesloten. Meestal in de bak, een ruimte in het voorschip. Ze krijgen dan eten en drinken en als het kouder wordt warme kleding. Onder voldoende bewaking mochten ze een paar keer per dag luchten.Ik heb drie keer te maken gehad met verstekelingen.

De Amanda Smits was vercharterd aan British Rail voor een reis met spoorwagons en spare partsvan South Shield UK, naar Mombasa in Kenia. De reis verliep voorspoedig. Zonder problemen hebben we met de scheepskranen de spoorwagons in Mombasa letterlijk op de rails gezet. We kregen van de rederij opdracht na lossing leeg op te stomen naar Durban. Er was goed nieuws voor mij persoonlijk; in Durban zou ik worden afgelost door mijn collega Laurens Langeveld.

Tegen de avond vertrokken we, zetten de loods af en voeren de tropische nacht in. De zeewachten werden ingeschoren en tevreden voer het schip zuidwaarts. De volgende morgen kwam ik om acht uur op wacht om eerste stuurman Ewoud de Bok af te lossen. ‘We hebben verstekelingen aan boord,’ meldde hij. Nietsvermoedend stond hij met daybreakvan de opgaande tropenzon te genieten toen hij plotseling, op het voorschip, drie zwarte gedaanten uit een grote luchtkoker zag klauteren. Een paar matrozen vingen hen op en brachten ze naar het achterdek. Ze stonken verschrikkelijk.

De kok had ze inmiddels, vol medelijden, eten en drinken gegeven. Na een grondige wasbeurt werden ze in de bak opgesloten en ondervraagd. Dat was vrijwel altijd vruchteloos. Papieren hadden ze nooit bij zich. Meestal vertelden ze niet hun naam, waar ze woonden, wie hun ouders of andere familieleden waren. Allemaal informatie die nodig was om ze weer terug in hun land te krijgen. Zo snel mogelijk ging een telegram naar de rederij met de schaarse relevante informatie. Het hele circus werd dan in werking gezet. De rederij informeerde de verzekering. Deze was ondergebracht bij de zogenoemde P&I Clubs. Advocaten gingen aan de slag om relevante informatie te verzamelen en om de autoriteiten in het land vanherkomst te overtuigen dat de verstekelingen daar thuishoorden. Inmiddels was Durban ook op de hoogte gebracht.

De volgende ochtend bij het overnemen van de wacht begroette de eerste stuurman mij met de woorden: ‘We hebben er nog één!’ Ik geloofde mijn oren niet en dacht dat hij een grap maakte. Maar het was echt zo, we hadden een vierde verstekeling. Die morgen met daybreakkroop er uit een andere luchtkoker een zwarte gedaante. Bij aankomst in Durban stonden behalve de normale hoeveelheid havenautoriteiten al een paar cipiers met een arrestantenwagen klaar. In het scheepskantoor ondergingen de vier verstekelingen opnieuw een verhoor en moesten zij ingevulde papieren ondertekenen. Daar gingen ze, afgevoerd naar de gevangenis. Vlak voor vertrek zouden ze weer onder bewaking aan boord gebracht worden. De wacht zou op de kade blijven staan tot het schip was vertrokken.

Het spreekt voor zich dat alle kosten voor vervoer naar en van de gevangenis en de kosten voor verblijf, voedsel en bewaking voor rekening van de rederij kwam. Het is vervelend voor een kapitein die met verlof gaat zijn aflosser op te zadelen met vier verstekelingen. Uiteraard was Laurens Langeveld al op kantoor op de hoogte gebracht.

Van Durban moest de Anita Smits naar Italië. Kapitein Langeveld hoopte daar de verstekelingen kwijt te raken, maar Mombasa wilde ze nog niet hebben. De Anita Smits ging via het Suezkanaal weer terug naar Oost-Afrika. Er was nog steeds geen uitzicht op het vertrek van de heren. Ik heb gehoord dat onder de kust van, ik meen, Tanzania gestopt is en een sloep werd neergestreken. Daar was een kleine nederzetting. Er waren wat gebouwtjes waar rook uitkwam. De verstekelingen gingen met voldoende water en leeftocht onder begeleiding van een aantal bemanningsleden naar de wal, met de mededeling: daar bij die huizen wonen mensen, daar zijn jullie veilig. Van het geheel maakte de bemanning met de Polaroidcamera een aantal foto's als bewijs dat ze in de bewoonde wereld aan de wal waren gezet.

