De oude hond

De oude hond

De oude hond

Hier, bij de aarde, was zijn geur. Het vermengde zich met de modder en het gras. De geur kwam van een afbeelding van baasje die voor de steen stond. Hij wist niet waar hij anders naartoe moest. Hier was de geur het sterkst.

Een kat sprong op het hek. Het mormeltje staarde naar hem. Hij blies, legde zijn neus op de aarde.

Een vrouw en een meisje kwamen aangelopen. Het meisje riep en wees naar hem. Ze kwam naar hem toe. Hij rook een aardbeiengeur om haar heen, terwijl ze hem aaide. Hij liet het toe. De vrouw was angstig en riep iets. Ze liepen verder.

Uit de schoorsteen kwam brandlucht. Hij keek, maar zag geen brand. De afbeelding werd besnuffeld, de geur was er nog.

Een herder met een man gingen langs het hek. De herder gromde even, maar de man trok hem verder.

Het geluid van poten op aarde deed hem opkijken. Hij zag de worstenvrouw dichterbij komen. Zijn maag rommelde. Toen begon zijn staart te kwispelen. De vrouw sprak tegen hem en hij voelde dat ze treurig was. Voorzichtig pakte hij de worst en beet er een stuk af. De rest viel op de grond. In een paar happen was de worst op. De lieve vrouw was nog steeds treurig en hij likte haar hand om haar te troosten. Even later ging ze weer.

Dit was een goede plek. Mensen kwamen om hem worst te geven en om hem te aaien. Dit was een goede plek.