Het galgenmaal

Het galgenmaal

Het galgenmaal

Luna tuurt gespannen over het randje van de greppel en ziet de bewaker rustig de hoek om lopen. Vanuit een metalen kast op enkele meters achter haar, klinkt een scherpe klik. De straatverlichting flikkert nog een ogenblik, maar geeft zich dan gewonnen. Het is pikdonker, op twee kattenogen na die fel oplichten in de duisternis.

  ‘Nu, nu!’ sist Luna en meteen ziet ze hoe Mulciber zich in beweging zet en de weg oversteekt. Ze spitst haar oren en zoekt iedere frequentie af naar een aanwijzing dat iemand hen heeft ontdekt. In plaats van een loeiende sirene hoort ze hoe Nyx naast haar in de greppel komt liggen. Luna houdt haar adem in en telt tot tien. Mulciber heeft de stoep aan de verre zijde van de straat bereikt. Weer telt ze tot tien. Hij wringt zich tussen de spijlen van het hek. Nog eens tien seconden gaan voorbij, dan nemen haar oren het zachte gepiep van roestige scharnieren waar. Even kijkt ze naar links en naar rechts, dan geeft ze het teken waarop Nyx en zij de straat oversteken. Luna sprint naar de poort van de hoofdingang en glipt door de opening tussen de poort en het hek.

‘Goed werk,’ fluistert ze tegen Mulciber.

  ‘Zo’n staart opent vele deuren,’ sist Mulciber terug.

Luna kijkt achterover en even trillen haar snorharen van ergernis.

  ‘Hierheen, Nyx, hierheen,’ fluistert ze zo hard als ze kan naar Nyx die enkele meters naar links zijn snuit door de spijlen van het hek heeft gestoken.

  ‘Ah, ja, pardon, excuseer,’ mompelt hij, terwijl hij naar de poort begint te schuiven.

  ‘Schiet op, mol!’ Luna slaat ongeduldig met haar staart op de grond.

  ‘Ja, ja, ik kom er aan,’ hijgt Nyx.

Wanneer ook hij door de opening is geglipt, laat Mulciber de poort weer zachtjes dichtvallen.

  ‘Oké, volg mij!’ fluistert Luna tegen de andere twee en ze zet een rustig tempo in zodat de anderen haar bij kunnen houden. Ze loopt langs de beren, de zebra’s en voorbij het verblijf van de pinguïns, om vervolgen bij een klein gebouwtje uit te komen.

  ‘Vanuit dit huisje worden alle verblijfplaatsen van stroom voorzien.

Nyx, jij maakt het distributiekastje in dat gebouw onklaar. Mulciber, wij verbergen ons achter dat karretje. Laat de wachters je niet zien.’ Met die woorden in het achterhoofd duiken Luna en Mulciper weg achter de wielen van een eetkraampje, terwijl Nyx zich naar het verdeelstation begeeft. Enkele zenuwslopende minuten passeren terwijl Nyx een gang graaft onder het gebouwtje door. Luna likt zenuwachtig over haar neus.

  ‘Kom op, schiet op!’ dreunt het door haar bovenkamer. Dan, plotseling, verdwijnt het lichtschijnsel vanachter de gordijnen en klinken er verbaasde en angstige stemmen door de muur heen. Niet veel later verschijnt Nyx weer boven de grond en het drietal zet het op een lopen. Terug langs de pinguïns gaat het en voorbij het restaurant naar een gebouw met een rood dak. Bij het hek aangekomen steekt Mulciber zijn lichaam in de lucht en het puntje van zijn staart in het sleutelgat. Even wiebelt hij heen en weer, dan wijkt het hek.

  ‘Snel, snel,’ hist Luna. Het drietal schiet door de opening naar binnen.

  ‘Deze kant, deze kant.’

De groene kattenogen weten precies waar ze heen moeten. Een trap op, nog een deur ontsloten en voor ze het weten hebben ze hun doel bereikt.

Van onder een berg bladeren, stijgt het geluid van diep gesnurk op. Luna gaat als een sfinx op haar achterpoten zitten, buigt haar nek en schraapt haar keel.

‘Ahum.’

En dan nog eens, iets resoluter: ‘Ahum! Majesteiten!’

De berg bladeren beweegt en het gesnurk neemt toe.

‘Koninklijke hoogheden!’ roept Luna, zo hard als ze durft. De gewenste reactie blijft echter uit. Met een zucht pakt ze Mulciber op en gooit hem in de hoop bladeren. Vrijwel direct klinken er gilletjes en een veelvoud aan “wat heeft dit te betekenen?!” De hoop bladeren ontploft en twee slaapdronken panda’s verschijnen.

  ‘Hoogheden Wu Wen en Xing Ya,’ zegt Luna terwijl ze een diepe buiging maakt. ‘Vergeef ons het interrumperen van uw slaap, maar uw aandachtig is vereist.’

  ‘Vereist?’ blaft Wu Wen. Waarom? Wie zijn jullie?’

  ‘Vergeef me majesteit. Dit hier zijn mijn collega’s Nyx de mol, hij is een expert op het gebied van sabotage en Mulciber de slang die ieder slot open weet te krijgen. Ik ben Luna en samen maken wij deel uit van de Ondergrondse.’

  ‘Ondergrondse! Wat bazel je?’ De intonatie van Wu Wen laat er geen gras over groeien: de vreemdelingen verstoren eerst zijn slaap en houden hem nu af van zijn ontbijt. Hij mag ze helemaal niet!

  ‘Majesteit, wij strijden tegen de aapmensen die onze planeet verwoesten. U bent onze laatste hoop.’

  ‘Hmmpf. Hoezo?’

  ‘Onze contacten hebben hun poten, pardon klauwen, weten te leggen op de legendarische Fluit van Verlossing.

  ‘Nou en?’

  ‘De Fluit van Verlossing is duizenden jaren oud en zal het dierenrijk redden van de verwoestende aapmens.’

  ‘Wat hebben wij daar mee te maken?’

  ‘De legende vertelt ons, dat alleen een nobel dier de fluit kan bespelen en de wereld van de ondergang redden.’

  ‘Ah,’ roept Xing Ya verheugt. Je zoekt een paard, dát is een nobel dier. Weet iedereen, toch? Paarden, m’n beste. Géén panda’s.’

Luna schudt haar hoofd.

  ‘Nee, nee hoogheden. De Verlosser komt volgens de voorspellingen uit het Verre Oosten en zal bij aankomst groots worden onthaald. Dat klopt toch?’

Wu Wen en Xing Ya kijken elkaar verbouwereerd aan.

Luna pakt uit haar rugtas de fluit en houdt hem Wu Wen voor.

‘Alstublieft hoogheid, help ons! Verlos ons van aapmensen en klimaatverandering!’

Op zijn hoede pakt Wu Wen de fluit, snuffelt er aan en bekijkt hem van alle kanten. Dan plaatst hij de fluit aan zijn lippen, haalt adem en...neemt een hap.

Luna, Nyx en Mulciber zien vol afgrijzen hoe de fluit in drie stukken breekt en in Wu Wens holle kies verdwijnt.

  ‘Niet slecht voor drieduizend jaar oud bamboe,’ zegt Wu Wen. ‘Maar ik houd toch meer van jonge scheuten.’

  ‘Ongelooflijk,’ stamelt Luna. ‘Ongelooflijk.’