Op de Christina Smits kregen we ook een verstekeling. In Conakry aan de West-Afrikaanse kust laadden we bulk voor een Engelse haven. Er was gewaarschuwd voor piraterij in Conakry. Deze haven was berucht. In de middag kwamen we aan op de rede. Na wat problemen met twee loodsen die ieder een doos whisky en twintig sloffen Marlboro eisten, meerden we af. De volgende ochtend zou de belading beginnen, daarom moest er tweeduizend ton water uit de ballasttanks gepompt worden, een karwei dat de hele nacht in beslag nam. Vanwege de piraterij bleef ik met de tweede stuurman en een matroos aan dek. De HWTK zou ballast pompen.

Het was een prachtige tropennacht. Gaandeweg kwam het schip steeds hoger te liggen. Daardoor was het moeilijker voor ongenode gasten om aan boord te komen. Tegen het ochtendgloren kwamen de eerste havenarbeiders. Plotseling verschenen op het water horden jongelui in tientallen kano's met buitenboordmotor. Aan boord was alles zo goed mogelijk afgesloten.

De kok werd in de kombuis overvallen. Het ontbijt voor de bemanning stond klaar en de kok was al bezig met het bereiden van het middagmaal. Ineens was alles verdwenen. De matrozen werden aan dek van hun schoenen en horloges beroofd. Op het sloependek stonden enkele 200-liter vaten met smeerolie. Een paar gespierde autochtonen maakten de sjorringen los en voor we het wisten dreven de drums in het water. Daar zaten de jongelui in hun kano's op te wachten. Ze maakten een vatenhaak met een eindje touw aan de drum vast en op volle kracht voeren de kano's weg met onze volle oliedrums op sleeptouw. Er was geen houden meer aan, het leek wel een sprinkhanenplaag. We waren volstrekt machteloos. Ik vroeg op de VHF om hulp, maar de geboden hulp was eigenlijk een lachwekkende vertoning. Uit het bos kwam een Solexje aantuffen met een grote donkere man erop in een soort uniform, gewapend met een pistool. Hij begon te schieten. Iedereen aan de wal stoof het bos in. Tevreden met het resultaat tufte de politieman lachend weer terug. Toen hij uit het zicht verdween kwamen de piraten weer uit het bos. Intussen was ook de kombuis afgesloten en bleef iedereen die niets op het dek te zoeken had binnen. Spoedig was het schip zeeklaar en konden we naar Engeland vertrekken.

Na ruim een dag varen was ik 's avonds bezig een rapport op te stellen over onze ervaringen in Conakry, toen de Spaanse kok gillend en overstuur mijn hut binnen rende. ‘Kapitein, piraten aan boord!’ Ik schrok en verwachtte niet dat hier piraterij voorkwam. We zaten net ten zuiden van Dakar. Ik rende naar beneden. In de officieren messroom stond de HWTK nog na te hijgen. Hij had zojuist een jonge donkere man aan dek in zijn kladden gepakt. De jongeman kwam me bekend voor, hij was één van de dieven in Conakry en nu dus een verstekeling. In Engeland mochten we hem aan boord houden. De Engelse politie controleerde de ruimte waar hij opgesloten zat, voorzien van een bed, eten en drinken. Van Engeland stoomden we leeg op naar Boulogne sur Mer. Ook daar mochten we hem aan boord houden, nadat we de Franse politie overtuigd hadden dat we goed voor hem zorgden. Daarbij hoorde ook een paar maal per dag luchten. Op zee gaf dat geen problemen maar in de haven was het risico voor vluchten groot.

Iedereen was druk, daarom besloot ik zelf de verstekeling te luchten. Met een eindje touw om zijn middel liepen we het sloependek op en neer. Zo goed en zo kwaad als het ging maakte ik een praatje. Mijn aandacht verslapte daardoor en daar had hij op gewacht. Hij gaf me een duw, rukte zich los, klom over de reling, liet zich zakken tussen wal en schip en was verdwenen. Op mijn hulpgeroep kwam de bemanning haastig aangerend en begon te zoeken. Het gevaar bestond dat hij in het koude water was gesprongen. We zochten alles af, hij was weg.

Er zat niets anders op dan de agent en de havenautoriteiten te waarschuwen. Het eerste wat de agent zei, was: ‘Merde!’ Begrijpelijk, want zoiets geeft veel problemen. De rederij krijgt naast een forse boete de rekening gepresenteerd voor het opsporen van de voortvluchtige. Aan de andere kant waren we opgelucht. Die avond vertrokken we zonder verstekeling.

Drie dagen later vonden ze hem, totaal verkleumd. Korte tijd daarna is hij op het vliegtuig gezet naar Conakry.

-wordt vervolgd-


DEEL 6: GRAND OLD LADY, 2015